Posts Tagged ‘‘zilveren maan’’

Articles

Kinderspel

In Fotografie,Natuur,Persoonlijks,Taal,Vertelsels,Vlinders & nachtvlinders on 20 oktober 2012 door Marjolein Stam getagged: , , , , , , , , , , , , , , , , , , ,

Dit stuk is geschreven voor de najaarseditie van Flinterwille, het ledenblad van Vlinderwerkgroep Friesland. Namen en plaatsen zijn verwijderd, sommige zinnen wat gewijzigd, maar verder integraal geplaatst.
Een deel is eerder aan de orde geweest in de blog
Kicken en Clicken.

Deze slideshow heeft JavaScript nodig.

Vlinders zijn altijd aantrekkelijk, maar dat moet je wel leren zien. Hoewel ik vroeger wel foto’s van doorsnee-vlinders maakte, keek ik er tegelijkertijd een beetje op neer. Iedereen in mijn fotogroep postte een gehakkelde aurelia, hoe origineel was dat nou? Tegelijkertijd dacht ik dat ‘echte’ vlinderaars à la Erik (van Godfried Bomans) met een netje over de heide huppelden. Maar of zulke mensen en kinderen nog bestonden, dat wist ik niet. Ik had ze tenminste nog nooit gezien, ondanks mijn vele natuurtochten.

Tijdens mijn zomer op Ameland ging ik pas echt goed naar vlinders kijken. We reisden het hele eiland af, eigenlijk speurend naar vogels. Natuurlijk zagen we daarbij ook vlinders en we raakten allebei geïntrigeerd door de zilveren maan die op de Amelander bus prijkt. We dachten die in grote getale gezien te hebben, maar determinatie via Vlindernet leerde ons dat het om de duinparelmoervlinder ging. Hoe dan ook: een liefde was geboren: wij zochten overal en vonden veel – behalve de zilveren maan … Die werd voor mij een ‘must’!

Het jaar daarop was ik weer solo en na een langdurig warm familiebezoek aan Indonesië viel ik in het spreekwoordelijke gat. Ik kwam terug tijdens de natte, koude zomer van 2011 – een kille zomer, praktisch zonder vlinders. Totdat ik op die zwoele septemberavond naar Buitenpost reisde en deelnam aan de Nationale Nachtvlinder-Nacht en daar kennismaakte met leden van de Vlinderwerkgroep. Naast de verbazing over de pracht van de nachtvlinders, was ik nog meer verbaasd over de kennis van de jongen die mij bijlichtte voor de foto’s en mij daarbij informeerde over de desbetreffende vlinder. Kinderen die zeiden dat het wel een beetje dom was dat ik geen zaklamp had, want hoe kon je anders vlinders vinden in het donker??
Ik heb genoten die avond, niet in de laatste plaats door dat eerlijke jongetje, dat zoveel geduld had met een domme nieuwkomer van 55. Maar ook van de saamhorigheid die in de groep heerste, van de fotogenieke walstropijlstaart die vanuit Frankrijk was meegebracht en van de medefotografen die met hetzelfde doel als ik de vlinders op hun mooist probeerden te fotograferen. Die avond heb ik me meteen aangemeld als lid van de Vlinderwerkgroep en daarmee hoorde ik weer ergens bij en hoefde ik niet meer alleen op pad.

In het voorjaarskrantje stonden de geplande excursies vermeld. Het leek mij een goed idee mij daarvoor aan te melden, maar dat had heel wat voeten in de aarde: beperkt qua vervoer en door kwaaltjes niet altijd even mobiel was het lastig om de verzamelplaats te bereiken. Ik dacht ook nog niet als een vlinderaar: het kwam niet bij me op om de aardbeivlinder even op te zoeken en te bekijken hoe interessant die is. Ik maakte me zo druk over vervoer en het slechte weer dat ik die excursie aan me voorbij liet gaan.
Achteraf zag ik toevallig dat er wel degelijk aardbeivlinders gezien waren en ik besloot me voortaan nergens meer van te laten weerhouden: ik wilde mee op excursie.

Mijn eerste excursie was op een koele zaterdagmiddag, waarbij een waterig zonnetje doorbrak. Ik werd bij een station opgepikt en was er helemaal klaar voor. Dacht ik … Ik had dan wel een zaklantaarn gekocht, maar natuurlijk was ik niet voorbereid op het gebied dat men beter de Nattige Meente had kunnen noemen – mijn nieuwe schoenen werden diverse keren in bruinig modderwater ge- en herdoopt en nog weken nadien jeukten de bulten van de dazen die zich een weg in mijn lange broek hadden gevlogen. Ik droeg geen sokken … stom, stom, stom. Het zware lopen door het zompige terrein en mijn angst voor kikkers maakte het me niet makkelijk en hoewel er mensen met schepnetten liepen, deed niets mij aan de Erik van Bomans denken. Niks huppelen, ploeteren!

Langzaamaan begon ik wat mensen te leren kennen, waarbij de senior van de groep die op eerbiedwaardige leeftijd voortploegde, onderwijl Latijnse namen noemend bij een bladstipje of een plantje aanwijzend, diepe indruk maakte. Maar ik vond de brede kennis van alle groepsleden indrukwekkend: men wist zóveel over zóveel verschillende zaken! De een was van de planten, de ander van de poppen, een derde kende alle libellen en een vierde kende het gebied als zijn broekzak. Daartussendoor liepen kinderen, zoekend naar alles wat vleugels heeft. Wat me opnieuw het allermeest trof, was de behulpzaamheid: niet alleen de kennis werd met plezier gedeeld, ook vlinders werden met liefde aangewezen en er werd ruimte gemaakt voor ieders camera; niemand hoefde een primeur.

En toen zag iemand de zilveren maan … Ik was er stil van (helaas is dat nooit te merken): daar zat hij of zij, helemaal alleen in dat uitgestrekte gebied, in een zonnestraaltje. Ik ben zelden zo gelukkig geweest als op dat moment, en toen ik nota bene die ene stip die de zilveren maan kenmerkt, aan iemand wist aan te wijzen, kon ik mijn geluk helemaal niet meer op. Ik wist ook iets! Maar er kwam nog meer moois: de vondst van een grote vuurvlindervrouw. Wow, dat was een ongelooflijk moment! Ik heb er de blog ‘Kicken en clicken’ over geschreven. Mijn camera maakte overuren en ik voelde me diep gelukkig dat ik dat moois had mogen aanschouwen.

Op zeker moment ben ik teruggegaan, net voordat er ook nog een mannetje ontdekt werd. Enerzijds was ik kwaad op mezelf, anderzijds wist ik dat ik allang over alle fysieke grenzen was gegaan en echt niet verder kon. Terug bij de verzamelplaats was ik kapot maar zo intens blij; dat gevoel dat ik zo gemist had, was terug. Dankzij de bijzondere vlinders maar zeker ook dankzij de leden van de Vlinderwerkgroep!
Na nog een gezellig en calorierijk samenzijn werd ik naar huis gebracht met afspraken over waar ik over twee weken opgepikt zou worden. Een paar dagen later werd ik gebeld en ging mee naar ‘een’ heide achter Drachten, waarbij ik eindelijk als een vlinderaar begon te denken: ik was op last van mijn gastvrouw goed beschermd met sokken over de broekspijpen en had me ingesmeerd met muggenspray. Ik bleek bovendien evenveel te zien als zij, waardoor ik probleemloos mee kon tellen. Wederom een mooie en rijke ervaring, waaruit een leuke vriendschap ontstond.

Twee weken later was er de excursie op een grote heide en daar had ik wél het gevoel van een huppelende Erik die met zijn netje vlinders vangt: daar werd ook met het net gewerkt, en met potjes om de vlinders goed te kunnen laten zien. Ik heb de komma op de kommavlinder door de mazen van het net gezien, maar op mijn foto heeft het net de overhand. Dat is niet erg; ik heb daar zóveel moois gezien! Het gebied was prachtig, het weer was goed, er was een grote variëteit aan begroeiing en ook aan vlinders en er was weer die saamhorigheid die me zo aanspreekt. Al raakte ik op zeker moment iedereen kwijt en moest ik me een weg banen door brandnetels en plassen met mijn te zware bergschoenen, ik bleef genieten.

Al in het begin zag ik een bruine vuurvlinder, die ik pas later herkende – toen ik me met iemand anders in duizend bochten wrong om een ander exemplaar op de foto te krijgen. Ook een parend paart heideblauwtjes liet zich moeilijk schieten; er waaide een vaag soort wind vlak boven de grond, waardoor de foto’s snel onscherp werden. Maar het is uiteindelijk meestal wel gelukt: een eikenpage, bruine vuurvlinders, kommavlinders, een kaneeldingetje in een potje en een bibberige zuringspanner.
Als bonus was de omgeving ook erg boeiend: op het laatste stuk, net voorbij het water (waar ook een interessant verhaal aan vastzat), pronkte klokjesgentiaan in lange blauwe rijen over het pad en even verderop stond een pluk gele cantharellen te lonken.
’s Avonds, wederom na de gezellige vette hap en samen wachtend op het weer, prijkten roodgloeiende pollen mos tussen gouden gras, onder een prachtige zonsondergang.

Ook tijdens deze excursie verbaasde ik me over de enorme kennis die er is en kwam ik langzaam maar zeker achter ieders diverse vaardigheden. Het leukst bleef ik de twee jongens vinden die behendig macro’s en micro’s in potjes vingen – zij hadden geen net nodig. Aan hen is dit verhaal opgedragen. Deze kinderen mogen dan wel fantastisch en met een aanstekelijk enthousiasme kunnen vlinderen, het vlinderen zoals ik dat nu gezien heb en dat zij ook lieten zien, is absoluut geen kinderspel! Verre van dat: het is kennis van de natuur en van de vlinders, de habitat, de rupsen, de poppen, alles. Een leeftijdsloze kennis, waardoor leden van 9 en van 90 evenveel plezier beleven.

Dank jullie wel, jongens, en dank jullie wel, vlinderaars van de Vlinderwerkgroep, dat jullie iemand zo opnemen in de groep en dat iedereen goed kan en mag zijn in wat hij ‘toevallig’ kan. Ik kijk uit naar de najaarsbijeenkomst en vooral naar volgend seizoen, want al heb ik enkel een guppenschepnet, ik spaar al wel potjes voor de komende excursies en heb notitieboekjes om te noteren wat ik zie en ga zien. Misschien ben ik een vlinderaar in wording, maar het is nog maar kinderspel. Het echte werk moet ik nog verder van en met jullie leren.

Advertenties

Articles

Kicken & clicken

In Fotografie,Natuur,Vertelsels,Vlinders & nachtvlinders on 27 juli 2012 door Marjolein Stam getagged: , , , , , , , , , , , , , , , ,

De afgelopen week heb ik meer natuur met bijbehorende schoonheid gezien dan in het halve jaar daaraan voorafgaand. Dat werd tijd: ik miste het vlinderen en vogelen op Ameland en het kille weer deed me de tropen erg missen. “Al was het maar één troop” verzuchtte ik tijdens de natte moesson die zomer heette … Of dat een misan- of juist een filan- moest zijn, deed er niet zoveel toe – ik ging meer voor de heliotroop.

Toen ik zaterdag deelnam aan een excursie in de Rottige Meente, had ik geen idee hoe nattig die Meente zou zijn en hoe rottig de dazen me te grazen zouden nemen. Mijn benen zijn versierd met rode spikkels en bulten, alsof ik een slachtoffer van de waterpokken ben. Wat overigens zou kunnen; af en toe stonden we tot de kuiten in het drasse water en misschien bevonden zich daar wel pokken …
Mijn schoenen, die mij door de avontuurlijke binnenzooltjes al menig strandwandeling door stad en land hebben bezorgd (ze voelen alsof je met blote voeten over het strand loopt), deden hun naam eer aan: het was weliswaar vloed, maar ook dat liep niet vervelend. Het enige lastige was het zompige terrein, dat lopen, bukken en zoeken tot een complete work-out maakte.

Ondanks dat (en wat passerende kikkertjes) was het ontzettend leuk om met kenners op pad te zijn: de Latijnse namen vlogen in het rond en iedereen was even gespitst als ik. Opeens was HET moment daar: iemand signaleerde een zilveren maan! Eindelijk zag ik met eigen ogen dit zeldzame wondertje van schoonheid en knipte mijn camera als was ik een paparazza: niets mocht aan het toeval overgelaten worden, de foto’s moesten lukken!
Ik wist als groentje de anderen het beruchte stipje aan te wijzen dat de zilveren maan van andere parelmoervlinders onderscheidt – nog een ego-boost ook naast het maan-cadeau.

Tegelijkertijd had men wat verderop ook de grote vuurvlinder gespot, dus iedereen haastte zich naar dit unieke fladdertje. Alsof we in een heiligdom waren, zo hurkten we ademloos en klikkend om het vrouwtje heen, genietend details uitwisselend. Zodra zij opvloog en wat verderop weer neerstreek, deden wij hetzelfde – stel je voor dat we haar ook uit een andere hoek konden fotograferen! Stel je voor dat er überhaupt nog een andere hoek wás!!! Iedereen was lyrisch over dit prachtige vlindertje, dat toch maar mooi in Fryslân vliegt! Sterker nog, er vlogen er twéé, allebei vrouwtjes, dus er zou ook een mannetje moeten zijn!

Terwijl ik besloot dat het fysiek genoeg was en aan de barre tocht terug begon, vond men verderop het mannetje (waar ik stiekem toch ook wel jaloers om was – ik had hem ook zelf willen ‘hebben’) en ook werden eitjes gevonden. Dat is een fantastisch teken: de soort blijft in stand mits we de juiste omstandigheden blijven bewaken. Alleen hier en in de Weerribben komt deze soort voor – volstrekt uniek voor de wereld, deze kleine grote vuurvlinder!

Woensdag toog ik naar Bakkeveen, waar ik met één van de leden heideblauwtjes zou tellen. Mijn spieren waren net hersteld van de Rottige Meente-aanslag, dus het kon weer. Ik moest wel een lange broek aan, die bij de sokken in moest. Niks korte broek, niks sandalen. Een bloot hemdje mocht wel mits ik extra bedekking bij me had; op de hei verbrand je snel. Dat vonden de heideblauwtjes kennelijk ook: ze gingen echt niet met open vleugels in de zon zitten! Blijkbaar zijn zij wijzer dan hun neefje Icarus … Ik heb dus alleen foto’s van de mooie buitenkant van de vleugels, niet van het stralend blauw (of bruinig vrouwtjes-) binnenwerk.

Toen ik meteen struikelde door de oneffen ondergrond, zijn we naar een vlakker gedeelte gegaan om te tellen. We vonden op 2/3 van het perceel toch 181 blauwtjes, een heleboel heispannertjes, veel oranje zandoogjes, een paar passerende adhd-witjes en een bont zandoogje (dat bruin is).
Ook vond ik een prachtig bloeiende gentiaan, wat betekent dat de grond goed verzuurd en nattig is, de beste conditie voor dit veenheidegebied. Of het betekent dat ik goede ogen heb 😉
Een haas stoof voor onze voeten weg en een paartje roodborsttapuiten zat elkaar verderop achterna. Het was, kortom, fantastisch.

Nagenietend in een tuin vol vlinders spraken we af dit vaker te doen, waarna ik moe en met spierpijn maar wederom zeer voldaan het openbaar vervoer opzocht om huiswaarts te keren. Volgende week gaan we weer op excursie, ditmaal op zoek naar de kommavlinder. Zodra we die hebben gevonden, wordt er voor dit jaar een punt achter de excursies gezet. Maar voor mij zijn werelden heropend: ik heb mensen ontmoet met dezelfde passie en zij vinden het leuk om samen wat te ondernemen.
Ik heb mijn biot(r)oop gevonden en dat is kicken.

Articles

Argusogen in de zilveren maan

In Fotografie,Natuur,Vlinders & nachtvlinders,Vogels,Wadden on 2 juli 2010 door Marjolein Stam getagged: , , , , , , , , ,

Een paar weken geleden lazen we op de nieuwssite van Persbureau Ameland het bericht dat iemand de zeldzame duinparelmoervlinder had gezien. Er stond een foto bij van een prachtige oranje vlinder, met parelmoerglanzende vlekken aan de buitenkant van de vleugels. De vindplaats werd geheim gehouden.
Vooral dat laatste was voor ons doorslaggevend: wij moesten en zouden ook zo’n vlinder zien! En natuurlijk wilden we er mooiere foto’s van maken dan degene die bij het bericht van Persbureau stond.

Zaterdag togen we er op de trike op uit, onderweg speurend naar vogels en vooral naar vlinders. In Buren, waar we na veel omzwervingen een kop koffie dronken en samen met de musjes een appelpunt aten, liepen we naar het duinpaadje. We hoefden niet eens het paadje op: al bij het hekje zagen we een exemplaar van de bewuste zeldzame vlinder, prachtig poserend op een kale jonker We schoten ons kaartje bijna vol, zo trots waren we dat wij er ook eentje hadden gevonden! Nou ja, ‘gevonden’ – hij was nauwelijks te missen.

Maar thuis wachtte de teleurstelling: we konden de vlinder zelfs op het beeldscherm niet met zekerheid benoemen als duinparelmoervlinder… Een ware slag in mijn gezicht. Het beestje leek meer op een ‘zilveren maan’, een halfbroer uit de grote familie van parelmoervlinders. Ons exemplaar miste de zwartige vlek die hem onderscheidt van zijn zeldzame halfbroer of -zus. Mijn vriend moest wel gelijk hebben: het was een zilveren maan, geschoten in de volle zon. Daarnaast bevatte onze collectie een argusvlinder, waarvan het zwarte oog duidelijk op de buitenkant van de bovenste vleugeltip te zien is, plus een kleine vos en als bonus twee ons tot nu toe onbekende vogeltjes. Best een goede oogst dus, al hadden we de primeur van de duinparelmoervlinder niet weten te evenaren. De fladderende trots van Ameland ging aan ons voorbij.

Natuurlijk waren we vastbesloten de volgende dag nog een poging te wagen, dus weer stapten we na het middaguur op de trike en reden ditmaal via het bos om eerst weer even op vogeljacht te gaan. We wisten dat er een bruine kiekendief in de buurt zat, maar toen hij pal over ons heen vloog, was dat toch een verrassing. Aangezien ik erger ben dan een Japanner en praktisch vergroeid ben met mijn camera, schoot ik hem in een reflex en de foto blijkt nog scherp ook met – alweer toevallig – zelfs de juiste belichting!
Nadat we met argusogen het bos hadden afgespeurd, zaten we nog even op een bankje en praatten over onze volgende stop. Het was onvermijdelijk: we zouden toch weer naar Buren rijden. De vlinderverslaving had behoorlijk toegeslagen en concurreerde met de vogelspotverslaving.
Terwijl we praatten, zag ik iets wat op een duif leek op een tak zitten. Een duif, tja, die zegt me niet zo veel, dus mijn reflex deed het eventjes niet. Stom, want toen het dier wegvloog, bleek het onmiskenbaar een uil en daaraan had ik mijn hele spiegelreflex wel willen offeren! Ik vermoed dat het een bosuil was – het feit dat hij door het bos vloog, lijkt mij een redelijk betrouwbare indicatie voor deze constatering.

In Buren dronken we opnieuw koffie, ditmaal op een terras zonder mussen. Er reed een bus voorbij met daarop een grote foto van onze vlinder met de tekst “zilveren maan”. Ik keek mijn vriend verbaasd aan: waarom stond deze vlinder afgebeeld op de bus als men juist trots was op de zeldzame soortgenoot?? Was het dan toch…? Het kon geen synoniem zijn, dat was uitgesloten na alles wat we er over gelezen hadden.
We moesten nu echt snel naar de vindplaats terug om zekerheid te krijgen! Daar aangekomen, zagen we zeker 15 exemplaren rondfladderen, met hun roltong de nectar uit de kale jonkers halend. Dit moest inderdaad de distelparelmoervlinder oftewel de zilveren maan zijn, dat kon niet anders… Voor de zekerheid fotografeerden we ze in allerlei standen: vleugels open, vleugels dicht, van voren zodat je de kop met de enorme ogen kon zien – verzin het maar.

Onderweg terug, langs buitenweggetjes rijdend op de snelbruiner, zagen we nog een aantal exemplaren, die hun nectar uit de rode klaver haalden. Dat was telkens opnieuw aanleiding om te stoppen en ook deze oranje fladderaars te fotograferen. Thuis genoten we van onze mooie foto’s van al die zilveren manen en die ene argusoog, van de vogeltjes en van de prachtige landschappen die Ameland biedt.
Alsnog voldaan sloten we het weekend af. Als extraatje kreeg ik maandag op de boot nog een paar zeehonden die dichtbij de veerboot op zandbanken hun vacht schoonrolden en als altijd de zon die het water zo prachtig laat schitteren, op de geulen en de slenken in de zandbanken. Ik heb genoten!

Gisteren las mijn vriend me een nieuw stukje voor van de site van Persbureau Ameland: er was een ongekende hoeveelheid duinparelmoervlinders op het eiland gesignaleerd. Dit komt doordat de vlinder als eitje overwintert en door de strenge winter zijn de eitjes goed geïsoleerd. Na wat nalezen op Wikipedia vonden we het verschil tussen de twee soorten: de veel minder zeldzame zilveren maan overwintert als pop, dus daarvan heeft het merendeel de winter juist niet doorstaan.

Wij hebben nu dus onverwacht een grote collectie foto’s van de zeldzame duinparelmoervlinder, terwijl we in de blakende zon koortsachtig dachten zilveren manen te schieten.
En de titel bij de foto op de Amelander bus is dus een foutje. De vlinder is op een zwart vlekje na identiek, maar de naam ‘zilveren maan’ is onjuist. Het kan verkeren – niets is meer gek als je ze zo ziet vliegen.