Posts Tagged ‘Taal’

Articles

Hoofd-zaken

In Persoonlijks,Taal on 29 maart 2012 door Marjolein Stam getagged: , , , , , , , , , ,

Mijn vorige bericht dateert nog van 2011, terwijl we al een paar weken van de lentezon genieten. Een kwartaal is zomaar verstreken. Hoogste tijd om te bloggen! Toen ik begon te schrijven, wilde ik wekelijks een bericht plaatsen, maar al snel lukte dat niet door tijd- en/of energiegebrek. Dat is de afgelopen maanden ook het geval geweest.
Maar nu was er nog een extra reden: ik leer een nieuwe taal. Dat blijkt erg intensief, ondanks het feit dat lessen en afstand samen nog geen 2 uur per week bedragen.

Vroeger kwamen vooral talen mij vrij gemakkelijk aanwaaien en waren er alleen wat (reken-)vakken die meer moeite vereisten. Zelfs na mijn 40e, toen ik mijn hbo-opleiding startte met de opleiding tot medisch secretaresse, hoefde ik niet echt te blokken. Ik deed het wel: ik vond het doorgronden van het potjeslatijn (dat uit een combinatie van Grieks en Latijn bestaat) fascinerend en ploos het helemaal uit. Ik leerde me helemaal suf en onthield elk woord, elke term.

Mijn kennis van het Duits bleek nogal weggezakt te zijn, dat moest met inslijpbriefjes opgehaald worden. Het was telkens weer grappig: als bezoekers het toilet bezochten, kwamen ze steevast rijtjes opdreunend terug. Zij kenden ze nog. Zij wel … Mij kostte het moeite: al op de middelbare school koos ik bij het rijtje 3e OF 4e naamval steevast verkeerd en 27 jaar later bleek het opnieuw een probleem dat maanden voortduurde totdat een kennis het op een voor mij logische manier uit wist te leggen, waardoor de kwartjes eindelijk vielen en ik ruimte kreeg voor nieuwe kennis. Dat is wel aardig gelukt: ik spreek inmiddels vloeiend Duits.

Naast studie en een fulltime baan deed ik (in de trein) een schriftelijke cursus Frysk foar Hollanders. Een lastige taal door niet-consequente overeenkomsten met zowel het Duits als het Engels. Rinkelend vlogen er dan ook Franse en zelfs Spaanse laatjes in mijn hoofd open om maar grip op deze ingewikkelde taal te krijgen. Door veel oefenen, leren en friestalige boeken lezen is het binnen een half jaar gelukt: ik slaagde en kan officieel Frysk lèze, skriuwe en begripe. Nu, na ruim 10 jaar hier, kan ik het ek wol yn bitsje prate.
Eenmaal in Leeuwarden wonend bleek overigens dat Leeuwarders absoluut geen Friezen zijn en ook weigeren Fries te spreken. Zij spreken ‘Liwwaddes’, een wat zeurderig klinkend dialect met uitdrukkingen als ‘suh-en-suh’ en ‘ah juh, net so seure, juh!’. Ook dit taaltje ken ik intussen wel.

En nu leer ik Bahasa Indonesia en zoals gezegd, vind ik dat erg moeilijk. Er zijn – op wat oude Maleise woorden na – geen overeenkomsten met ons bekende talen. Ik krijg er nog steeds heel moeizaam grip op, dus de inslijpbriefjes hangen weer en ik schrijf keer op keer weer rijtjes woorden uit. Maar als ik dan eindelijk de dagen van de week ken, ben ik de telwoorden weer vergeten en vice versa. Alles wat ik ooit aan Maleis in boeken en tv-series oppikte, van Couperus of van Hella Haase, is veranderd. De taal is hervormd nadat wij Belanda’s eindelijk noodgedwongen repatrieerden en dat is natuurlijk volkomen terecht. De Indonesiërs maakten hun eigen keuzes en ondanks dat je in de beroepen het Belanda nog terugvindt, is het verder goeddeels verdwenen. De heilige waringin heet nu een beringin en is alleen heilig bij de keratons, de paleizen van de oude Javaanse adel.

“Wat heb je er aan om Indonesisch te leren?” vraagt mijn moeder. Het antwoord is simpel: ik wil een telefoongesprek met mijn voormalige gaste Yuli kunnen voeren – haar beperkte Engels werkt alleen als we elkaar kunnen zien en met handen en voeten kunnen praten. Ik mis deze familie en in de kille wintermaanden had ik heimwee naar dat land dat mij al vanaf mijn kindertijd fascineert. Elk woord van deze taal brengt mij even terug naar spannende verhalen en de heerlijke tijd toen moeder en dochter bij mij waren. Naar mata hari, het oog van de dag: de zon, die ik moeilijk kan missen – ik ben geen wintermens.

Om me deze moeilijke taal eigen te maken, moeten de laatjes met andere talen dicht blijven. Want om een ster opeens ‘estrella’ te noemen doordat ik ooit een zomercursus Spaans deed, is natuurlijk waanzin. Toch gebeurt het en ik vermoed dat het bij mij inherent is aan het zoeken naar bekende woorden of zinsconstructies.
Hoe moeilijk deze taal ook is, mijn hersens worden ondanks enige slijtage, weer geprikkeld om te leren, me weer verder te ontwikkelen. En wat is er mooier dan zo de winter met zijn grauwe maanden door te komen? We gaan nog een week of 7 door met de lessen en ik studeer deze dagen buiten, in het zonnetje.

Een kwar-taal is voorbijgegaan sinds mijn vorige blog. Het is lente geworden, ook in mijn hoofd.

Advertenties

Articles

Ontvrienden

In Persoonlijks,Politiek,Taal,Woordspelingen on 15 november 2010 door Marjolein Stam getagged: , , , ,

Hyven is hot. Niet alleen pubers maken gebruik van Hyves, ook volwassen mensen hebben hun eigen Hyves-pagina met daarop allerlei al dan niet voor het publiek zichtbare gegevens. Ik heb dat nooit begrepen, het hele Hyves-concept niet. Ik vind het ongelooflijk kinderlijk: je kunt mensen ‘ontvrienden’ en je kunt iemand ‘respect’ sturen. Dat wordt dan ook om de meest uiteenlopende redenen gedaan.
Respect, was dat vroeger niet iets wat je moest verdienen? Je moest je wel op een bijzondere manier onderscheiden van anderen om gerespecteerd te worden. Dat is nu niet meer het geval; met één muisklik toon je iemand ‘respect’. Met hetzelfde gemak kun je iemand ‘ontvrienden’. Alsof virtuele vrienden, die je nauwelijks kent, de naam ‘vriend’ verdienen …

Nu heb ik zelf ook virtuele vrienden, maar ik weet door frequent e-mailcontact of door hun foto’s wél wat meer van hen dan het in mijn ogen zo oppervlakkige Hyves. Zo heb ik een Flickr-fotovriendin uit Schotland, met wie ik via e-mail veel lief en leed heb gedeeld en die mij eens belde, zodat wij beiden een stem bij onze avatars kenden. Dat is in mijn beleving toch een ander soort vriendschap dan die op Hyves, waar normen en waarden oppervlakkig zijn. Waar gevaar op onverwachte plaatsen loert, waar kinderen een gemakkelijke prooi voor misbruikers zijn. Iedereen kan zich als iemand anders voordoen en het is niet zo moeilijk een jong meisje het hoofd op hol te jagen of een hetze tegen een klasgenoot te voeren.

Naast oppervlakkig vind ik dit ‘sociale’ medium dus ook gevaarlijk. Net zo gevaarlijk als de geblondeerde politicus wiens hersenen door veelvuldig gebruik van waterstofperoxide geïnfiltreerd lijken met enig breinrot – dit gezien zijn hetze tegen de ‘islamisering van ons blanke Nederland’ (en de rest van de wereld).
Dat je haarverf moet fixeren weet vrijwel iedereen, maar dat zijn fixatie zich profileert in haat jegens alles wat naar moslims riekt, lijkt een gevaarlijke bijkomstigheid van veelvuldig gebruik van blonderingscrèmes.
De uitdrukking ‘dom blondje’ komt daardoor in een geheel nieuw daglicht te staan …

Ons land wordt bestuurd door een rariteitenkabinet met als ongekroonde koning de op islamisering gefixeerde marionettenspeler, die te pas en te onpas aan de touwtjes trekt. De oud-premier, die bij zijn kabinetten-kwartet de diepgang van een punaise tentoonspreidde, vierde met zijn ‘vrienden’ zijn verjaardag op Hyves, terwijl het minderheidskabinet zich – met rugdekking van een partij waarin criminaliteit normaal lijkt te worden – installeerde. Ik begrijp inmiddels waarom meneer Blond als eenling zijn partij wil blijven besturen: terwijl zijn volgelingen een brigade oprichten om hondjes te beschermen tegen zinloos geweld, blijken diezelfde volgelingen kampioen te zijn in honds behandelen of ‘zinvol’ geweld. De laatste week vinden vunzige feiten van een in opspraak geraakt Kamerlid hun weg via sociale en alle andere media – wellicht zelfs via Hyves.

Intussen blijkt er een compromis te zijn gevonden: het ontaarde Kamerlid blijft, maar mag geen woordvoerder meer zijn. Een stemloos stemmend Kamerlid? Had meneer Blond zijn ontuchtige apostel ontvriend, dan was er onvoldoende ‘steun’ om de regering (inclusief de hardLeerse minister van Immigratie) te blijven gedogen. Nu hij zijn maat echter niet ontvriendt, wekt hij de indruk met twee maten te meten: bij andere partijen dient men van onbesproken gedrag te zijn – zoals hijzelf (waarbij we voor het gemak de gewraakte rechtszaak tegen hem even vergeten). Een lastig dilemma voor meneer Blond en zijn duitse herder-brigade …

Hoewel men mij niet op Twitter, Facebook of Hyves aantreft, ben ook ik actief op ‘social media’. Op LinkedIn ben ik lid van de groep NEE tegen PVV, waar de acties van meneer Blond scherp in de gaten gehouden worden. Samen met een aantal andere groepen in Nederland proberen we de zich als een virus verspreidende anti-islamstemming tegen te gaan. Hoe groter de groep, hoe meer we kunnen bereiken. Daarom vraag ik alle vrienden die meneer Blond en de zijnen een koud hart toedragen, lid te worden van deze groep, in de hoop een waardig en positief tegenwicht te bieden en wachtend op een politieke kleine blonde dood.

Het wordt hoog tijd dat ik het begrip ‘ontvrienden’ omarm.

Omarm

Articles

Tijd van leven

In Natuur,Persoonlijks,Taal on 9 november 2010 door Marjolein Stam getagged: , , , , , ,

Over het begrip tijd is alles al gezegd en geschreven. Er zijn vele spreekwoorden en gezegdes, gedichten en liedteksten aan gewijd.
Tijd is ongrijpbaar, het glipt als los zand tussen je vingers door.

Datzelfde geldt voor herinneringen die diep in je geheugen liggen opgeslagen en die op de meest onverwachte momenten naar boven ploppen.
Zoals mijn herinnering over mijn opa die aan mijn broertje en mij het versje over de wolf opzei: “de wolf houdt je gevangen tussen twee ijzeren tangen”.

Ik schreef het een paar dagen geleden, en ben daarna gaan zoeken.
Het leek me achteraf zo gek dat mijn opa zoiets dreigends zou hebben gezegd tegen twee kleine kinderen …
Dat had hij ook niet; mijn geheugen zat er een fractie naast. Het blijkt een oud versje te zijn en het gaat als volgt:

De schapen roepen: “Herder, laat je schaapjes gaan!”
De herder antwoordt: “Ik durf niet.”
Schapen: “Waarom niet?”
Herder: “Voor de boze wolf niet!”
Schapen: “De boze wolf is gevangen
tussen twee ijzeren tangen,
hij ziet geen zon, hij ziet geen maan.
Herder, laat je schaapjes gaan!”

De tijd had me pootje gehaakt; ik herinnerde me geen schapen meer. Dat is niet zo gek – we zijn bijna een halve eeuw verder sinds wij ons tussen die boomwortels wrongen en opa vroegen het versje op te zeggen, het versje van de wolf. Hij had een heel arsenaal aan opzegversjes: als we onderling ruzie hadden of (nog) geen snoepje kregen, zei hij het versje van de roos op de hoed op. Ik vond dat maar raar, om te zeggen dat het dan pas morgen weer goed was. Morgen duurde toch veel te lang, het moest toch meteen weer goed zijn? Ja, dat moest ook – morgen was nog een hele tijd verwijderd van vandaag!

Toen ik ruim 4 jaar oud was, verhuisden we naar een eigen huisje. Wat miste ik mijn opa! Maar hij had altijd tijd voor mij en voor mijn broertje. In het voorjaar sneed hij siepsapfluitjes voor ons en leerde ons er een melodietje uit te halen. Ik weet niet meer welke twijg het ‘siepsap’ bevatte, daarvoor is het te lang geleden. Wél herinner ik me de ‘toezebol’, die in Friesland ‘toerebout’ genoemd wordt, in het westen de fiere naam ‘lisdodde’ draagt, maar die in de volksmond bekendstaat als ‘rietsigaar’. Deze toezebol blijft mij met opa verbinden, door tijd en ruimte heen. Toen hij overleed, waren ze op hun mooist en heb ik een ‘bosstukje’ voor hem gemaakt, met natuurlijk daarin de fiere toezebol. Het stukje werd door iedereen herkend: zó was opa, een mens van, door en in de natuur.

Ik was 36 jaar oud toen mijn opa overleed. Ik heb hem dus een lange tijd van mijn leven meegemaakt en ik voel me bevoorrecht. Hij was mijn voorbeeld hoe mijn toekomstige man moest zijn: lief, zacht maar onverzettelijk, wandelend door de natuur, altijd buiten en een harde werker. Tuinieren, vissen, op zijn brommer naar ons toe komen in die zware leren motorjas – ik zie hem nog zo voor me, zeggende: “ha, jongelui!” Ik was de enige die hem bij zijn voornaam mocht noemen, een ooit ontstaan grapje dat iets tussen ons beiden werd. Ik had een speciale positie doordat ik als oudste kleindochter (met één oudere neef) bij zijn gezin in huis geboren werd. Opa was ‘mijn’ opa, altijd.

Onvoorstelbaar dat hij al 18 jaar ‘een mens van voorbij’ is. Ongeacht die tijd zal hij altijd deel van mij uit blijven maken. Hij is tijdloos geworden, een herinnering die voor altijd een stempel op me heeft gedrukt, die voor altijd bij me zal blijven.
Nog altijd herinner ik zijn wat voorovergebogen loop, zijn grote schoenen, zijn stem die versjes opzei en ons alles wat hij wist over de natuur leerde, ons de liefde en het respect daarvoor meegaf.
Ik zie hem nog samen met mijn broer onze oprit opnieuw bestraten nadat die door een vrachtwagen was ingezakt. Ondanks zijn leeftijd – hij was toen al eind zeventig – werkte hij als een paard stug door om de klinkers weer keurig in verband te leggen, om nadat de klus geklaard was weer op zijn brommer naar huis te gaan.

“De tijd heelt alle wonden”, is een beroemd dooddoener-gezegde, maar het klopt wel. Opa’s overlijden doet allang geen pijn meer, zelfs al stierf hij niet op de manier die hij zelf had gewild – hij overleed in het ziekenhuis, terwijl hij altijd zei liever buiten ergens dood neer te vallen als het ‘zijn tijd’ was. Hij was bijna 89, een respectabele leeftijd. Hij is altijd bij me; ik herinner me zoveel van hem dat hij een deel van me is geworden. Ik weet zeker dat hij van bovenaf voor me zorgt, mij op het goede spoor zet als ik de weg even kwijt ben.

Ondanks dat hij de herder speelde en mijn broertje en ik de schaapjes waren, beschermde hij ons tegen de wolf. “De wolf zit gevangen tussen twee ijzeren tangen”. Hij past op ons, door tijd en ruimte heen, altijd. En ik herinner me hem met liefde en warmte, zolang ik ‘tijd van leven’ heb.

Articles

Knoert van Oerd ~ 2 ~

In Natuur,Sprookjes & fabels,Taal,Vlinders & nachtvlinders,Vogels,Wadden on 7 september 2010 door Marjolein Stam getagged: , , , , , , , , ,

Na een weekend waarin wij opnieuw met Keizer Knoert hebben kunnen spreken, is ons nog veel meer duidelijk geworden over het leven en de visie van dit microvolkje.
Hoewel Keizer Knoert aangeeft keizer zonder raadgevers te zijn en dus alleen maar onderdanen heeft, is hij in wezen een microsoftie: hij heeft veel meedogen met zijn volk en regeert met compassie. Datzelfde hoorden wij van onderdanen (feitelijk bovendanen; zij zijn allemaal iets groter dan de Keizer), die een plezierig leven leiden. Door deze gesprekken zijn een aantal evidente verschillen met onze maatschappij en de politieke hiërarchie aan het licht gekomen, maar daarover later.

Het microvolkje leeft ‘omgekeerd’, wat als uniek in elke wereld kan worden beschouwd. Zij worden oud geboren en kennen zodoende meteen de duur van hun leven. Hun puberteit – de fase waarin wij mensen het meest onzeker zijn over bij voorbeeld uiterlijk, beleven zij met meer dan voldoende zelfkennis en levenservaring.
Dit omgekeerd leven maakt hen stabiel en zeker over hun leven, hun uiterlijkheden en hun vooruitzichten.
Qua uiterlijk en gebruiken verschillen zij van de doorsnee kabouter- en mensenpopulatie: degene die als kleinste geboren wordt, is automatisch de volgende keizer. Hierdoor is het een kwestie van lotsbestemming wie de leiding over het volk krijgt.

De leeftijd van dit volk ligt zoals genoemd op voorhand vast, maar zij leven veel langer dan wij mensen – bij de geboorte is de gemiddelde bovendaan zo’n duizend jaar oud. Dat betekent dat zij zich geen zorgen hoeven te maken over hun dood, die hen niet voortijdig door ziektes, maar alleen door ongevallen kan treffen. Het volk is immuun voor ziektes; zij kennen het woord alleen van de dieren en de wereld rondom hen. Zij zijn om verschillende redenen niet bang voor de dood: doordat een plant in het najaar sterft en in het voorjaar opnieuw geboren wordt, ‘weet’ het volk dat zij niet hoeven te vrezen voor de dood. Ze komen immers weer tot leven? Dat dat niet altijd gebeurt, ligt aan de overledene zelf: hij of zij kiest dan voor Everland, een wolk waarop zij voor eeuwig willen blijven. Dat lijkt mij persoonlijk na duizend jaren leven ook wel een mooie keuze.

De grafjes zijn speldenprikjes, niet zichtbaar voor ons blote oog. De tot baby’s volgroeide duizendjarigen vragen nauwelijks ruimte doordat zij tijdens de laatste fase van hun leven nog verder krimpen. Zelf noemen ze dat liever “overgaan”. Deze overgang begint aan het einde van hun puberteit en duurt totdat de dwergkabouter in babystaat sterft. Het geheugen glijdt langzaam weg totdat het bij hun dood als baby onwetend en blanco, puur is. In deze periode worden zij afhankelijk van hun kleinkinderen die hen als vanzelfsprekend voeden, verzorgen en verschonen totdat het vuur dooft.
Keizer Knoert wil zijn huidige leeftijd niet vertellen, maar zegt wel nog lang niet aan de overgang toe te zijn. Hij vertelt dat de begraafplaats rondom de basis van een speciale bloem ligt, een bloem die vrijwel het gehele seizoen door bloeit. Ik begrijp uit deze uitspraak dat het om een viooltje moet gaan: we hebben in de loop van het jaar her en der veel kleine viooltjes gezien en we weten ook dat dit een waardplant voor een aantal bijzondere vlinders is. Deze vlinders spelen een grote rol in het leven van het Oerdburenvolkje.

Dieren vormen een belangrijk hulpmiddel voor het volkje: zij reizen graag per libel (die zij helicopter noemen) of per zweefvlieg(tuig). Ze gebruiken spinrag van verdwenen spinnen voor hun micromee-werk; de webben worden systematisch uitgerafeld en opgerold tot een enorme kluwen, waarna het klaar is voor gebruik.
Ook vogels helpen hen met hun voortbestaan: kwikstaartjes maken al wippend met hun staart mooie snelwegen door het woud van helmgras en de mussen, die we bij het Kooikershuus altijd restjes van onze appeltaart geven, blijken delen van deze restjes aan de Oerdburenbuurt te leveren, die daar weer de meest heerlijke gerechten van maken.
Dan zijn er nog vele geleedpotige helpers, die delen van vruchten aanslepen of het volkje wijzen waar ze deze zelf kunnen vinden. Keizer Knoert en zijn bovendanen zijn vegetariërs en doen dus geen vlieg kwaad.

De volgende keer uitleg over de prachtige parelmoervlinders (waaronder de zeldzame “zilveren maan”, die een speciale betekenis voor het volkje heeft) die men op Ameland kan vinden.
Verder komen reacties op ons verbazingwekkende menselijke politieke marionetten-machtsbestel aan bod, met daarbij enige parallellen tussen vriend en vijand, al heeft het volkje praktisch geen natuurlijke vijanden.
Wij kunnen nog heel veel van deze microkabouters leren!

= Wordt vervolgd =

P.S. Ik krijg het niet voor elkaar de foto’s te linken met Flickr. U kunt ze bekijken door bovenaan de pagina op het fotoblokje te klikken!

Articles

Knoert van Oerd – een sprookje in meerdere delen ~ 1 ~

In Natuur,Sprookjes & fabels,Taal,Wadden on 29 augustus 2010 door Marjolein Stam getagged: , , , , , , , ,

Vrijwel iedereen die iets over de geschiedenis van het Amelander Oerd weet, weet dat het daar spookt. In oude tijden staken jutters vuren aan om schepen te misleiden, zodat er na de schipbreuk van alles te jutten viel. Ritskemooi uit Buren is waarschijnlijk de meest bekende jutster: toen zij na een succesvol vuur de volgende dag tussen de wrakstukken van het schipbreuk geleden schip kon zoeken naar handel waarmee zij haar armoe kon bestrijden, vond zij tot haar ontzetting temidden van de andere doden het lichaam van haar jongste zoon Sjoerd…
Sindsdien spookt het op het Oerd: als het waait, hoor je Ritskemooi radeloos haar zoon roepen: “Sjoehoehoehoerd!!!”

Van dit verhaal maakte een zeer klein volkje destijds dankbaar gebruik om zich in stilte als buren van Buren in de duinen bij het Oerd te vestigen. Nog altijd wonen zij daar vredig en met veel plezier.
Het is een zeldzaam volkje, bestaande uit dwergkabouters met als leider de piepkleine grote Keizer Knoert. Vrijwel niemand weet van hun bestaan en geen mens heeft ze ooit gezien – tot vandaag. Vandaag wandelden wij als zo vaak vanaf De Kooiplaats, waar we onze traditionele koffie met appeltaart als lunch nuttigden, met onze camera’s het paadje af en de glooiende duinen in, op zoek naar vlinders die nog in onze fotocollectie ontbreken.

We kunnen natuurlijk niet de specifieke locatie van de Oerdburenbuurt prijsgeven; het is ons door Keizer Knoert persoonlijk toevertrouwd. Eén van zijn onderdanen ontsnapte ternauwernood aan de dood toen wij even gingen zitten om te rusten. Met mijn forse billen zou ik de halve bevolking hebben kunnen verpletteren, maar iets in mij waarschuwde me dat we ons wel eens in kabouterland zouden kunnen bevinden – ik had bij voorgaande bezoeken al vele signalen gezien. Daarom vleide ik mijn linkerbil voorzichtig op het helmgras en liet tijdens het verder laten zakken voldoende ruimte onder de bilnaad van mijn jeans om een riante uitweg voor eventueel klein volk te kunnen bieden.

Het dwergvolk behoort tot het zeer zeldzame ras der Micromen, die onder andere kabouterrassen groot respect afdwingen vanwege hun tot kunst verheven techniek van het micromeeën. Vanzelfsprekend ging Keizer Knoert niet zo ver om ons in de geheimen van deze kunst in te wijden, maar gezien mijn voorliefde voor hun schitterend aangelegd wilde tuinen (die voor een leek nauwelijks te zien zijn tussen helmgras en kruipwilg), wat ik bij elk bezoek luidkeels verkondigde en er foto’s van maakte – gezien dat gegeven had ik een macrostreepje voor bij dit microbiotisch volkje. De actie met de bilnaad gaf de doorslag: we mochten kennismaken met de Oerdburenbuurtbewoners en met behulp van microfoons waren we in staat een geanimeerd gesprek te voeren

Met permissie van Keizer Knoert zelf mag ik wel iets vertellen van het leven van deze kleintjes. Ze zijn zo groot als een afgebrande lucifer en het is een oud volk, dat desalniettemin zeer speels is gebleven.
Zoals gezegd leggen ze prachtige heemtuinen aan, met reusachtige zandblauwtjes, enorme leeuwenbekken en violen en met hoge, aarvormige bloeiers. Wij bewonderden deze in onze ogen piepkleine bloemetjes, waar een patroon van een uitgestrekte heemtuin in te zien was.

De petieterige varentjes die we zagen, blijken als palmbomen in het Land van Knoert te fungeren, waartussen zeer kunstig gemicromede hangmatten zijn opgehangen voor warme of juist natte dagen. Dat is op Ameland geen overbodige luxe: het eiland kent veel meer zonuren dan het vasteland, maar als het eens regent, is voor het microvolkje een plas water als een stormvloed waar Ritskemooi in vroeger dagen steenrijk van zou zijn geworden …
Hun hangmatten zijn waterdicht gemicromeed en houden hen zodoende droog en dobberend als bootjes vastgesnoerd onder hun palmbomen. Bij zonnig weer hevelen ze de stammen van de varentak naar voren, waarbij ze de krul van de varen als groot ruisend zonafdak kunnen benutten.

<

=== Wordt vervolgd ===

Articles

Dobberdonsjes

In Fotografie,Natuur,Taal,Vlinders & nachtvlinders,Vogels,Woordspelingen on 17 augustus 2010 door Marjolein Stam getagged: , , , , , , , , ,

Woorden zijn als kralen die je aan een ketting rijgt, waardoor je een zin krijgt. Je zegt woorden, je schrijft ze en je leest ze. Een woord wordt bijna een gebruiksvoorwerp.
Je kunt ook spelen met woorden, iets wat – zo blijkt – veel mensen leuk vinden. Op de netwerksite LinkedIn heb ik een tijd geleden in het forum van Onze Taal in een topic gevraagd of men niet-bestaande synoniemen kent. Deze term is natuurlijk een contradictie: zodra je zo’n woord kent, is het een synoniem van een wél bestaand woord. Alleen hebben creatieve geesten zodanig met taal gespeeld dat zij dat woord gecreëerd hebben.

Er zijn grootheden te noemen die daar bij uitstek goed in zijn: Koot & Bie en Marten Toonder hebben voor schitterende uitbreidingen in onze taal gezorgd. En natuurlijk zijn er veel meer beroemdheden te noemen – ik wil geen van de vele woordkunstenaars tekortdoen!
Maar ook gewone mensen die een liefde voor taal hebben, kunnen zodanig met woorden spelen dat er nieuwe woorden ontstaan. Vooral kinderen zijn er goed in: zij verhaspelen woorden of geven een eigen naam aan dingen, wat tot prachtige, ontroerende of komische resultaten leidt.
Ik heb niet de pretentie me met beroemdheden te meten, maar ik heb er zelf wel ook een handje van – het ‘kind in mij’ heeft blijkbaar 50 jaar in mij doorgeleefd. Jonge eendjes noem ik, zoals ik al eerder schreef, dobberdonsjes.

In het genoemde topic winnen de dobberdonsjes terrein; meerdere leden vinden het woord lief en treffend. Dat vind ik leuk, die herkenning van een manier van denken en ervaren. Het is immers een treffend woord?
Het leukste is als zo’n woord verder rond gaat zingen, als men het overneemt en hier en daar tegen gaat komen als andere benaming voor eendenkuikens.
Er zijn meer voorbeelden: uit het inmiddels al oubollige studentenjargon van zo’n 20 jaar geleden stamt het stuifkoe als synoniem voor poedermelk. Ik heb dat zo frequent gebruikt, dat vrienden het ook zijn gaan gebruiken – al dan niet gepaard gaand met stuifkoffie (voor oploskoffie). Geitenwolthee staat synoniem aan kruidenthee en een sukstel is een vrouwelijke sukkel.
Overigens denk ik niet dat ik de bedenker van deze woorden ben; het wiel zal echt wel vaker uitgevonden zijn.

Spelen met taal geeft zoveel plezier en humor in een gesprek. Het maakt alles luchtiger, minder zwaar. Toen Herman Finkers ooit zei: “Zelfmoord plegen is wel het laatste wat ik zou doen!”, werd dat zware onderwerp als vanzelf luchtig en humoristisch.
Ooit, in een periode dat ik last van angsten en depressieve gevoelens had, werd mij gevraagd of ik niet bipolair oftewel manisch-depressief zou kunnen zijn. Ik antwoordde dat ik hooguit als panisch-depressief gelabeld kon worden en werd daar zelf acuut vrolijk van. Humor is in menige situatie het beste antidepressivum! Ik ben blij dat ik uit een familie stam waarin die humor in ruime mate aanwezig is, plus de creativiteit die aan het verzinnen van nieuwe woorden bijdraagt.

Een paar jaar geleden sprak ik met een dierbare vriendin, die ik in Engeland bezocht, over de benaming van dieren in diverse talen. We vonden bumblebee zo’n mooi woord, veel mooier dan onze gewone hommel. Door er verder over te praten, ontstond als vanzelf de kruising bommelbij en naar aanleiding van dat gesprek rolde later thuis onderstaand versje uit mijn toetsenbord. Niets hoogstaands, maar wel iets waar creativiteit, spelen met talen en plezier in zijn verwerkt. Het is heerlijk om samen te kunnen lachen om een woord- of taalgrap, en het ontroert me dat de dobberdonsjes zo enthousiast ontvangen worden!

Een bommelbij die maakt je blij
Een drakenvlieg iets minder:
Al is ie prachtig om te zien
Hij geeft toch wel eens hinder

Een smetterling is zo kaduuk
Hij leeft ook maar heel even
Waarin twee keer een wisseltruc
En dat is dan zijn leven

Caterpillar, dat klinkt wel leuk
maar lastig te bewegen
’t klinkt toch wel beter dan een rups
Dat is dan weer een zegen

En ook nog pop te mogen zijn
Dat is wel veel van ’t goede
Dan zou ik liever ‘n hedgehog zijn
Al is die op zijn hoede

Wat hebben dieren leuke namen
Als je het goed beschouwt:
Een bord coquilles eet je samen
Terwijl je ’n snail niet kauwt …

Articles

Gedachtestromen & brainwaves

In Persoonlijks,Taal,Woordspelingen on 20 juli 2010 door Marjolein Stam getagged: , , , , , ,

Je gedachten zijn een groot goed. Je mag het echter geen gedachteNgoed noemen, omdat het woord ook op een S kan eindigen. In dat geval verdwijnt de tussen-N.
Ik hoef daar eigenlijk niet zo over na te denken, over die taalregels: ze zijn als vanzelf binnengekomen en zijn tijdens mijn hbo-opleiding, die ik na mijn 40e heb gevolgd, blijven hangen. Tijdens de lessen Nederlands hoorde ik voor het eerst van ’t Kofschip en ’t Fokschaap – zaken, die mij volstrekt onbekend waren. Ik ben behept met een soort van ‘zien’ wanneer iets fout geschreven is en hoef daar dus niet over na te denken.

Toch denk ik voortdurend na, vooral over hoe je je gedachtestroom stop kunt zetten. Ik kan dat niet; er zijn altijd wel gedachten en die gaan hun eigen vrolijke weg, van hak naar tak. Als er iemand in de buurt is, heb ik ook nog eens de neiging ze hardop uit te spreken, wat voor de ander vaak moeilijk te volgen is. Hoe kom ik van onderwerp A. opeens bij onderwerp K.? Gewoon, door tussenstappen die razendsnel door mijn hoofd dwarrelen en zich met elkaar associërend tot de opmerking over onderwerp K. ontplooien. Soms moet ik de weg van de stappen uitleggen maar de mensen die me goed kennen, weten wel hoe mijn geest werkt, en vragen voor de zekerheid niets. Want zodra ze dat doen en ik het uit wil leggen, komen er nieuwe gedachten, die me afleiden van conclusie K., en die zomaar bij conclusie W. uit kunnen komen…
Die mensen kijken dus wel uit: mijn spraakwaterval vol met onnavolgbare gedachten zal alleen maar langer en groter worden.

Wat is dat toch, dat niet kunnen stoppen met denken? Ik denk zelfs in mijn slaap: ik weet vrijwel elke ochtend dat ik gedroomd heb en al hoeft het schijnbaar geen verband te houden, dat doet het – na analyse – meestal wel. Analyseren is ook denken, dus daarmee ben ik het eerste uur al kwijt.
Na mijn eerste mok koffie probeer ik me te concentreren op een sudoku. Vroeger was dat op een 100-delige jigsaw-puzzel, die via de mail binnenkwam, maar daarbij kon ik gewoon blijven denken en dat wilde ik nou net niet. Toen mijn vriend en ik ergens in december het principe van de sudoku onder de knie kregen, werd dat de nieuwe ont(k)waker. Vanzelfsprekend is dit bedoeld om met een leeg hoofd de dag tegemoet te treden en vooral om de neus naar het heden en de toekomst gedraaid te houden. Ik neig namelijk ernstig naar terugkijken en dat is zinloos: aan het verleden kun je niets veranderen en datzelfde verleden kan je zo dwars gaan zitten dat je niet gezond functioneert in het heden. Tips en trucs dus om in het hier en nu te blijven.

Terwijl ik dit schrijf, waaieren de gedachten alweer als vissen door mijn hoofd: soms kan ik er eentje bij de staart pakken en vasthouden, maar meestal zwemmen ze wat rond in mijn tot aquarium verworden hersenpan.
“Het is niet erg, al dat denken”, denk ik dan. Zou ik denken dat het wél erg is, dan heb ik een probleem en daar zit ik niet op te wachten. Problemen heb ik in ruime mate gehad en ik houd ze tegenwoordig zoveel mogelijk buiten de deur en buiten het hersen-aquarium. Althans, dat probeer ik. Er wil er namelijk nogal eens eentje tussen de mazen van het net doorglippen.

Ooit, toen mijn schildklier op hol geslagen was zonder dat ik dat wist, was het zo erg dat ik geen enkele gedachte kon vasthouden. De vissen zwommen in scholen tegelijk door mijn hoofd en ik zag ze zodanig heen en weer schieten dat ik geen normale zin kon vormen. Op verjaardagen was ik niet te houden: elk woord van een ander lokte een ware stortvloed van gedachtegolven bij me uit, maar de antwoorden waren allang weer weggezwommen voordat ik besefte waarover ik ook alweer nadacht. Zoiets is niet te begrijpen voor mensen die dit niet kennen, en in die tijd werd zelfs mijn vader een keer publiekelijk boos op me – iets wat eigenlijk nooit gebeurt. Het was afschuwelijk want alles wat ik wilde zeggen werd ook nog eens beïnvloed door wat ik zag. Als iemand over het weer praatte en ik wilde vertellen dat we de vorige dag naar het zwembad waren geweest, zaten er woorden als ‘televisie’ en ‘gebreide trui’ tussen; dingen die ik visueel oppikte en niet kon scheiden van de woorden die ik wilde zeggen. Ik was toentertijd niet de enige die dacht dat ik gek was geworden – velen deelden deze mening. Pas toen het schildklierfalen aan het licht kwam, kreeg ik weer meer rust en na 6 weken was ik ingesteld op medicijnen. Maar in mijn hoofd was er zo ontzettend veel omgeploegd en losgeslagen, dat ik het niet zomaar weer op een rij kreeg. Ik had ZE wel op een rijtje, maar wist niet meer wat ZE was noch hoe het rijtje er uitzag…

Los van de schildklierproblemen, die me door recidiverende ontsporingen van die rotklier herhaaldelijk periodes hebben geplaagd, wordt mijn hoofd dus nog altijd door rondzwemmende vissen geteisterd. Het is lastig om zonder allerlei omhaal duidelijk te zijn. Tijdens mijn studie ging het goed doordat ik me moest concentreren en de nieuwe kennis me zozeer in beslag nam, dat de inmiddels oude vissen vrijelijk konden zwemmen, zonder hinder van weerszijden. Dat was ook het geval tijdens mijn werk, al moest ik daarin wel oppassen dat een opdracht van een baas of woorden of houding van met name patiënten niet tussentijds hun eigen leven gingen leiden.

Patiënten konden mijn veelal grappige en spontane opmerkingen wel waarderen: tegen een hoogzwangere vrouw die een al ingedaalde baby droeg, zeggen dat ze eerder laagzwanger was, werd zeer op prijs gesteld. Net als de opmerking tegen iemand die kwam om aan zijn scheelzien geopereerd te worden en moest wachten omdat we uitliepen. Hij had een goed boek bij zich en ik zei dat hij nog lekker op kon schieten in zijn boek, want met zijn ogen zou hij vermoedelijk twee pagina’s tegelijk kunnen lezen. Hij lachte hartelijk maar hielp me uit de droom: zo werkte het niet, helaas.

Mannen schijnen elke minuut wel een keer aan seks te denken, zo wordt gezegd. Ik vraag me dan af wat ze daar precies over denken, maar ook wat ze tijdens de rest van die minuut denken. Want wat is nou een minuut? Daar passen bij mij sowieso al 270 aanslagen op het toetsenbord in, laat staan hoeveel gedachten die daarmee gepaard kunnen gaan! Het lijkt mij ook wel wat, die eigenschap; het scheelt elke minuut toch weer een serie gedachten. Maar ja, ik ben een vrouw en vrouwen lijken elke minuut wel ergens over te piekeren… Ik wel tenminste. “Maakt mij dat een echte vrouw?” – welt er spontaan in mij op. “Vast wel”, antwoordt één van de oude vissen, “anders vroeg je je dat niet telkens af”.

Ondanks al het gepieker, de ontsporingen van de schildklier en de vele, vele gedachten, presteerde ik het tot zo’n 10 jaar geleden om 4 boeken per week te lezen. Hoe vaak ik niet tegen mijn kinderen zei: “even wachten, even het hoofdstuk uitlezen” (waarbij ik er dan stiekem nog een hoofdstuk aan vastplakte), ontelbare keren. Vooral als ze vroegen wat we gingen eten en wanneer, want wat ik bedacht had werd meestal niet zo gewaardeerd. Lezend aan het water of bij het zwembad hadden ze meer geluk: dan kregen ze patat, want mama wilde al lezend het bijstandsbruin bijwerken. Lezen was dus ook een manier om niet met hen in discussie te hoeven over eten of zich vervelen.

Hoe kom ik op dit stukje en op deze oceaan van gedachten? Ik ben een weekje op Ameland, vandaag is het warm en dus was het de planning dat ik met een boek op het strand zou liggen. Maar er is zoveel weerstand om dat in mijn eentje te doen, dat ik het al uren uitstel. Eerst was het bewolkt, toen moest ik nog lunchen en nu doet mijn vriend een dutje, dus kan hij mij niet wegbrengen. Ik ben gewoon bang, dat weet ik wel… Bang om na zovele jaren weer eens alleen aan het strand te liggen, in een bikini die mij lichtelijk ontgroeid is en ondanks een boek en een MP3-speler met een set prettige oortjes, ben ik bang dat ik daar in mijn eentje ga liggen piekeren. Of dat ik een kiekendief of een Icarusblauwtje zie en mijn camera nu net niet mee heb genomen. Of dat ik niets zie, terwijl ik juist mijn camera mee heb genomen. Of dat ik eigenlijk een blog wil schrijven over gedachtegoed, over woorden en wat de woordenstroom veroorzaakt.

Er is geen excuus meer over. Ik ga het proberen, aan zee. Met boek, op het strand en hopelijk zonder gedachten. Ondanks dat ik mijn denkvermogen niet wil missen, denk ik wel dat dat een adembenemende rust zou geven! De vissen hoeven even niet in mijn hersenpan te zwemmen, maar kunnen vrij in het water ronddartelen, terwijl ik mijn zee van gedachten even kan laten voor wat het is. Even de vissen laten gaan en de energie laten stromen, terwijl ik als vanouds mijn bijstandsbruin bijwerk. Het is nog vloed en het is de hoogste tijd. Deze woordenstroom is namelijk al veel te lang!