Posts Tagged ‘natuur’

Articles

Argusogen in de zilveren maan

In Fotografie,Natuur,Vlinders & nachtvlinders,Vogels,Wadden on 2 juli 2010 door Marjolein Stam getagged: , , , , , , , , ,

Een paar weken geleden lazen we op de nieuwssite van Persbureau Ameland het bericht dat iemand de zeldzame duinparelmoervlinder had gezien. Er stond een foto bij van een prachtige oranje vlinder, met parelmoerglanzende vlekken aan de buitenkant van de vleugels. De vindplaats werd geheim gehouden.
Vooral dat laatste was voor ons doorslaggevend: wij moesten en zouden ook zo’n vlinder zien! En natuurlijk wilden we er mooiere foto’s van maken dan degene die bij het bericht van Persbureau stond.

Zaterdag togen we er op de trike op uit, onderweg speurend naar vogels en vooral naar vlinders. In Buren, waar we na veel omzwervingen een kop koffie dronken en samen met de musjes een appelpunt aten, liepen we naar het duinpaadje. We hoefden niet eens het paadje op: al bij het hekje zagen we een exemplaar van de bewuste zeldzame vlinder, prachtig poserend op een kale jonker We schoten ons kaartje bijna vol, zo trots waren we dat wij er ook eentje hadden gevonden! Nou ja, ‘gevonden’ – hij was nauwelijks te missen.

Maar thuis wachtte de teleurstelling: we konden de vlinder zelfs op het beeldscherm niet met zekerheid benoemen als duinparelmoervlinder… Een ware slag in mijn gezicht. Het beestje leek meer op een ‘zilveren maan’, een halfbroer uit de grote familie van parelmoervlinders. Ons exemplaar miste de zwartige vlek die hem onderscheidt van zijn zeldzame halfbroer of -zus. Mijn vriend moest wel gelijk hebben: het was een zilveren maan, geschoten in de volle zon. Daarnaast bevatte onze collectie een argusvlinder, waarvan het zwarte oog duidelijk op de buitenkant van de bovenste vleugeltip te zien is, plus een kleine vos en als bonus twee ons tot nu toe onbekende vogeltjes. Best een goede oogst dus, al hadden we de primeur van de duinparelmoervlinder niet weten te evenaren. De fladderende trots van Ameland ging aan ons voorbij.

Natuurlijk waren we vastbesloten de volgende dag nog een poging te wagen, dus weer stapten we na het middaguur op de trike en reden ditmaal via het bos om eerst weer even op vogeljacht te gaan. We wisten dat er een bruine kiekendief in de buurt zat, maar toen hij pal over ons heen vloog, was dat toch een verrassing. Aangezien ik erger ben dan een Japanner en praktisch vergroeid ben met mijn camera, schoot ik hem in een reflex en de foto blijkt nog scherp ook met – alweer toevallig – zelfs de juiste belichting!
Nadat we met argusogen het bos hadden afgespeurd, zaten we nog even op een bankje en praatten over onze volgende stop. Het was onvermijdelijk: we zouden toch weer naar Buren rijden. De vlinderverslaving had behoorlijk toegeslagen en concurreerde met de vogelspotverslaving.
Terwijl we praatten, zag ik iets wat op een duif leek op een tak zitten. Een duif, tja, die zegt me niet zo veel, dus mijn reflex deed het eventjes niet. Stom, want toen het dier wegvloog, bleek het onmiskenbaar een uil en daaraan had ik mijn hele spiegelreflex wel willen offeren! Ik vermoed dat het een bosuil was – het feit dat hij door het bos vloog, lijkt mij een redelijk betrouwbare indicatie voor deze constatering.

In Buren dronken we opnieuw koffie, ditmaal op een terras zonder mussen. Er reed een bus voorbij met daarop een grote foto van onze vlinder met de tekst “zilveren maan”. Ik keek mijn vriend verbaasd aan: waarom stond deze vlinder afgebeeld op de bus als men juist trots was op de zeldzame soortgenoot?? Was het dan toch…? Het kon geen synoniem zijn, dat was uitgesloten na alles wat we er over gelezen hadden.
We moesten nu echt snel naar de vindplaats terug om zekerheid te krijgen! Daar aangekomen, zagen we zeker 15 exemplaren rondfladderen, met hun roltong de nectar uit de kale jonkers halend. Dit moest inderdaad de distelparelmoervlinder oftewel de zilveren maan zijn, dat kon niet anders… Voor de zekerheid fotografeerden we ze in allerlei standen: vleugels open, vleugels dicht, van voren zodat je de kop met de enorme ogen kon zien – verzin het maar.

Onderweg terug, langs buitenweggetjes rijdend op de snelbruiner, zagen we nog een aantal exemplaren, die hun nectar uit de rode klaver haalden. Dat was telkens opnieuw aanleiding om te stoppen en ook deze oranje fladderaars te fotograferen. Thuis genoten we van onze mooie foto’s van al die zilveren manen en die ene argusoog, van de vogeltjes en van de prachtige landschappen die Ameland biedt.
Alsnog voldaan sloten we het weekend af. Als extraatje kreeg ik maandag op de boot nog een paar zeehonden die dichtbij de veerboot op zandbanken hun vacht schoonrolden en als altijd de zon die het water zo prachtig laat schitteren, op de geulen en de slenken in de zandbanken. Ik heb genoten!

Gisteren las mijn vriend me een nieuw stukje voor van de site van Persbureau Ameland: er was een ongekende hoeveelheid duinparelmoervlinders op het eiland gesignaleerd. Dit komt doordat de vlinder als eitje overwintert en door de strenge winter zijn de eitjes goed geïsoleerd. Na wat nalezen op Wikipedia vonden we het verschil tussen de twee soorten: de veel minder zeldzame zilveren maan overwintert als pop, dus daarvan heeft het merendeel de winter juist niet doorstaan.

Wij hebben nu dus onverwacht een grote collectie foto’s van de zeldzame duinparelmoervlinder, terwijl we in de blakende zon koortsachtig dachten zilveren manen te schieten.
En de titel bij de foto op de Amelander bus is dus een foutje. De vlinder is op een zwart vlekje na identiek, maar de naam ‘zilveren maan’ is onjuist. Het kan verkeren – niets is meer gek als je ze zo ziet vliegen.


Articles

Stamvader

In Natuur,Persoonlijks,Qualen,Taal on 25 juni 2010 door Marjolein Stam getagged: , , , , , ,

Niets is zo onlosmakelijk aan elkaar verbonden als leven en dood. Je wordt geboren en je sterft – de tijd daartussen heet ‘je leven’. Dat geldt niet alleen voor mensen, maar ook voor dieren en planten.

Gisteren liep ik over een idyllisch bospaadje dat ik nu al 5 jaren periodiek bewandel. Het is een paadje van niets: je bent er in 5 minuten doorheen. Ook het ‘bos’ bestaat alleen maar uit wat bomen en struiken, met een slootje aan de ene en een vijver aan de andere kant van het paadje.
Maar er is zoveel leven en zoveel te be-leven, dat ik er elke keer weer van geniet: de schaduwen van het lover die een grillig schouwspel van licht en donker vormen, de grote zwammen die aan een oude bemoste stronk groeien, de prachtige kleuren in de herfst en in de winter de berken met hun wit-vervellende stammen.

Zo’n 2 jaar geleden zijn er een paar grote eiken gekapt. De stronken bleven gewoon staan. Ik kijk altijd met bewondering naar één van de boomstronken van een enorme stam met z’n vele jaarringen en met het ongelijke zaagvlak, wat de charme van deze stronk alleen maar vergroot. Telkens weer neem ik me voor mijn camera mee te nemen om er een foto van te maken, maar ik vergeet het iedere keer opnieuw.
Twee jaren staat die boomstronk er nu al, zijn wortels stevig verankerd in de grond. Kappen is één ding, maar rooien is iets anders, denk ik telkens opnieuw.

Gisteren zag ik tot mijn verrassing dat uit het hart van de stam een nieuw eikje groeide, zijn millimeter ruimte gebroederlijk delend met een esdoornscheut. Ik had weliswaar de neiging de esdoorn te verwijderen om het eikje alle ruimte te geven, maar ik besloot de natuur haar gang te laten gaan, zoals ze dat al die tijd al gedaan heeft. Uit het hart van een schijnbaar dode stronk ontspruit een nieuw boompje. Nieuw leven, voortkomend uit wat toch niet dood was – of uit wat een goede basis voor een nieuw zaadje blijkt te zijn.
Het raakte me tot in mijn eigen kern – mijn achternaam verklaart vast wel waarom…

Zondag 20 juni jl. was het Wereld A.L.S.-dag. A.L.S. is een progressief verlopende spierziekte, die onherroepelijk eindigt in de dood. De meeste patiënten leven maar 3 jaar vanaf het begin van de ziekte. Zondag werden de mensen die aan deze ziekte lijden, verwend op de Henri Dunant, die bij uitzondering tijdens een weekend uitvoer. Mijn ouders, broer en zus waren daarbij aanwezig omdat mijn vader A.L.S.-patiënt is. Volgens de statistieken is hij ‘op de helft’, maar niemand kent de grilligheid van de uitval van spierfuncties. Ook de levenslust van de patiënt speelt een rol, dus je kunt niet zomaar zeggen wanneer het moment van afscheid aanbreekt.
Deze Stam met zijn bijna 78 jaarringen is vastbesloten nog 80 te worden, zei hij me onlangs.

Hoewel de boottocht door het koude weer wat tegenviel, was mijn vader vooraf erg vereerd met de uitnodiging. Hij, die vroeger altijd als BB-er en Rode Kruis-medewerker bij evenementen aanwezig was, had weleens gedroomd van een week varen met zieke mensen, maar dat hij nu toch op de Henri Dunant meevoer, het beroemde Rode Kruis-schip, vond hij heel bijzonder. Ondanks dat het in een andere rol dan die van zijn dromen was. Hij was de man die altijd klaarstond voor iedereen, de man die elk jaar zijn herhalingscursus deed en waarvan de eerste hulp-tas naast de voordeur achter het gordijntje van de meterkast hing. De man waarvan naast het naambordje met trots een Rode Kruis-bordje hing, de man die na afloop van de TT met andere vrijwilligers bij het viaduct wachtte op eventuele slachtoffers. Hij was de redder. Nu redt hij zichzelf zo goed mogelijk, maar zijn kracht neemt geleidelijk aan af.

Uit zijn kern zijn vier nieuwe Stammen ontsproten, die op hun beurt samen voor 10 kleinkinderen en 1 achterkleinkind zorgden. Hij mag dan ‘gekapt’ zijn, zijn wortels liggen stevig ingebed in de grond en zijn basis, de boomstronk, is allesbehalve dood, zomin als hijzelf. Ondanks zijn ziekte blijft hij middenin het leven staan en past zijn kunnen op een bewonderenswaardige wijze aan zijn toestand aan. Ik heb groot respect voor hem, voor de manier waarop hij met zijn ziekte omgaat, en ik ben er trots op zijn dochter te zijn.

Leven en dood, geboren worden om te sterven? Nee, leven en dood zijn weliswaar onlosmakelijk met elkaar verbonden, maar je wordt geboren om te leven en aan het eind van dat leven, dan pas sterf je. En dan laat je een nalatenschap achter van kinderen, kleinkinderen, een nageslacht met dezelfde wortels.

Je kunt een rood kruis op een stam zetten ter markering dat hij gekapt moet worden, maar door de wortels in de grond te laten en de stam niet te rooien, blijft hij staan en bestaan. Zelfs gekapt kan hij een voedingsbodem zijn voor nieuw leven. De Stamvader, mijn Stam-vader. Ik ben er trots op een Stam te zijn.

Articles

Pullen in de soos

In Vogels,Wadden on 9 juni 2010 door Marjolein Stam getagged: , , , , , ,

De titel klinkt wel opwekkend, nietwaar? Men ziet bejaarden voor zich, moeizaam een bierpul heffend en deze al bibberend en knoeiend leeg proberen te drinken. Of een chique sociëteit, waar bierpullen niet tot de inventaris behoren. Ikzelf denk bij het woord ‘pullen’ aan de Beierse bierpul van steen, die zonder inhoud al bijna te zwaar is om naar de mond te brengen – laat staan met bier er in!

Maar niets van dat alles is waar het om draait. Pullen, zo worden jonge (weide-)vogelkuikens genoemd. Althans, bij mijn weten beperkt het zich tot deze groep, al vallen meeuwenkuikens er geloof ik wel weer onder.
We hebben de afgelopen weekends veel verschillende pulletjes gezien op Ameland – zowel toen we met de trike rondreden als met de auto stapvoets speurend naar vogeltjes. Opeens was er vorig weekend de verrassing van een kleintje dat stilletjes bij een graspol zat, terwijl mama scholekster vlakbij wat in de grond poerde. Op de foto’s herkenden we achteraf weliswaar een kuiken, maar het was meer een bolletje dons dan een herkenbaar kuiken.

We zochten op Wikipedia wat meer informatie op en vonden daar het verhaal van de pul, maar ook dat een groep scholeksters een ‘soos’ wordt genoemd. Scholeksters kunnen 30 jaar oud worden (!!!) en hebben een natuurlijke territoriumdrift. Maar de weilanden en de schorren raken overbevolkt door al die bejaarde scholeksters, die hun territorium levenslang behouden. Daardoor moeten anderen genoegen nemen met een tweederangs territorium. Wikipedia verhaalde over het frappante fenomeen dat jongen van dit nageslacht zelf ook tweederangs territoria zoeken, vanuit een natuurlijk soort overlevering.

Het afgelopen weekend zagen we veel meer pulletjes in een grote verscheidenheid: een paar erg jonge en aandoenlijke kieviten, die angstig door pa en ma van ons weggeleid werden. Dit was de eerste keer in mijn leven dat ik ze bewust zag, en het was puur genieten! Ook zagen we, rijdend op de trike over de dijk, een heel stel kokmeeuwpulletjes – kleine pluizenbollen die rap-rap door pa of ma werden geroepen: pas op, er naderen vijanden! Sommige durfals stonden parmantig bij de vlakbije groep op, naast en over elkaar nestelende visdiefjes het spektakel aan te zien: de visdiefjes vlogen af en aan met visjes in de bek en het was een geschreeuw van jewelste. Jonkies waren onzichtbaar – de visdiefjes lagen bijna in een kluwen bij elkaar. Het deed me aan films met al die jonge pinguïns denken, waarvan de ouder het eigen kind altijd herkent in de menigte.

Iets verderop ontwaarden we een kluut en warempel, er liep een klein kluutje naast, met al wat zwarte streepjes in zijn donzen pak. Papa kluut was verderop aan het eten, mama piepte zich schor om haar kleintje aanwijzingen te geven. Het scheen het niet te horen, of niet te luisteren: het ging zijn eigen gang en ontdekte de wereld van het wad op zijn eigen manier. Een fantastisch gezicht! Uiteindelijk kwamen pa en ma samen om hun p(r)ulletje van het rechte pad te halen en terug te sturen naar beschutter gebied, waar hij minder opviel. Toen dat gelukt was, kon mama even op één poot uitrusten. Dat duurde kort, want de klutenpul was onvermoeibaar! We konden ons met moeite losrukken van het indrukwekkende tafereel.

De volgende dag reden we nog even rond om de kieviten te zoeken; ik had minder goede foto’s dan mijn vriend, en dat kon natuurlijk niet. Intussen weten we al dat als we voor de ene vogel gaan, we anderen tegenkomen. De kievitjes en de complete wei bleken spoorloos, maar we zagen wél een aantal tureluurs rusteloos om en over de auto heen fladderen en ons op luide toon waarschuwen. Bij wat beter kijken zagen we waarom: er liepen jonkies (al vrij groot) door het weiland en natuurlijk betekende onze aanwezigheid gevaar dat geëlimineerd diende te worden. Ach, wij schieten alleen met camera’s!

Ik vraag me af of deze weidevogels ook in ‘een soos’ leven, en of ze eenzelfde territoriumdrift hebben als de scholekster. Hoe oud wordt de steeds minder voorkomende kluut, hoe oud worden tureluur en kievit?
Waarom gedogen kokmeeuwen en visdiefjes in het broedseizoen de wadende gasten, die buiten het seizoen niet welkom zijn? Zoveel vragen over dingen waarover ik voordien nooit nadacht!
Dit alles bewijst eens te meer dat vogels via een soos net als de Rotary of Lion’s veel invloed hebben op je denken, zonder dat je ooit zelf deel zult uitmaken van zo’n soos. Ik neem daar nog een pul op. Proost!

Articles

Elfstedentocht

In Natuur on 28 mei 2010 door Marjolein Stam getagged: , , , , , , ,

De tocht der tochten, de Elfstedentocht. Eindelijk kan ik zeggen dat ik hem heb gereden.
Niet over, maar langs water, langs de elf steden, 260 kilometer zonder training vooraf. Ik ben er nog kapot van! Het was een barre tocht, het was afzien en doorgaan, verstand op nul, blik op oneindig.

Denk nu niet dat ik zo sportief ben dat ik de fietsroute van 240 kilometer heb gedaan… Ik zat relatief comfortabel achterop de trike van mijn partner, die met de Trikers Familie Club in een colonne van zo’n zes trikes reed. Voor diegenen die een trike niet kennen: dit is een driewielig voertuig, zeg maar een motor met zijwieltjes – pardon, een cabrio op drie wielen!!! Officieel is het een auto en we hoeven dus geen helm te dragen.

We rijden graag ritjes op Ameland, stoppen wanneer we een vogeltje of een ander interessant object zien. Het is erg ontspannend, al krijgt mijn slechte arm niet de steun die nodig is en draait mijn door artrose aangetaste knie verkeerd uit als ik wijdbeens achter mijn vriend zit, boven hem uit torenend doordat de achterzit hoger is dan de bestuurdersplaats.

Ik had een idyllisch beeld van de Elfstedentocht: gezellig met een groep rijden, weliswaar tussen 3.500 motoren, en passant 15.000 fietsers zien zwoegen, terwijl ik achterop lekker rustig alles kon overzien en foto’s kon maken van het lentelandschap.
Niets bleek minder waar: het was écht afzien. Je zit weliswaar comfortabel, maar dat geldt alleen voor je rug. Bij elke scherp genomen bocht (in trikerijders schuilen motorrijders die dat niet kunnen maar wel hadden gewild) word je van de ene naar de andere kant geslingerd en moet je je aan de metalen stangen aan de zijkanten vastklampen om niet om te vallen. Daarbij heb je alleen de stepjes voor je voeten, dus het schrap zetten doe je met je hele lichaam.

Het landschap was prachtig: weiden vol met boterbloemen, zuring, pinksterbloemen en vrolijk fluitekruid in de bermen. Koeien, dorpjes, weilanden, water, en veel, ontzettend veel mensen die ons aanmoedigden. Dat was het allerleukste: al die mensen die de hele dag langs de route zaten om de deelnemers aan te moedigen. Ik had na afloop enig medelijden met Beatrix – nu beseffend hoe zwaar het is om naar al die mensen te zwaaien, wat een RSI-achtige sensatie in de polsen geeft.

Gelukkig had ik zaterdag, toen we als soort van proefrit al naar mijn ouders waren geweest en we ’s avonds ondanks motorpak en sjaal totaal verkleumd de laatste kilometers reden, al een beschermbril gekocht. Als je die niet draagt, huil je binnen drie minuten alles aan elkaar, ook als er niets te huilen valt. Mijn vriend heeft een ‘echte’ overzetbril van de opticien, ik heb er eentje bij de bouwmarkt opgescharreld en ook al staat het niet al te gracieus, het werkt wel!

Friesland heeft veel water, heel veel water. Dat moet ook wel als je een Elfstedentocht wilt schaatsen, maar al rijdend hadden we nogal wat bruggen open, wat ons veel oponthoud bezorgde. Motorrijders rijden langs ons heen en gaan vooraan bij de brug staan. Wij kunnen dus pas weer rijden als die hele brullende meute de route heeft hervat. Dit oponthoud betekende dat de meeste stempelposten al opgedoekt waren toen wij eindelijk arriveerden, maar gelukkig werden de ontbrekende stempels bij de twee nog actieve posten aangevuld, zodat het kaartje toch nog vol werd.

We haalden de eindstreep op de nipper; we waren iets voor 6 uur in het FEC-gebouw, waar de felbegeerde medaille in ontvangst werd genomen. Onderweg hebben we – naast de wachttijden bij de open bruggen – 3 stops gehad om wat te eten en te drinken. Nadat we in totaal 9 uur op de trike hadden doorgebracht, arriveerden we thuis, waar mijn vriend mij zo ongeveer van de trike moest takelen… Het was zwaar voor mijn lichaam en daar heb ik de rest van de week voor mogen boeten.
Niemand zal mij ooit weer lacherig over de tocht der tochten horen praten – ik weet nu uit ervaring hoe zwaar deze tocht is. Zelfs als je een passagier bent, die feitelijk niets anders hoeft te doen dan wat rond te kijken en een fotoserie te maken.
En toch had ik het niet willen missen. Dat schijnt hét kenmerk van de Elfstedentocht te zijn, dus blijkbaar heb ik het concept goed begrepen.

Articles

Kermit de kikker

In Natuur,Taal on 23 mei 2010 door Marjolein Stam getagged: , , , , , ,

In de afgelopen week las ik ergens dat het 20 jaar geleden is dat Jim Henson overleden is. Jim Henson, de maker van de Muppets en van Sesamstraat. Natuurlijk heeft hij nog veel meer op zijn naam staan, maar de genoemde karakters hebben hun welverdiende sporen nagelaten. Welk kind en welke wolwassene kent niet de figuren uit The Muppet Show en uit Sesamstraat?
Pas na het zien van wat YouTube-filmpjes realiseerde ik me dat met Jim ook Kermit is overleden. Immers, Jim leende zijn stem aan Kermit…

Ik had er nooit eerder bij stilgestaan. Kermit, de enige kikker van wie ik houd, is dus al 20 jaar dood! Hoe is het mogelijk dat dat altijd aan me voorbij is gegaan?
Het antwoord ligt vermoedelijk besloten in het ontgroeien van The Muppets – mijn kinderen waren ten tijde van het overlijden van Henson al te groot om nog naar Sesamstraat of The Muppet Show te kijken. Als ik later nog eens wat zag, was het een herhaling die ik dan bij toeval zonder bijgedachten voorbij zag komen.

Toen ik zo’n 20 jaar geleden een grasgroene auto had, die als vanzelfsprekend de naam “Kermit” had gekregen, moesten degenen die mij kennen stiekem lachen. Hoe kon ik in zo’n auto rijden – ik, die werkelijk panisch ben voor kikkers? Waar die angst vandaan komt is ook mij een raadsel; als kind speelde ik met kikkers en toen mijn broertje ze eens in eau de cologne ‘ontkleurde’, was ik hevig verontwaardigd over het aangedane leed. Toch is er ergens een omslag gekomen, want ik ben al zo lang ik me kan heugen doodsbang voor deze groene kwakers. Als ik er eentje zie, stap ik terug of maak dat ik wegkom, al durf ik tegenwoordig vol afgrijzen te blijven staan (mits het dier voldoende afstand van me houdt).

Ooit reed ik vol verwachting naar de vijvertuinen van Ada Hofman, om op de parkeerplaats huilend van angst een kwaakconcert van honderden kikkers aan te horen. Na lang aarzelen begaf ik me naar de kassa, waar ik vroeg “of er toevallig ook kikkers in de vijvertuinen waren?” “Jazeker mevrouw, we hebben er wel 300”, luidde het opgewekte antwoord van de receptioniste. Toen ik zichtbaar schrok, begreep ze dat haar optimisme op zijn minst misplaatst was. Ze voerde nog aan dat ik dan wel 300 kansen op een prins had, maar van het idee een kikker te moeten kussen, stonden huilen en braken me veel nader dan lachen…
Na mezelf 20 minuten moed ingesproken te hebben, ben ik onverrichterzake teruggegaan naar mijn auto, waar achterop trots de naam Kermit prijkte. De tuinen heb ik echter nooit gezien.

Donderdag liep ik via een kort bospaadje langs een vijver en speurde naar dobberdonsjes – mijn benaming voor jonge eendjes. Ik zag alleen wat volwassen eenden en een eenzame meerkoet, tot ik plots tot mijn afgrijzen een kikker hoorde kwaken. Het kikkerseizoen is weer begonnen en dat betekent voor mij oppassen bij elke sloot en niet meer zorgeloos aan de waterkant speuren naar vogeltjes die zich in riet of water ophouden.

Als je al zo lang zonder aanwijsbare oorzaak bang bent voor kikkers, is het extra vreemd om te ontdekken dat de enige kikker van wie je onvoorwaardelijk houdt, al 20 jaar niet meer blijkt te leven. Het leven is minder leuk zonder Kermit, zelfs al wist ik dat niet. De rouw begint nu pas – vertraagd met 20 jaren.
Dag Kermie, ik hield net zoveel van je als Miss Piggie deed. Misschien ben je wel de enige kikker die een prins was en is, omdat je niet kwaakte, geen vieze wratten of bollende wangen had en geen rare sprongen maakte. Kortom: je had geen typische kikkereigenschappen. Je was gewoon een fantastisch groen beest met een echte stem en een prachtige manier om met je mond je stemming weer te geven. Je was Jim Henson en hij was jou.

Het spijt me ontzettend, maar van mij mogen de ooievaars al je levende soortgenoten opeten. Mijn liefde voor de natuur omvat geen koudbloedigen in het algemeen, en zeker geen kikkers.

Articles

Natuurlijk Ameland

In Natuur,Taal,Vogels,Wadden on 29 april 2010 door Marjolein Stam getagged: , , , , ,

Nog een blog op het wereldwijde web. Zit iemand daar op te wachten?
Tegenwoordig is het bijna een voorwaarde dat je een weblog hebt. Gelukkig houd ik van schrijven, dus laat ik beginnen met een korte introductiecolumn.

Afgelopen weekend was ik weer op Ameland – één van de vijf Nederlandse Waddeneilanden, die samen ook wel de TV-TAS worden genoemd. Een mooi ezelsbruggetje voor de volgorde van de eilanden.
De Waddenzee scheidt de eilanden van de kust; aan de bovenkant van de eilanden ligt het Noordzeestrand.
Een wad is een zandplaat die bij eb droogvalt. Daar de Waddenzee niet erg diep is, kunnen mensen al wadlopend alle Waddeneilanden bezoeken. Het is niets voor mij: ploeterend en afziend door en over de wadden wadend je weg zoeken, over drabbige zandplaten en af en toe misstappend in een onzichtbare slenk of geul, waardoor je tot je oksels in de modder weg kunt zakken. Als watje bezie ik het wad wel vanaf de waterkant of vanaf een boot.

Ameland heeft een rijke historie en ondanks dat het eiland niet groot is, valt er veel te zien en te ervaren voor allen die daarvoor openstaan. Overal is natuur, overal is historie. Ik houd van alle aspecten van de natuur en Ameland heeft het allemaal: bos, strand, duinen en weilanden, en niet te vergeten de zee. Bijzonder interessant zijn de buitendijkse kwelders: gebieden achter de dijk die bij eb droogvallen en waar een enorme hoeveelheid vogels van zeer divers pluimage rust of foerageert. Het brakke water laat bij eb een rijkdom aan schaal- en schelpdiertjes en ander zeevoedsel achter; het is dan ook een drukte van belang aan het lopend buffet. Je geniet mee bij het zien van de talloze scholeksters, ganzen, eenden en allerlei soorten steltlopers die hun maaltijd nuttigen.

Hier en daar vind je direct achter de dijk de weilanden. Je ziet er kieviten die buitelend in de lucht de aandacht van hun nest afleiden, grutto’s met hun prachtige bronzen kop en lange snavel, scholeksters, eenden, en duizenden ganzen. Ganzen eten gras en hebben een dusdanig snelle spijsvertering dat ze constant door moeten eten en dus weiland na weiland afgrazen. Ze laten een enorme hoeveelheid poep achter; het gras komt er even snel uit als dat het er in gaat. Voor deze overlast krijgen de boeren een vergoeding van de Provincie Fryslân. Om de stand van de weidevogels te beschermen, krijgen ze ook een vergoeding van € 40,- per nest dat in hun weiland bebroed wordt. Die vergoeding kan aardig oplopen; momenteel broeden er veel kieviten, grutto’s en zelfs een paar kluten in het gras. Om te voorkomen dat de nesten tijdens het maaien per ongeluk vernield worden, beschermen de boeren en mensen van de Vogelwacht en Vogelbescherming deze door ze met een stok te markeren.

Als je van de natuur houdt en er oog voor hebt, kun je het hele jaar rond praktisch dagelijks genieten van de variatie in het landschap en van alle dieren en planten die dat met zich meebrengt. Ik woon in de stad en ben alleen op Ameland als ik naar mijn vriend ga. Zodra het weer het toelaat, maken we ritten op zijn trike en genieten we van al het natuurschoon dat het eiland rijk is. Het verveelt nooit! We houden allebei van rijden, van de natuur, vogels spotten en fotograferen – een ideale combinatie om het eiland en de natuur telkens opnieuw te verkennen. Hierdoor zullen veel van mijn columns over Ameland en haar natuurschoon gaan.

Maar het is niet alleen maar Ameland; de liefde voor talen was één van de hoofdredenen om weer te gaan schrijven. Fotografie is ook een grote hobby; ik houd ervan om foto’s te maken en ik ben erg kritisch over mijn werk: ik wil absoluut geen kiekjesmaker zijn!

Tot zover mijn introductie. Over andere hobby’s schrijf ik in de toekomst.
Ik hoop van harte dat je het lezen van mijn verhaaltjes net zo leuk vindt als ik het vind om ze te schrijven!