Posts Tagged ‘natuur’

Articles

Knoert van Oerd ~ 2 ~

In Natuur,Sprookjes & fabels,Taal,Vlinders & nachtvlinders,Vogels,Wadden on 7 september 2010 door Marjolein Stam getagged: , , , , , , , , ,

Na een weekend waarin wij opnieuw met Keizer Knoert hebben kunnen spreken, is ons nog veel meer duidelijk geworden over het leven en de visie van dit microvolkje.
Hoewel Keizer Knoert aangeeft keizer zonder raadgevers te zijn en dus alleen maar onderdanen heeft, is hij in wezen een microsoftie: hij heeft veel meedogen met zijn volk en regeert met compassie. Datzelfde hoorden wij van onderdanen (feitelijk bovendanen; zij zijn allemaal iets groter dan de Keizer), die een plezierig leven leiden. Door deze gesprekken zijn een aantal evidente verschillen met onze maatschappij en de politieke hiërarchie aan het licht gekomen, maar daarover later.

Het microvolkje leeft ‘omgekeerd’, wat als uniek in elke wereld kan worden beschouwd. Zij worden oud geboren en kennen zodoende meteen de duur van hun leven. Hun puberteit – de fase waarin wij mensen het meest onzeker zijn over bij voorbeeld uiterlijk, beleven zij met meer dan voldoende zelfkennis en levenservaring.
Dit omgekeerd leven maakt hen stabiel en zeker over hun leven, hun uiterlijkheden en hun vooruitzichten.
Qua uiterlijk en gebruiken verschillen zij van de doorsnee kabouter- en mensenpopulatie: degene die als kleinste geboren wordt, is automatisch de volgende keizer. Hierdoor is het een kwestie van lotsbestemming wie de leiding over het volk krijgt.

De leeftijd van dit volk ligt zoals genoemd op voorhand vast, maar zij leven veel langer dan wij mensen – bij de geboorte is de gemiddelde bovendaan zo’n duizend jaar oud. Dat betekent dat zij zich geen zorgen hoeven te maken over hun dood, die hen niet voortijdig door ziektes, maar alleen door ongevallen kan treffen. Het volk is immuun voor ziektes; zij kennen het woord alleen van de dieren en de wereld rondom hen. Zij zijn om verschillende redenen niet bang voor de dood: doordat een plant in het najaar sterft en in het voorjaar opnieuw geboren wordt, ‘weet’ het volk dat zij niet hoeven te vrezen voor de dood. Ze komen immers weer tot leven? Dat dat niet altijd gebeurt, ligt aan de overledene zelf: hij of zij kiest dan voor Everland, een wolk waarop zij voor eeuwig willen blijven. Dat lijkt mij persoonlijk na duizend jaren leven ook wel een mooie keuze.

De grafjes zijn speldenprikjes, niet zichtbaar voor ons blote oog. De tot baby’s volgroeide duizendjarigen vragen nauwelijks ruimte doordat zij tijdens de laatste fase van hun leven nog verder krimpen. Zelf noemen ze dat liever “overgaan”. Deze overgang begint aan het einde van hun puberteit en duurt totdat de dwergkabouter in babystaat sterft. Het geheugen glijdt langzaam weg totdat het bij hun dood als baby onwetend en blanco, puur is. In deze periode worden zij afhankelijk van hun kleinkinderen die hen als vanzelfsprekend voeden, verzorgen en verschonen totdat het vuur dooft.
Keizer Knoert wil zijn huidige leeftijd niet vertellen, maar zegt wel nog lang niet aan de overgang toe te zijn. Hij vertelt dat de begraafplaats rondom de basis van een speciale bloem ligt, een bloem die vrijwel het gehele seizoen door bloeit. Ik begrijp uit deze uitspraak dat het om een viooltje moet gaan: we hebben in de loop van het jaar her en der veel kleine viooltjes gezien en we weten ook dat dit een waardplant voor een aantal bijzondere vlinders is. Deze vlinders spelen een grote rol in het leven van het Oerdburenvolkje.

Dieren vormen een belangrijk hulpmiddel voor het volkje: zij reizen graag per libel (die zij helicopter noemen) of per zweefvlieg(tuig). Ze gebruiken spinrag van verdwenen spinnen voor hun micromee-werk; de webben worden systematisch uitgerafeld en opgerold tot een enorme kluwen, waarna het klaar is voor gebruik.
Ook vogels helpen hen met hun voortbestaan: kwikstaartjes maken al wippend met hun staart mooie snelwegen door het woud van helmgras en de mussen, die we bij het Kooikershuus altijd restjes van onze appeltaart geven, blijken delen van deze restjes aan de Oerdburenbuurt te leveren, die daar weer de meest heerlijke gerechten van maken.
Dan zijn er nog vele geleedpotige helpers, die delen van vruchten aanslepen of het volkje wijzen waar ze deze zelf kunnen vinden. Keizer Knoert en zijn bovendanen zijn vegetariërs en doen dus geen vlieg kwaad.

De volgende keer uitleg over de prachtige parelmoervlinders (waaronder de zeldzame “zilveren maan”, die een speciale betekenis voor het volkje heeft) die men op Ameland kan vinden.
Verder komen reacties op ons verbazingwekkende menselijke politieke marionetten-machtsbestel aan bod, met daarbij enige parallellen tussen vriend en vijand, al heeft het volkje praktisch geen natuurlijke vijanden.
Wij kunnen nog heel veel van deze microkabouters leren!

= Wordt vervolgd =

P.S. Ik krijg het niet voor elkaar de foto’s te linken met Flickr. U kunt ze bekijken door bovenaan de pagina op het fotoblokje te klikken!

Advertenties

Articles

Knoert van Oerd – een sprookje in meerdere delen ~ 1 ~

In Natuur,Sprookjes & fabels,Taal,Wadden on 29 augustus 2010 door Marjolein Stam getagged: , , , , , , , ,

Vrijwel iedereen die iets over de geschiedenis van het Amelander Oerd weet, weet dat het daar spookt. In oude tijden staken jutters vuren aan om schepen te misleiden, zodat er na de schipbreuk van alles te jutten viel. Ritskemooi uit Buren is waarschijnlijk de meest bekende jutster: toen zij na een succesvol vuur de volgende dag tussen de wrakstukken van het schipbreuk geleden schip kon zoeken naar handel waarmee zij haar armoe kon bestrijden, vond zij tot haar ontzetting temidden van de andere doden het lichaam van haar jongste zoon Sjoerd…
Sindsdien spookt het op het Oerd: als het waait, hoor je Ritskemooi radeloos haar zoon roepen: “Sjoehoehoehoerd!!!”

Van dit verhaal maakte een zeer klein volkje destijds dankbaar gebruik om zich in stilte als buren van Buren in de duinen bij het Oerd te vestigen. Nog altijd wonen zij daar vredig en met veel plezier.
Het is een zeldzaam volkje, bestaande uit dwergkabouters met als leider de piepkleine grote Keizer Knoert. Vrijwel niemand weet van hun bestaan en geen mens heeft ze ooit gezien – tot vandaag. Vandaag wandelden wij als zo vaak vanaf De Kooiplaats, waar we onze traditionele koffie met appeltaart als lunch nuttigden, met onze camera’s het paadje af en de glooiende duinen in, op zoek naar vlinders die nog in onze fotocollectie ontbreken.

We kunnen natuurlijk niet de specifieke locatie van de Oerdburenbuurt prijsgeven; het is ons door Keizer Knoert persoonlijk toevertrouwd. Eén van zijn onderdanen ontsnapte ternauwernood aan de dood toen wij even gingen zitten om te rusten. Met mijn forse billen zou ik de halve bevolking hebben kunnen verpletteren, maar iets in mij waarschuwde me dat we ons wel eens in kabouterland zouden kunnen bevinden – ik had bij voorgaande bezoeken al vele signalen gezien. Daarom vleide ik mijn linkerbil voorzichtig op het helmgras en liet tijdens het verder laten zakken voldoende ruimte onder de bilnaad van mijn jeans om een riante uitweg voor eventueel klein volk te kunnen bieden.

Het dwergvolk behoort tot het zeer zeldzame ras der Micromen, die onder andere kabouterrassen groot respect afdwingen vanwege hun tot kunst verheven techniek van het micromeeën. Vanzelfsprekend ging Keizer Knoert niet zo ver om ons in de geheimen van deze kunst in te wijden, maar gezien mijn voorliefde voor hun schitterend aangelegd wilde tuinen (die voor een leek nauwelijks te zien zijn tussen helmgras en kruipwilg), wat ik bij elk bezoek luidkeels verkondigde en er foto’s van maakte – gezien dat gegeven had ik een macrostreepje voor bij dit microbiotisch volkje. De actie met de bilnaad gaf de doorslag: we mochten kennismaken met de Oerdburenbuurtbewoners en met behulp van microfoons waren we in staat een geanimeerd gesprek te voeren

Met permissie van Keizer Knoert zelf mag ik wel iets vertellen van het leven van deze kleintjes. Ze zijn zo groot als een afgebrande lucifer en het is een oud volk, dat desalniettemin zeer speels is gebleven.
Zoals gezegd leggen ze prachtige heemtuinen aan, met reusachtige zandblauwtjes, enorme leeuwenbekken en violen en met hoge, aarvormige bloeiers. Wij bewonderden deze in onze ogen piepkleine bloemetjes, waar een patroon van een uitgestrekte heemtuin in te zien was.

De petieterige varentjes die we zagen, blijken als palmbomen in het Land van Knoert te fungeren, waartussen zeer kunstig gemicromede hangmatten zijn opgehangen voor warme of juist natte dagen. Dat is op Ameland geen overbodige luxe: het eiland kent veel meer zonuren dan het vasteland, maar als het eens regent, is voor het microvolkje een plas water als een stormvloed waar Ritskemooi in vroeger dagen steenrijk van zou zijn geworden …
Hun hangmatten zijn waterdicht gemicromeed en houden hen zodoende droog en dobberend als bootjes vastgesnoerd onder hun palmbomen. Bij zonnig weer hevelen ze de stammen van de varentak naar voren, waarbij ze de krul van de varen als groot ruisend zonafdak kunnen benutten.

<

=== Wordt vervolgd ===

Articles

De Hakkelaar en ander vlieg-tuig

In Fotografie,Natuur,Vlinders & nachtvlinders,Wadden on 1 augustus 2010 door Marjolein Stam getagged: , , , , , , ,

Klein Koolwitje

Het is fascinerend dat het woord ‘vlinder’ zo goed alle kenmerken van dit diertje weergeeft: kwetsbaar, kleurig en fladderig dartelend in de zon. De naam vertoont in vele talen verschillende van deze kenmerken: het Duitse Schmetterling klinkt net als vlinder kwetsbaar, het Engelse butterfly juist als een sterke bloemenbezoeker. Het Franse papillon doet me denken aan de mooie kleuren en zelfs bij het Arabische farasha kun je je wat fladderigs voorstellen. Het Spaanse mariposa klinkt ook mooi, net als het Italiaanse farfalla. De Denen koppelen de vlinder aan de zomer met hun sommerfugi en de Zweden noemen een vlinder fjäril.

In mijn eigen poëzie-albums staan meerdere versjes die de vergelijking tussen een meisje en een vlinder maken:

St. JansvlinderVriend’lijk, vrolijk, dartel meisje,
fladder lang nog in het rond,
als een bloemetje dat bloeit
als een vlindertje dat stoeit,
met een lach steeds om je mond.

Geen hoogstaande poëzie, maar lieve versjes voor een klein meisje. Veel hoogstaander zijn de mooie, enigszins treurige liedjes van Boudewijn de Groot en van Simon & Garfunkel. De treurnis gaat daarbij over de korte levensduur van de vlinder, terwijl de fascinerende levenscyclus van ondergeschikt belang gemaakt wordt: van eitje tot rups, daarna bezinning in zijn spinsel als pop om er vervolgens tot vlinder getransformeerd uit te kruipen. Dat is een unieke evolutie die vrijwel geen enkel ander dier gegeven is!

In korte tijd hebben we een vrij grote hoeveelheid vlinders Gehakkelde aureliagefotografeerd. We determineren ze met behulp van Vlindernet.nl en als het om zeldzame exemplaren gaat, melden we ze keurig bij Waarneming.nl.
Met vogels doen we hetzelfde, maar de zomermaanden zijn extra leuk met al die vlinders die voor onze lens verschijnen. Zo zat onlangs, toen ik 10 dagen op Ameland doorbracht, zomaar een gehakkelde aurelia op de muur van het buurhuis – een soort die niet te missen is. Prachtig, zoals dit dier gevormd is met zijn kleurige vleugels en de fraaie inhammen in de vleugelranden, waar hij zijn naam aan dankt. Deze Hakkelaar is niet afgevlogen, ook dankt hij zijn scherpe inhammen niet aan een confrontatie met een hakselaar – het is zijn natuurlijke vorm.

Icarusblauwtje

Vlinders fotograferen blijkt ook in de vrije natuur leuk te zijn. Ik gebruik mijn telelens om ze mooi dichtbij te halen, en stel handmatig de belichting in. De schoonheid en de meestal uitbundige kleurenpracht van de vlinders wegen royaal op tegen de kleine ongemakjes van mijn camera die wat vlekjes op de sensor heeft en tegen de natuur die mij op vlinderjacht met blote benen door brandnetels of bramen laat lopen.
Maar het spotten van een minuscuul Icarusblauwtje en deze goed op de foto krijgen, het vast kunnen leggen van de schoonheid van een dagpauwoog, dat alles is vele malen belangrijker dan jeuk door een beet van een daas of van prikplanten, en maakt het vlinders fotograferen zo leuk. Ze zijn ook erg fotogeniek, al moet je je er soms voor in rare bochten wringen. Net als zijzelf overigens!

Kleine Vuurvlinder

Vlinders laten je genieten. Wij hadden in juni al het geluk dat we de zeldzame duinparelmoervlinder en wellicht ook de zilveren maan op de foto kregen, maar we hebben intussen veel meer soorten gefotografeerd. Plaatjes zeggen in dit geval meer dan praatjes. Daarom laat ik het hier nu bij en laat ik divers vlieg-tuig uit de vrije natuur op jullie los, fladderend door de teksten.

Bruin zandoogjeHeivlinder

Articles

Argusogen in de zilveren maan

In Fotografie,Natuur,Vlinders & nachtvlinders,Vogels,Wadden on 2 juli 2010 door Marjolein Stam getagged: , , , , , , , , ,

Een paar weken geleden lazen we op de nieuwssite van Persbureau Ameland het bericht dat iemand de zeldzame duinparelmoervlinder had gezien. Er stond een foto bij van een prachtige oranje vlinder, met parelmoerglanzende vlekken aan de buitenkant van de vleugels. De vindplaats werd geheim gehouden.
Vooral dat laatste was voor ons doorslaggevend: wij moesten en zouden ook zo’n vlinder zien! En natuurlijk wilden we er mooiere foto’s van maken dan degene die bij het bericht van Persbureau stond.

Zaterdag togen we er op de trike op uit, onderweg speurend naar vogels en vooral naar vlinders. In Buren, waar we na veel omzwervingen een kop koffie dronken en samen met de musjes een appelpunt aten, liepen we naar het duinpaadje. We hoefden niet eens het paadje op: al bij het hekje zagen we een exemplaar van de bewuste zeldzame vlinder, prachtig poserend op een kale jonker We schoten ons kaartje bijna vol, zo trots waren we dat wij er ook eentje hadden gevonden! Nou ja, ‘gevonden’ – hij was nauwelijks te missen.

Maar thuis wachtte de teleurstelling: we konden de vlinder zelfs op het beeldscherm niet met zekerheid benoemen als duinparelmoervlinder… Een ware slag in mijn gezicht. Het beestje leek meer op een ‘zilveren maan’, een halfbroer uit de grote familie van parelmoervlinders. Ons exemplaar miste de zwartige vlek die hem onderscheidt van zijn zeldzame halfbroer of -zus. Mijn vriend moest wel gelijk hebben: het was een zilveren maan, geschoten in de volle zon. Daarnaast bevatte onze collectie een argusvlinder, waarvan het zwarte oog duidelijk op de buitenkant van de bovenste vleugeltip te zien is, plus een kleine vos en als bonus twee ons tot nu toe onbekende vogeltjes. Best een goede oogst dus, al hadden we de primeur van de duinparelmoervlinder niet weten te evenaren. De fladderende trots van Ameland ging aan ons voorbij.

Natuurlijk waren we vastbesloten de volgende dag nog een poging te wagen, dus weer stapten we na het middaguur op de trike en reden ditmaal via het bos om eerst weer even op vogeljacht te gaan. We wisten dat er een bruine kiekendief in de buurt zat, maar toen hij pal over ons heen vloog, was dat toch een verrassing. Aangezien ik erger ben dan een Japanner en praktisch vergroeid ben met mijn camera, schoot ik hem in een reflex en de foto blijkt nog scherp ook met – alweer toevallig – zelfs de juiste belichting!
Nadat we met argusogen het bos hadden afgespeurd, zaten we nog even op een bankje en praatten over onze volgende stop. Het was onvermijdelijk: we zouden toch weer naar Buren rijden. De vlinderverslaving had behoorlijk toegeslagen en concurreerde met de vogelspotverslaving.
Terwijl we praatten, zag ik iets wat op een duif leek op een tak zitten. Een duif, tja, die zegt me niet zo veel, dus mijn reflex deed het eventjes niet. Stom, want toen het dier wegvloog, bleek het onmiskenbaar een uil en daaraan had ik mijn hele spiegelreflex wel willen offeren! Ik vermoed dat het een bosuil was – het feit dat hij door het bos vloog, lijkt mij een redelijk betrouwbare indicatie voor deze constatering.

In Buren dronken we opnieuw koffie, ditmaal op een terras zonder mussen. Er reed een bus voorbij met daarop een grote foto van onze vlinder met de tekst “zilveren maan”. Ik keek mijn vriend verbaasd aan: waarom stond deze vlinder afgebeeld op de bus als men juist trots was op de zeldzame soortgenoot?? Was het dan toch…? Het kon geen synoniem zijn, dat was uitgesloten na alles wat we er over gelezen hadden.
We moesten nu echt snel naar de vindplaats terug om zekerheid te krijgen! Daar aangekomen, zagen we zeker 15 exemplaren rondfladderen, met hun roltong de nectar uit de kale jonkers halend. Dit moest inderdaad de distelparelmoervlinder oftewel de zilveren maan zijn, dat kon niet anders… Voor de zekerheid fotografeerden we ze in allerlei standen: vleugels open, vleugels dicht, van voren zodat je de kop met de enorme ogen kon zien – verzin het maar.

Onderweg terug, langs buitenweggetjes rijdend op de snelbruiner, zagen we nog een aantal exemplaren, die hun nectar uit de rode klaver haalden. Dat was telkens opnieuw aanleiding om te stoppen en ook deze oranje fladderaars te fotograferen. Thuis genoten we van onze mooie foto’s van al die zilveren manen en die ene argusoog, van de vogeltjes en van de prachtige landschappen die Ameland biedt.
Alsnog voldaan sloten we het weekend af. Als extraatje kreeg ik maandag op de boot nog een paar zeehonden die dichtbij de veerboot op zandbanken hun vacht schoonrolden en als altijd de zon die het water zo prachtig laat schitteren, op de geulen en de slenken in de zandbanken. Ik heb genoten!

Gisteren las mijn vriend me een nieuw stukje voor van de site van Persbureau Ameland: er was een ongekende hoeveelheid duinparelmoervlinders op het eiland gesignaleerd. Dit komt doordat de vlinder als eitje overwintert en door de strenge winter zijn de eitjes goed geïsoleerd. Na wat nalezen op Wikipedia vonden we het verschil tussen de twee soorten: de veel minder zeldzame zilveren maan overwintert als pop, dus daarvan heeft het merendeel de winter juist niet doorstaan.

Wij hebben nu dus onverwacht een grote collectie foto’s van de zeldzame duinparelmoervlinder, terwijl we in de blakende zon koortsachtig dachten zilveren manen te schieten.
En de titel bij de foto op de Amelander bus is dus een foutje. De vlinder is op een zwart vlekje na identiek, maar de naam ‘zilveren maan’ is onjuist. Het kan verkeren – niets is meer gek als je ze zo ziet vliegen.


Articles

Stamvader

In Natuur,Persoonlijks,Qualen,Taal on 25 juni 2010 door Marjolein Stam getagged: , , , , , ,

Niets is zo onlosmakelijk aan elkaar verbonden als leven en dood. Je wordt geboren en je sterft – de tijd daartussen heet ‘je leven’. Dat geldt niet alleen voor mensen, maar ook voor dieren en planten.

Gisteren liep ik over een idyllisch bospaadje dat ik nu al 5 jaren periodiek bewandel. Het is een paadje van niets: je bent er in 5 minuten doorheen. Ook het ‘bos’ bestaat alleen maar uit wat bomen en struiken, met een slootje aan de ene en een vijver aan de andere kant van het paadje.
Maar er is zoveel leven en zoveel te be-leven, dat ik er elke keer weer van geniet: de schaduwen van het lover die een grillig schouwspel van licht en donker vormen, de grote zwammen die aan een oude bemoste stronk groeien, de prachtige kleuren in de herfst en in de winter de berken met hun wit-vervellende stammen.

Zo’n 2 jaar geleden zijn er een paar grote eiken gekapt. De stronken bleven gewoon staan. Ik kijk altijd met bewondering naar één van de boomstronken van een enorme stam met z’n vele jaarringen en met het ongelijke zaagvlak, wat de charme van deze stronk alleen maar vergroot. Telkens weer neem ik me voor mijn camera mee te nemen om er een foto van te maken, maar ik vergeet het iedere keer opnieuw.
Twee jaren staat die boomstronk er nu al, zijn wortels stevig verankerd in de grond. Kappen is één ding, maar rooien is iets anders, denk ik telkens opnieuw.

Gisteren zag ik tot mijn verrassing dat uit het hart van de stam een nieuw eikje groeide, zijn millimeter ruimte gebroederlijk delend met een esdoornscheut. Ik had weliswaar de neiging de esdoorn te verwijderen om het eikje alle ruimte te geven, maar ik besloot de natuur haar gang te laten gaan, zoals ze dat al die tijd al gedaan heeft. Uit het hart van een schijnbaar dode stronk ontspruit een nieuw boompje. Nieuw leven, voortkomend uit wat toch niet dood was – of uit wat een goede basis voor een nieuw zaadje blijkt te zijn.
Het raakte me tot in mijn eigen kern – mijn achternaam verklaart vast wel waarom…

Zondag 20 juni jl. was het Wereld A.L.S.-dag. A.L.S. is een progressief verlopende spierziekte, die onherroepelijk eindigt in de dood. De meeste patiënten leven maar 3 jaar vanaf het begin van de ziekte. Zondag werden de mensen die aan deze ziekte lijden, verwend op de Henri Dunant, die bij uitzondering tijdens een weekend uitvoer. Mijn ouders, broer en zus waren daarbij aanwezig omdat mijn vader A.L.S.-patiënt is. Volgens de statistieken is hij ‘op de helft’, maar niemand kent de grilligheid van de uitval van spierfuncties. Ook de levenslust van de patiënt speelt een rol, dus je kunt niet zomaar zeggen wanneer het moment van afscheid aanbreekt.
Deze Stam met zijn bijna 78 jaarringen is vastbesloten nog 80 te worden, zei hij me onlangs.

Hoewel de boottocht door het koude weer wat tegenviel, was mijn vader vooraf erg vereerd met de uitnodiging. Hij, die vroeger altijd als BB-er en Rode Kruis-medewerker bij evenementen aanwezig was, had weleens gedroomd van een week varen met zieke mensen, maar dat hij nu toch op de Henri Dunant meevoer, het beroemde Rode Kruis-schip, vond hij heel bijzonder. Ondanks dat het in een andere rol dan die van zijn dromen was. Hij was de man die altijd klaarstond voor iedereen, de man die elk jaar zijn herhalingscursus deed en waarvan de eerste hulp-tas naast de voordeur achter het gordijntje van de meterkast hing. De man waarvan naast het naambordje met trots een Rode Kruis-bordje hing, de man die na afloop van de TT met andere vrijwilligers bij het viaduct wachtte op eventuele slachtoffers. Hij was de redder. Nu redt hij zichzelf zo goed mogelijk, maar zijn kracht neemt geleidelijk aan af.

Uit zijn kern zijn vier nieuwe Stammen ontsproten, die op hun beurt samen voor 10 kleinkinderen en 1 achterkleinkind zorgden. Hij mag dan ‘gekapt’ zijn, zijn wortels liggen stevig ingebed in de grond en zijn basis, de boomstronk, is allesbehalve dood, zomin als hijzelf. Ondanks zijn ziekte blijft hij middenin het leven staan en past zijn kunnen op een bewonderenswaardige wijze aan zijn toestand aan. Ik heb groot respect voor hem, voor de manier waarop hij met zijn ziekte omgaat, en ik ben er trots op zijn dochter te zijn.

Leven en dood, geboren worden om te sterven? Nee, leven en dood zijn weliswaar onlosmakelijk met elkaar verbonden, maar je wordt geboren om te leven en aan het eind van dat leven, dan pas sterf je. En dan laat je een nalatenschap achter van kinderen, kleinkinderen, een nageslacht met dezelfde wortels.

Je kunt een rood kruis op een stam zetten ter markering dat hij gekapt moet worden, maar door de wortels in de grond te laten en de stam niet te rooien, blijft hij staan en bestaan. Zelfs gekapt kan hij een voedingsbodem zijn voor nieuw leven. De Stamvader, mijn Stam-vader. Ik ben er trots op een Stam te zijn.

Articles

Pullen in de soos

In Vogels,Wadden on 9 juni 2010 door Marjolein Stam getagged: , , , , , ,

De titel klinkt wel opwekkend, nietwaar? Men ziet bejaarden voor zich, moeizaam een bierpul heffend en deze al bibberend en knoeiend leeg proberen te drinken. Of een chique sociëteit, waar bierpullen niet tot de inventaris behoren. Ikzelf denk bij het woord ‘pullen’ aan de Beierse bierpul van steen, die zonder inhoud al bijna te zwaar is om naar de mond te brengen – laat staan met bier er in!

Maar niets van dat alles is waar het om draait. Pullen, zo worden jonge (weide-)vogelkuikens genoemd. Althans, bij mijn weten beperkt het zich tot deze groep, al vallen meeuwenkuikens er geloof ik wel weer onder.
We hebben de afgelopen weekends veel verschillende pulletjes gezien op Ameland – zowel toen we met de trike rondreden als met de auto stapvoets speurend naar vogeltjes. Opeens was er vorig weekend de verrassing van een kleintje dat stilletjes bij een graspol zat, terwijl mama scholekster vlakbij wat in de grond poerde. Op de foto’s herkenden we achteraf weliswaar een kuiken, maar het was meer een bolletje dons dan een herkenbaar kuiken.

We zochten op Wikipedia wat meer informatie op en vonden daar het verhaal van de pul, maar ook dat een groep scholeksters een ‘soos’ wordt genoemd. Scholeksters kunnen 30 jaar oud worden (!!!) en hebben een natuurlijke territoriumdrift. Maar de weilanden en de schorren raken overbevolkt door al die bejaarde scholeksters, die hun territorium levenslang behouden. Daardoor moeten anderen genoegen nemen met een tweederangs territorium. Wikipedia verhaalde over het frappante fenomeen dat jongen van dit nageslacht zelf ook tweederangs territoria zoeken, vanuit een natuurlijk soort overlevering.

Het afgelopen weekend zagen we veel meer pulletjes in een grote verscheidenheid: een paar erg jonge en aandoenlijke kieviten, die angstig door pa en ma van ons weggeleid werden. Dit was de eerste keer in mijn leven dat ik ze bewust zag, en het was puur genieten! Ook zagen we, rijdend op de trike over de dijk, een heel stel kokmeeuwpulletjes – kleine pluizenbollen die rap-rap door pa of ma werden geroepen: pas op, er naderen vijanden! Sommige durfals stonden parmantig bij de vlakbije groep op, naast en over elkaar nestelende visdiefjes het spektakel aan te zien: de visdiefjes vlogen af en aan met visjes in de bek en het was een geschreeuw van jewelste. Jonkies waren onzichtbaar – de visdiefjes lagen bijna in een kluwen bij elkaar. Het deed me aan films met al die jonge pinguïns denken, waarvan de ouder het eigen kind altijd herkent in de menigte.

Iets verderop ontwaarden we een kluut en warempel, er liep een klein kluutje naast, met al wat zwarte streepjes in zijn donzen pak. Papa kluut was verderop aan het eten, mama piepte zich schor om haar kleintje aanwijzingen te geven. Het scheen het niet te horen, of niet te luisteren: het ging zijn eigen gang en ontdekte de wereld van het wad op zijn eigen manier. Een fantastisch gezicht! Uiteindelijk kwamen pa en ma samen om hun p(r)ulletje van het rechte pad te halen en terug te sturen naar beschutter gebied, waar hij minder opviel. Toen dat gelukt was, kon mama even op één poot uitrusten. Dat duurde kort, want de klutenpul was onvermoeibaar! We konden ons met moeite losrukken van het indrukwekkende tafereel.

De volgende dag reden we nog even rond om de kieviten te zoeken; ik had minder goede foto’s dan mijn vriend, en dat kon natuurlijk niet. Intussen weten we al dat als we voor de ene vogel gaan, we anderen tegenkomen. De kievitjes en de complete wei bleken spoorloos, maar we zagen wél een aantal tureluurs rusteloos om en over de auto heen fladderen en ons op luide toon waarschuwen. Bij wat beter kijken zagen we waarom: er liepen jonkies (al vrij groot) door het weiland en natuurlijk betekende onze aanwezigheid gevaar dat geëlimineerd diende te worden. Ach, wij schieten alleen met camera’s!

Ik vraag me af of deze weidevogels ook in ‘een soos’ leven, en of ze eenzelfde territoriumdrift hebben als de scholekster. Hoe oud wordt de steeds minder voorkomende kluut, hoe oud worden tureluur en kievit?
Waarom gedogen kokmeeuwen en visdiefjes in het broedseizoen de wadende gasten, die buiten het seizoen niet welkom zijn? Zoveel vragen over dingen waarover ik voordien nooit nadacht!
Dit alles bewijst eens te meer dat vogels via een soos net als de Rotary of Lion’s veel invloed hebben op je denken, zonder dat je ooit zelf deel zult uitmaken van zo’n soos. Ik neem daar nog een pul op. Proost!

Articles

Elfstedentocht

In Natuur on 28 mei 2010 door Marjolein Stam getagged: , , , , , , ,

De tocht der tochten, de Elfstedentocht. Eindelijk kan ik zeggen dat ik hem heb gereden.
Niet over, maar langs water, langs de elf steden, 260 kilometer zonder training vooraf. Ik ben er nog kapot van! Het was een barre tocht, het was afzien en doorgaan, verstand op nul, blik op oneindig.

Denk nu niet dat ik zo sportief ben dat ik de fietsroute van 240 kilometer heb gedaan… Ik zat relatief comfortabel achterop de trike van mijn partner, die met de Trikers Familie Club in een colonne van zo’n zes trikes reed. Voor diegenen die een trike niet kennen: dit is een driewielig voertuig, zeg maar een motor met zijwieltjes – pardon, een cabrio op drie wielen!!! Officieel is het een auto en we hoeven dus geen helm te dragen.

We rijden graag ritjes op Ameland, stoppen wanneer we een vogeltje of een ander interessant object zien. Het is erg ontspannend, al krijgt mijn slechte arm niet de steun die nodig is en draait mijn door artrose aangetaste knie verkeerd uit als ik wijdbeens achter mijn vriend zit, boven hem uit torenend doordat de achterzit hoger is dan de bestuurdersplaats.

Ik had een idyllisch beeld van de Elfstedentocht: gezellig met een groep rijden, weliswaar tussen 3.500 motoren, en passant 15.000 fietsers zien zwoegen, terwijl ik achterop lekker rustig alles kon overzien en foto’s kon maken van het lentelandschap.
Niets bleek minder waar: het was écht afzien. Je zit weliswaar comfortabel, maar dat geldt alleen voor je rug. Bij elke scherp genomen bocht (in trikerijders schuilen motorrijders die dat niet kunnen maar wel hadden gewild) word je van de ene naar de andere kant geslingerd en moet je je aan de metalen stangen aan de zijkanten vastklampen om niet om te vallen. Daarbij heb je alleen de stepjes voor je voeten, dus het schrap zetten doe je met je hele lichaam.

Het landschap was prachtig: weiden vol met boterbloemen, zuring, pinksterbloemen en vrolijk fluitekruid in de bermen. Koeien, dorpjes, weilanden, water, en veel, ontzettend veel mensen die ons aanmoedigden. Dat was het allerleukste: al die mensen die de hele dag langs de route zaten om de deelnemers aan te moedigen. Ik had na afloop enig medelijden met Beatrix – nu beseffend hoe zwaar het is om naar al die mensen te zwaaien, wat een RSI-achtige sensatie in de polsen geeft.

Gelukkig had ik zaterdag, toen we als soort van proefrit al naar mijn ouders waren geweest en we ’s avonds ondanks motorpak en sjaal totaal verkleumd de laatste kilometers reden, al een beschermbril gekocht. Als je die niet draagt, huil je binnen drie minuten alles aan elkaar, ook als er niets te huilen valt. Mijn vriend heeft een ‘echte’ overzetbril van de opticien, ik heb er eentje bij de bouwmarkt opgescharreld en ook al staat het niet al te gracieus, het werkt wel!

Friesland heeft veel water, heel veel water. Dat moet ook wel als je een Elfstedentocht wilt schaatsen, maar al rijdend hadden we nogal wat bruggen open, wat ons veel oponthoud bezorgde. Motorrijders rijden langs ons heen en gaan vooraan bij de brug staan. Wij kunnen dus pas weer rijden als die hele brullende meute de route heeft hervat. Dit oponthoud betekende dat de meeste stempelposten al opgedoekt waren toen wij eindelijk arriveerden, maar gelukkig werden de ontbrekende stempels bij de twee nog actieve posten aangevuld, zodat het kaartje toch nog vol werd.

We haalden de eindstreep op de nipper; we waren iets voor 6 uur in het FEC-gebouw, waar de felbegeerde medaille in ontvangst werd genomen. Onderweg hebben we – naast de wachttijden bij de open bruggen – 3 stops gehad om wat te eten en te drinken. Nadat we in totaal 9 uur op de trike hadden doorgebracht, arriveerden we thuis, waar mijn vriend mij zo ongeveer van de trike moest takelen… Het was zwaar voor mijn lichaam en daar heb ik de rest van de week voor mogen boeten.
Niemand zal mij ooit weer lacherig over de tocht der tochten horen praten – ik weet nu uit ervaring hoe zwaar deze tocht is. Zelfs als je een passagier bent, die feitelijk niets anders hoeft te doen dan wat rond te kijken en een fotoserie te maken.
En toch had ik het niet willen missen. Dat schijnt hét kenmerk van de Elfstedentocht te zijn, dus blijkbaar heb ik het concept goed begrepen.