Posts Tagged ‘Taal’

Articles

Stamvader

In Natuur,Persoonlijks,Qualen,Taal on 25 juni 2010 door Marjolein Stam getagged: , , , , , ,

Niets is zo onlosmakelijk aan elkaar verbonden als leven en dood. Je wordt geboren en je sterft – de tijd daartussen heet ‘je leven’. Dat geldt niet alleen voor mensen, maar ook voor dieren en planten.

Gisteren liep ik over een idyllisch bospaadje dat ik nu al 5 jaren periodiek bewandel. Het is een paadje van niets: je bent er in 5 minuten doorheen. Ook het ‘bos’ bestaat alleen maar uit wat bomen en struiken, met een slootje aan de ene en een vijver aan de andere kant van het paadje.
Maar er is zoveel leven en zoveel te be-leven, dat ik er elke keer weer van geniet: de schaduwen van het lover die een grillig schouwspel van licht en donker vormen, de grote zwammen die aan een oude bemoste stronk groeien, de prachtige kleuren in de herfst en in de winter de berken met hun wit-vervellende stammen.

Zo’n 2 jaar geleden zijn er een paar grote eiken gekapt. De stronken bleven gewoon staan. Ik kijk altijd met bewondering naar één van de boomstronken van een enorme stam met z’n vele jaarringen en met het ongelijke zaagvlak, wat de charme van deze stronk alleen maar vergroot. Telkens weer neem ik me voor mijn camera mee te nemen om er een foto van te maken, maar ik vergeet het iedere keer opnieuw.
Twee jaren staat die boomstronk er nu al, zijn wortels stevig verankerd in de grond. Kappen is één ding, maar rooien is iets anders, denk ik telkens opnieuw.

Gisteren zag ik tot mijn verrassing dat uit het hart van de stam een nieuw eikje groeide, zijn millimeter ruimte gebroederlijk delend met een esdoornscheut. Ik had weliswaar de neiging de esdoorn te verwijderen om het eikje alle ruimte te geven, maar ik besloot de natuur haar gang te laten gaan, zoals ze dat al die tijd al gedaan heeft. Uit het hart van een schijnbaar dode stronk ontspruit een nieuw boompje. Nieuw leven, voortkomend uit wat toch niet dood was – of uit wat een goede basis voor een nieuw zaadje blijkt te zijn.
Het raakte me tot in mijn eigen kern – mijn achternaam verklaart vast wel waarom…

Zondag 20 juni jl. was het Wereld A.L.S.-dag. A.L.S. is een progressief verlopende spierziekte, die onherroepelijk eindigt in de dood. De meeste patiënten leven maar 3 jaar vanaf het begin van de ziekte. Zondag werden de mensen die aan deze ziekte lijden, verwend op de Henri Dunant, die bij uitzondering tijdens een weekend uitvoer. Mijn ouders, broer en zus waren daarbij aanwezig omdat mijn vader A.L.S.-patiënt is. Volgens de statistieken is hij ‘op de helft’, maar niemand kent de grilligheid van de uitval van spierfuncties. Ook de levenslust van de patiënt speelt een rol, dus je kunt niet zomaar zeggen wanneer het moment van afscheid aanbreekt.
Deze Stam met zijn bijna 78 jaarringen is vastbesloten nog 80 te worden, zei hij me onlangs.

Hoewel de boottocht door het koude weer wat tegenviel, was mijn vader vooraf erg vereerd met de uitnodiging. Hij, die vroeger altijd als BB-er en Rode Kruis-medewerker bij evenementen aanwezig was, had weleens gedroomd van een week varen met zieke mensen, maar dat hij nu toch op de Henri Dunant meevoer, het beroemde Rode Kruis-schip, vond hij heel bijzonder. Ondanks dat het in een andere rol dan die van zijn dromen was. Hij was de man die altijd klaarstond voor iedereen, de man die elk jaar zijn herhalingscursus deed en waarvan de eerste hulp-tas naast de voordeur achter het gordijntje van de meterkast hing. De man waarvan naast het naambordje met trots een Rode Kruis-bordje hing, de man die na afloop van de TT met andere vrijwilligers bij het viaduct wachtte op eventuele slachtoffers. Hij was de redder. Nu redt hij zichzelf zo goed mogelijk, maar zijn kracht neemt geleidelijk aan af.

Uit zijn kern zijn vier nieuwe Stammen ontsproten, die op hun beurt samen voor 10 kleinkinderen en 1 achterkleinkind zorgden. Hij mag dan ‘gekapt’ zijn, zijn wortels liggen stevig ingebed in de grond en zijn basis, de boomstronk, is allesbehalve dood, zomin als hijzelf. Ondanks zijn ziekte blijft hij middenin het leven staan en past zijn kunnen op een bewonderenswaardige wijze aan zijn toestand aan. Ik heb groot respect voor hem, voor de manier waarop hij met zijn ziekte omgaat, en ik ben er trots op zijn dochter te zijn.

Leven en dood, geboren worden om te sterven? Nee, leven en dood zijn weliswaar onlosmakelijk met elkaar verbonden, maar je wordt geboren om te leven en aan het eind van dat leven, dan pas sterf je. En dan laat je een nalatenschap achter van kinderen, kleinkinderen, een nageslacht met dezelfde wortels.

Je kunt een rood kruis op een stam zetten ter markering dat hij gekapt moet worden, maar door de wortels in de grond te laten en de stam niet te rooien, blijft hij staan en bestaan. Zelfs gekapt kan hij een voedingsbodem zijn voor nieuw leven. De Stamvader, mijn Stam-vader. Ik ben er trots op een Stam te zijn.

Advertenties

Articles

Woordspelingen

In Taal,Woordspelingen on 19 mei 2010 door Marjolein Stam getagged: , , ,

“Aswolk gooit roet in het eten”, las ik gisteren ergens op het internet. Een inkopper natuurlijk, een woordspeling die zo voor de hand ligt dat het bijna niet meer grappig is. En toch vind ik het grappig.

Nu vind ik veel grappig, ik houd nu eenmaal van spelen met woorden en taalcreativiteit. Mijn grote voorbeeld is Herman Finkers. Ik heb vanaf het prille begin ontzettend genoten van de manier waarop deze Neerlandicus met taal omgaat. Naast de andere grote cabaretiers van die tijd – Toon Hermans is natuurlijk ook een geweldige kandidaat – vind ik hem zoals hij zichzelf noemt, een ‘grappen-maker’. Hij maakt grappen die je denkt te zien aankomen, maar die op het eind net een andere wending krijgen dan je verwachtte. Hij zet je voortdurend op het verkeerde been en hij speelt als geen ander met taal en met teksten.

Finkers heeft mij van vele taalgrappen en woordspelingen voorzien, die ik graag van hem leen in mijn dagelijkse omgangstaal. Zo is zijn “niet al te nozel” een normale uitdrukking geworden, samen met vele andere uitdrukkingen van hem. Toen er eens een deurwaarder aan de deur (waar anders!) kwam, vroeg ik de waarder na ons gesprek of ik een volgende keer hem zou bezoeken in plaats van andersom? Hij keek mij bevreemd aan, waarop ik zei: “Kennelijk kent u de sketch van Finkers niet”. Nee, zo bleek. Na uitleg kon de man het zeer waarderen en was blij dat zijn beroepsgroep eens positief benaderd werd en dat dat zelfs door meerdere mensen onthouden was. Ik denk namelijk niet dat ik de enige ben die dergelijke opmerkingen overneemt… Voor degenen die de sketch niet kennen: de achterliggende gedachte was “het hoeft niet altijd van één kant te komen”, aldus Finkers.

Ik heb diep respect voor de kwaliteiten van deze man, dat moge duidelijk zijn. Maar er zijn natuurlijk meer mensen wier woordspelingen of uitroepen ik dankbaar opneem in mijn vocabulaire. Een goede vriend liet mij ooit de stripverhalen van De Generaal lezen, waarin de hond JANK! roept als iets nogal ernstig lijkt.
Die uitroep is mede door de vriend een heel eigen leven gaan leiden: als ik onverwacht een vette nota krijg of iets wil hebben wat ver boven mijn budget ligt, roep ik “JANK!” of, in extreme gevallen, zelfs “Triple JANK!” Zoiets gaat rond en ook vrienden gebruiken het, en daardoor vrienden van vrienden. Zoals de ‘stuifkoe’ en de ‘sleurhut’ ook ooit zijn gaan rondzingen, zingen dergelijke uitroepen ook rond. Het verspreidt zich als een aswolk, dwarrelt neer bij hen die er de humor van inzien.

Door taalcreativiteit en daarmee gepaard gaande vrolijkheid wordt je woordenschat uitgebreid met woorden die iedereen begrijpt, hoewel ze niet gebruikelijk zijn. Dat vind ik het wonder van taal: het ermee spelen waarmee je een soort eigen imago creëert. Het maakt jou en anderen vrolijk – al zullen sommigen het uiterst irritant vinden. Gelukkig hoef ik niets met die mensen; ik ga liever om met degenen die het wél waarderen en die zelf ook input geven.

Ik bewonder Finkers niet alleen maar om zijn taalkunst, hij betekent veel meer voor me. In doorwaakte nachten was hij lang mijn begeleider, die me opvrolijkte. Het bezoek aan een show van hem gaf me nog maanden napret. Zijn persoonlijke reactie op mijn adhesiebetuiging tijdens zijn ziekte raakte me tot in mijn ziel.
Maar het mooiste geschenk wat hij me gaf, was het vrijmoedig omgaan met en trots zijn op mijn dialect. Mijn paplepeltaal, die ik niet meer hoefde te ontkennen of te verbergen. Hoewel ik keurig ABN spreek, is het heerlijk om woorden als ‘onmeunig’ te gebruiken en om in het dialect – in mijn geval Sallands, maar ook Twents, Drents en eventueel in het Frysk – met iemand een gesprek te kunnen voeren. Ik mag trots zijn op mijn taal, op de extra woordenschat die deze met zich meebrengt. Ik mag spelen met woorden in alle dialecten die ik ken, ik mag ‘brekk’n en angaon’ in Salland en omstreken, ‘høken’ in ’n Achterhook, “hennig an doon” in Twente. Op kraamvisite gaan in het westen, in Fryslân yn nije lytse bern sjen en in Twente te kraomschudd’n gaon.

Ondanks de bijna-dooddoeners als de woordspeling over de aswolk, of stuifkoe als alternatieve naam voor poedermelk, word ik vrolijk van het spelen met woorden. Woordgrappen brengen luchtigheid waar gesprekken soms veel te zwaar zijn. Ik gooi graag roet in zwaar eten, gebruik graag mijn paplepeltaal. Met dank aan Herman en aan andere woordkunstenaars.