Posts Tagged ‘Friesland’

Articles

Kinderspel

In Fotografie,Natuur,Persoonlijks,Taal,Vertelsels,Vlinders & nachtvlinders on 20 oktober 2012 door Marjolein Stam getagged: , , , , , , , , , , , , , , , , , , ,

Dit stuk is geschreven voor de najaarseditie van Flinterwille, het ledenblad van Vlinderwerkgroep Friesland. Namen en plaatsen zijn verwijderd, sommige zinnen wat gewijzigd, maar verder integraal geplaatst.
Een deel is eerder aan de orde geweest in de blog
Kicken en Clicken.

Deze slideshow heeft JavaScript nodig.

Vlinders zijn altijd aantrekkelijk, maar dat moet je wel leren zien. Hoewel ik vroeger wel foto’s van doorsnee-vlinders maakte, keek ik er tegelijkertijd een beetje op neer. Iedereen in mijn fotogroep postte een gehakkelde aurelia, hoe origineel was dat nou? Tegelijkertijd dacht ik dat ‘echte’ vlinderaars à la Erik (van Godfried Bomans) met een netje over de heide huppelden. Maar of zulke mensen en kinderen nog bestonden, dat wist ik niet. Ik had ze tenminste nog nooit gezien, ondanks mijn vele natuurtochten.

Tijdens mijn zomer op Ameland ging ik pas echt goed naar vlinders kijken. We reisden het hele eiland af, eigenlijk speurend naar vogels. Natuurlijk zagen we daarbij ook vlinders en we raakten allebei geïntrigeerd door de zilveren maan die op de Amelander bus prijkt. We dachten die in grote getale gezien te hebben, maar determinatie via Vlindernet leerde ons dat het om de duinparelmoervlinder ging. Hoe dan ook: een liefde was geboren: wij zochten overal en vonden veel – behalve de zilveren maan … Die werd voor mij een ‘must’!

Het jaar daarop was ik weer solo en na een langdurig warm familiebezoek aan Indonesië viel ik in het spreekwoordelijke gat. Ik kwam terug tijdens de natte, koude zomer van 2011 – een kille zomer, praktisch zonder vlinders. Totdat ik op die zwoele septemberavond naar Buitenpost reisde en deelnam aan de Nationale Nachtvlinder-Nacht en daar kennismaakte met leden van de Vlinderwerkgroep. Naast de verbazing over de pracht van de nachtvlinders, was ik nog meer verbaasd over de kennis van de jongen die mij bijlichtte voor de foto’s en mij daarbij informeerde over de desbetreffende vlinder. Kinderen die zeiden dat het wel een beetje dom was dat ik geen zaklamp had, want hoe kon je anders vlinders vinden in het donker??
Ik heb genoten die avond, niet in de laatste plaats door dat eerlijke jongetje, dat zoveel geduld had met een domme nieuwkomer van 55. Maar ook van de saamhorigheid die in de groep heerste, van de fotogenieke walstropijlstaart die vanuit Frankrijk was meegebracht en van de medefotografen die met hetzelfde doel als ik de vlinders op hun mooist probeerden te fotograferen. Die avond heb ik me meteen aangemeld als lid van de Vlinderwerkgroep en daarmee hoorde ik weer ergens bij en hoefde ik niet meer alleen op pad.

In het voorjaarskrantje stonden de geplande excursies vermeld. Het leek mij een goed idee mij daarvoor aan te melden, maar dat had heel wat voeten in de aarde: beperkt qua vervoer en door kwaaltjes niet altijd even mobiel was het lastig om de verzamelplaats te bereiken. Ik dacht ook nog niet als een vlinderaar: het kwam niet bij me op om de aardbeivlinder even op te zoeken en te bekijken hoe interessant die is. Ik maakte me zo druk over vervoer en het slechte weer dat ik die excursie aan me voorbij liet gaan.
Achteraf zag ik toevallig dat er wel degelijk aardbeivlinders gezien waren en ik besloot me voortaan nergens meer van te laten weerhouden: ik wilde mee op excursie.

Mijn eerste excursie was op een koele zaterdagmiddag, waarbij een waterig zonnetje doorbrak. Ik werd bij een station opgepikt en was er helemaal klaar voor. Dacht ik … Ik had dan wel een zaklantaarn gekocht, maar natuurlijk was ik niet voorbereid op het gebied dat men beter de Nattige Meente had kunnen noemen – mijn nieuwe schoenen werden diverse keren in bruinig modderwater ge- en herdoopt en nog weken nadien jeukten de bulten van de dazen die zich een weg in mijn lange broek hadden gevlogen. Ik droeg geen sokken … stom, stom, stom. Het zware lopen door het zompige terrein en mijn angst voor kikkers maakte het me niet makkelijk en hoewel er mensen met schepnetten liepen, deed niets mij aan de Erik van Bomans denken. Niks huppelen, ploeteren!

Langzaamaan begon ik wat mensen te leren kennen, waarbij de senior van de groep die op eerbiedwaardige leeftijd voortploegde, onderwijl Latijnse namen noemend bij een bladstipje of een plantje aanwijzend, diepe indruk maakte. Maar ik vond de brede kennis van alle groepsleden indrukwekkend: men wist zóveel over zóveel verschillende zaken! De een was van de planten, de ander van de poppen, een derde kende alle libellen en een vierde kende het gebied als zijn broekzak. Daartussendoor liepen kinderen, zoekend naar alles wat vleugels heeft. Wat me opnieuw het allermeest trof, was de behulpzaamheid: niet alleen de kennis werd met plezier gedeeld, ook vlinders werden met liefde aangewezen en er werd ruimte gemaakt voor ieders camera; niemand hoefde een primeur.

En toen zag iemand de zilveren maan … Ik was er stil van (helaas is dat nooit te merken): daar zat hij of zij, helemaal alleen in dat uitgestrekte gebied, in een zonnestraaltje. Ik ben zelden zo gelukkig geweest als op dat moment, en toen ik nota bene die ene stip die de zilveren maan kenmerkt, aan iemand wist aan te wijzen, kon ik mijn geluk helemaal niet meer op. Ik wist ook iets! Maar er kwam nog meer moois: de vondst van een grote vuurvlindervrouw. Wow, dat was een ongelooflijk moment! Ik heb er de blog ‘Kicken en clicken’ over geschreven. Mijn camera maakte overuren en ik voelde me diep gelukkig dat ik dat moois had mogen aanschouwen.

Op zeker moment ben ik teruggegaan, net voordat er ook nog een mannetje ontdekt werd. Enerzijds was ik kwaad op mezelf, anderzijds wist ik dat ik allang over alle fysieke grenzen was gegaan en echt niet verder kon. Terug bij de verzamelplaats was ik kapot maar zo intens blij; dat gevoel dat ik zo gemist had, was terug. Dankzij de bijzondere vlinders maar zeker ook dankzij de leden van de Vlinderwerkgroep!
Na nog een gezellig en calorierijk samenzijn werd ik naar huis gebracht met afspraken over waar ik over twee weken opgepikt zou worden. Een paar dagen later werd ik gebeld en ging mee naar ‘een’ heide achter Drachten, waarbij ik eindelijk als een vlinderaar begon te denken: ik was op last van mijn gastvrouw goed beschermd met sokken over de broekspijpen en had me ingesmeerd met muggenspray. Ik bleek bovendien evenveel te zien als zij, waardoor ik probleemloos mee kon tellen. Wederom een mooie en rijke ervaring, waaruit een leuke vriendschap ontstond.

Twee weken later was er de excursie op een grote heide en daar had ik wél het gevoel van een huppelende Erik die met zijn netje vlinders vangt: daar werd ook met het net gewerkt, en met potjes om de vlinders goed te kunnen laten zien. Ik heb de komma op de kommavlinder door de mazen van het net gezien, maar op mijn foto heeft het net de overhand. Dat is niet erg; ik heb daar zóveel moois gezien! Het gebied was prachtig, het weer was goed, er was een grote variëteit aan begroeiing en ook aan vlinders en er was weer die saamhorigheid die me zo aanspreekt. Al raakte ik op zeker moment iedereen kwijt en moest ik me een weg banen door brandnetels en plassen met mijn te zware bergschoenen, ik bleef genieten.

Al in het begin zag ik een bruine vuurvlinder, die ik pas later herkende – toen ik me met iemand anders in duizend bochten wrong om een ander exemplaar op de foto te krijgen. Ook een parend paart heideblauwtjes liet zich moeilijk schieten; er waaide een vaag soort wind vlak boven de grond, waardoor de foto’s snel onscherp werden. Maar het is uiteindelijk meestal wel gelukt: een eikenpage, bruine vuurvlinders, kommavlinders, een kaneeldingetje in een potje en een bibberige zuringspanner.
Als bonus was de omgeving ook erg boeiend: op het laatste stuk, net voorbij het water (waar ook een interessant verhaal aan vastzat), pronkte klokjesgentiaan in lange blauwe rijen over het pad en even verderop stond een pluk gele cantharellen te lonken.
’s Avonds, wederom na de gezellige vette hap en samen wachtend op het weer, prijkten roodgloeiende pollen mos tussen gouden gras, onder een prachtige zonsondergang.

Ook tijdens deze excursie verbaasde ik me over de enorme kennis die er is en kwam ik langzaam maar zeker achter ieders diverse vaardigheden. Het leukst bleef ik de twee jongens vinden die behendig macro’s en micro’s in potjes vingen – zij hadden geen net nodig. Aan hen is dit verhaal opgedragen. Deze kinderen mogen dan wel fantastisch en met een aanstekelijk enthousiasme kunnen vlinderen, het vlinderen zoals ik dat nu gezien heb en dat zij ook lieten zien, is absoluut geen kinderspel! Verre van dat: het is kennis van de natuur en van de vlinders, de habitat, de rupsen, de poppen, alles. Een leeftijdsloze kennis, waardoor leden van 9 en van 90 evenveel plezier beleven.

Dank jullie wel, jongens, en dank jullie wel, vlinderaars van de Vlinderwerkgroep, dat jullie iemand zo opnemen in de groep en dat iedereen goed kan en mag zijn in wat hij ‘toevallig’ kan. Ik kijk uit naar de najaarsbijeenkomst en vooral naar volgend seizoen, want al heb ik enkel een guppenschepnet, ik spaar al wel potjes voor de komende excursies en heb notitieboekjes om te noteren wat ik zie en ga zien. Misschien ben ik een vlinderaar in wording, maar het is nog maar kinderspel. Het echte werk moet ik nog verder van en met jullie leren.

Articles

Fryske Falentijnsdei

In Taal,Vertelsels,Woordspelingen on 14 februari 2011 door Marjolein Stam getagged: , , , , , , , , ,

Fryske minske skriuwe krekt so as se prate, dus it haw niet sofeel sin om yn it Frysk te skriuwe. Se kenne wol de w sizze, maar net de … ‘fee’, en de … ‘set’ is hier ok onbekend. So sizze se dat ‘t hjoed Falentijnsdei is.

De Friese en fooral de Diepfriese fiene et mar niks, al die Hollanders hier, die allemaal “’t Ken net” sizze en lache om de modder die hier in sakjes ferkocht wur. Fan de aore kaante lache se sich in bult want se hawwe ien hiele prötte stede, maar met dieje 11 waor slote langs grave syn, staat hiel Holland op e kop as d’r by in temperatuur van -1 oer net aans as “DE tocht” praot wurre. En da’s knap goeie reklame!
(De ch is yn ‘t Hollands een g, en de g spreekt men hier op s’n Engels stom uit. Spot nooit met die G!)

Dan hawwe se noch bocht dat se beerenburg noemd hawwe. Je trinke dat hier mei cola of puur. ’t Is mar goed dat se de b wel sizze kenne, aors sat je ok noch peerenpurg te sûpe. En ’t is al suk smerig spul. Je ken’t hier sels gemikst in blikjes kope! Ach, oerol waor de Fryske Flean mei de pompeblêren yn de wyn wappert, trinke se’t krekt as wetter. Wetter is d’r sat hier, en de mooie Seediek mei de diekskiepe die naor de skippe kieke, daor krie’j as Hollander nooit genoch fan.

Yn Ljouwerd, de Haasted, wolle de minske niks witte fan de aore minske ût de provinsje (sie hawwe wrempel ien v funne! Da skielt nogal mei ’t veeferfuoer!). Yn Ljouwerd libbe gien Friese, mar Liwadders. Die kenne ’t Fryske Folksliet net. Die prate hiel aas: se segge alles ‘suh en suh’, en ‘ah juh, net so seuruh, juh’ en freegje wat ‘jou fedaag deen haw’, waor in oprjochte Frysk freegje wat jo hjoed daene hawwe. As ik ‘t guoet haw, hoor, ik bin mar in armetierige Hollander die net begripe ken dat minske komme sneupen (dan kenne se opeens wèl de n achter ’t wurkwoord!), of dat je net snappe dat se met in stokje in kleerhanger bedoele.

De mooiste is toch de neef. Nefe houwe sich yn sliepkaemers op en prikke jo lek as jo sliepe wolle. Da wa in Holland in neef is, is bekaant hiel iets âors. En tinkst do dan eindelik da je begripe da se in ‘mug’ bedoele, dan is da hier in ‘flieg’… Freegje jo dan wat ze tegen in ‘vlieg’ sizze, dan krijgst as antwoord: niks, die sloegje wy doad.

En nou is’t bekaant Falentijnsdei. In neie dei en elken dei riedt men oer de wei. En dat is dan weer net oer de greiden! Fiets hier nooit oer weiden en greiden: jo worre doadrede of fetrapt door de Ûs Memme, de zwart-bonten. ‘Jo’ is trouwes erg beleefd um te sizze: het betekent ‘u’, behalve as je wat umfietst en een prötte folk guoie segt.
Ja, ik leer het wel, ondanks de indoktrinatie fan de Liwwadders die hun kulturele erfgoed hielegaar kapot meitsje. Sels onskuldige musjes kenne nie meer frij rondfladderje yn ’t FEC, se wurre sonder pardon afskote. Fut d’r met, Liwwadders wolle sels hun eige D-day en net allenig bekend syn um de Bonkevaert. Fûle stadse Frieserikken!

Falentijnsdei, wat mutte d’r mei? ’t Wur gien Elfstedenwaar meer, dus dat falle al fut. Foar d’eilande is ’t noch te kâld. De toeriste hawwe allegaere al in ‘koud he’-mutse en de griene tsiis wur allenig door d’ oprjochte Frysk ite, want met die brandneteltroep d’rin lust fierder gien hond da spul, krekt sa min as dieje kruudnagelworst. In Jouster pofke of in sûkerbaole, daor wil ek noch wel dr’s in hapke fan nimme en in Dokkumer kofje die oerol útsein yn Dokkum te kriege is, smeitsje ok wol guoet.
Meskien is t’r al een ljipaai te fienne, dat is te probearje as attraktie, nettsjinsteande it kâlde waar.

Moraal fan dit ferhaal: prebeer net mei te prate as jo ’t net sizze ken. Hollanders, waart u! Je ferstaat d’r krekt niks fan en je lere self de fee en de set af, sodat je d’r nooit meer wegkomme. En as je dan gaat skriuwe, sloegt ’t nerges op. Allenig dat ’t Falentijnsdei is. Sneon en snein sitte d’r weer op, fedaag – moandei – is ’t Falentijnsdei, da’s bès genoch fuor reade blomkes as in blied hert fuor dy sleagje.
Lang wie it kâld en tsjuster, aanst komt de dei, fynt it ljocht syn wei, yn Falentijnsdei.

De leste regel is in variant op in sin ût In neie dei fan De Kast.

Articles

Tied veur Twents – verdan

In Simpel schrijfwerk,Taal,Vertelsels,Woordspelingen on 1 februari 2011 door Marjolein Stam getagged: , , , , , , , , , , , , , , , , , ,

Wie goat weer verdan met ’t vehaal oaver Jozef en Maria in Bartlehiem. De leste zinne was:
Zo geet dat met diej’n reizend’n Tukkers.

Jozef had’t wah probeerd, doar kan’k niks van zèng. Hi’j had wah wat veur zijn mèk’n oaver, maar zie kwaam nig in ’t hotel, zie mossen toch in ’n stal. En wat denk ie? Doar stund’n ‘nosse en … ’n èzel.
Ik vroage mie noe al joarn of of dat zien eing gehuurde èzel was of ’n aandern. Want as ’t ’n aandern was, woar was de ziende dan? Bie ’t èzeltrefpunt? Bie rentedonkie? Fokt’n ze doar èzels in Bartlehiem of grøjn die doar soms in ’t wild? Mar good, d’r stund dus ’n èzel in ’n stal. En ‘nosse. Schienbaar gönk dat good saam, ik wit ’t echt nig. ’n Koo was dugmie haandiger ewèst, daor ku’j melk oethaaln, moar wa’j as cafébaas noe toch met ‘nosse mut, das mi-j ’n roadsel.

Dah zie derèk zaang dat ’t ‘nosse was, dat vink wah knap. Ie mut d’r nog wah raar veur goan ling om dah te bekiek’n, maar Maria zal wah derèk van de sokk’n goan wèn en op ’n vodse in ’t heui teregkomm’n wèn.
Ik denke nie dat zie vølle hoem te pers’n, den èzelrit had ’t zowat ah wah daon. Josef mos nog onmeunig anmaak’n um ’n fosse heui of stro in ’n voerbak te leng want hi’j had zich nog niet ummedreid of doar was ’t wich ah. ’t Was een keerltie maar dah wuss’n ze ah. Zie trøkken ’n olde todde an fladden zodat ze pempers hadd’n en daor lag Jezus dan. Kloar. Oaver deup’m wødt ok niks ezèg en zie bint in’t oostn zowat ammoale katteliek. Mangs begriep ik niks van ’n Biebel.
Ok oaver ’n navelstrenge wødt gien woord ‘eschreem, ok ah zo vremd. Ik denke toch nie dat zie een goeie schere hadd’n in die tied, en as zie’m hadd’n, lag-e wis en wrachtig nig in ’n stal!
Maar misschien hef ’n èzel de boel op’evrett’n, dah kan. ’t Is good ekomm en da’s ’t veurnaamste.

Oh joa, en dan he’j nog gezever oaver herders die bie Dracht’n laang en die van ammoal zing’de Engelsen derèk noar de stal woar ’t wicht lag, henne moss’n. Bartlehiem is nog wah een knap ènde van Dracht’n of, en moss’n die herders dan niet teld wørn? En woar die Engelsen iniene vut kwaam, week ok ah nig. D’r was toch gien Viefsteentoch (ie heurt nigs van ‘niesmeester of wah dan), dus zie bint ’t Knaal ok nie oaver komm gliern. ’t Mag dan gloep’ns kold ewèst hem, mar as die gliertocht d’r was ewès, was d’r dugmie wah knap oaver kuierd. Nee, die Engelsen bin’t mie ok ah ’n roadsel! Meschien hef dah zing d’rmet van doon, dasse oefen’n veur ’n konkoers of wat. Ik prakkezere d’r ok nig meer oaver, ik gleuf’t ammoah wah. Zo heurt’t ja ok.

’t Was ’n knap drokke bedoening daor in ’n stal: zie kwaam ammaoh te kraomschudd’n. De cafébaas haald’n rap ’n paar pott’n boer’njongs en van dah smeerge peern- of beernspul oet de veurroadkaste en verkoch bès. Veur de kraomvrouwe had-e netuurluk braandewien en donker bier veur ’t zog. Ik gleuve dat-e nog jaor’n ’n stal verhuurd hef an luu die ok zon ‘netuurluke kraom’ woll’n, en dat-e d’r vrekte good met oetesprøng’n is. Mangs hebt ze ’t er nog wah’s oaver hoe’n mooi’n tied dah was. Dan wødt ‘r op’m boernwaang trouwd in ’n stal en d’r wødt daans’n en zøng’ dat heurn en zeen oe vergeet.

Noe gleuk dat de Timmermans met ’t wichie nog lange en gelokkig lèm, mar dah was ammaoh zo’n gedoe um te lèz’n da’ wie dah maar veur waor annemt.
Dah book gunk nog ‘neeln zet vedan en ik hadde ok gien zin um alles te lèz’n want de rest was gleuk ok gien kestvehaal. O joa, wiezn oet toostn, die haan d’r ok nog met van doon! Die luu kwaam umdat ’n sterre de weg ‘eweezn had. Vezèls! Keizers, wiezn, Engelsen, ’n sterre, ik wit-t ammaoh nig maor ’t kump mie wah vremd oaver. Zie haan better naor Franeker kunn gaon, daor he’j ok ’n prötte van die luu zitt’n die ze nig geern op stroate zeet. Die zeet ok sterregies en hebt d’r sels ’n old’n zolder met vollemaak. In dah hoes mu’j zoa onmeunig noar boam’ kiekn da’j d’r gek van wødt.
Dah was nog wah ’n gedoo met diej’n Eise en zien buurn, mar ’t is um dan toch elokt en doar hep ze noe nog alle daang ’n prötte anloap van. Die sterre zal dus wah naar Franeker scheen hèm, kump mie veur.

En wiezn komt joa ait oet toostn, doar haan ze al nig zoa oaver schriem hoem, das toch vezèls? Op alle aandre plekk’n bi’j nig wies aj wiest – o’j noe van Bartlehiem of van Dracht’n komt, mè-da’j wiest, kom ie in Franeker in ’t gekk’nhoes oet. In toostn ku’j wah wiez’n, doar kömp völle volk van oaver de grènze umda toostn doar nog ’n heeln zet vedan geet. Doar bint ze wah wiezer dan noar sterr’n te wiez’n, zie wødt bie de gedachte ah benauwd dah diej’n zingde Brek met zien slager d’rop ofkump!

Moraal van ’t vehaal: waart oe veur Tukkerse ketierties. Veurda’j wit, mu’j dwars deur Frieslaan reiz’n en kommieop de gekste tiedn op de vremdste stee’n de raarste ding’ teeng!

(*D’r zatt’n toch maor twee Finkersgrapp’n in. De rest kwaamp ammaole oet ’n biebel en oet toetsnböd.)

Articles

Elfstedentocht

In Natuur on 28 mei 2010 door Marjolein Stam getagged: , , , , , , ,

De tocht der tochten, de Elfstedentocht. Eindelijk kan ik zeggen dat ik hem heb gereden.
Niet over, maar langs water, langs de elf steden, 260 kilometer zonder training vooraf. Ik ben er nog kapot van! Het was een barre tocht, het was afzien en doorgaan, verstand op nul, blik op oneindig.

Denk nu niet dat ik zo sportief ben dat ik de fietsroute van 240 kilometer heb gedaan… Ik zat relatief comfortabel achterop de trike van mijn partner, die met de Trikers Familie Club in een colonne van zo’n zes trikes reed. Voor diegenen die een trike niet kennen: dit is een driewielig voertuig, zeg maar een motor met zijwieltjes – pardon, een cabrio op drie wielen!!! Officieel is het een auto en we hoeven dus geen helm te dragen.

We rijden graag ritjes op Ameland, stoppen wanneer we een vogeltje of een ander interessant object zien. Het is erg ontspannend, al krijgt mijn slechte arm niet de steun die nodig is en draait mijn door artrose aangetaste knie verkeerd uit als ik wijdbeens achter mijn vriend zit, boven hem uit torenend doordat de achterzit hoger is dan de bestuurdersplaats.

Ik had een idyllisch beeld van de Elfstedentocht: gezellig met een groep rijden, weliswaar tussen 3.500 motoren, en passant 15.000 fietsers zien zwoegen, terwijl ik achterop lekker rustig alles kon overzien en foto’s kon maken van het lentelandschap.
Niets bleek minder waar: het was écht afzien. Je zit weliswaar comfortabel, maar dat geldt alleen voor je rug. Bij elke scherp genomen bocht (in trikerijders schuilen motorrijders die dat niet kunnen maar wel hadden gewild) word je van de ene naar de andere kant geslingerd en moet je je aan de metalen stangen aan de zijkanten vastklampen om niet om te vallen. Daarbij heb je alleen de stepjes voor je voeten, dus het schrap zetten doe je met je hele lichaam.

Het landschap was prachtig: weiden vol met boterbloemen, zuring, pinksterbloemen en vrolijk fluitekruid in de bermen. Koeien, dorpjes, weilanden, water, en veel, ontzettend veel mensen die ons aanmoedigden. Dat was het allerleukste: al die mensen die de hele dag langs de route zaten om de deelnemers aan te moedigen. Ik had na afloop enig medelijden met Beatrix – nu beseffend hoe zwaar het is om naar al die mensen te zwaaien, wat een RSI-achtige sensatie in de polsen geeft.

Gelukkig had ik zaterdag, toen we als soort van proefrit al naar mijn ouders waren geweest en we ’s avonds ondanks motorpak en sjaal totaal verkleumd de laatste kilometers reden, al een beschermbril gekocht. Als je die niet draagt, huil je binnen drie minuten alles aan elkaar, ook als er niets te huilen valt. Mijn vriend heeft een ‘echte’ overzetbril van de opticien, ik heb er eentje bij de bouwmarkt opgescharreld en ook al staat het niet al te gracieus, het werkt wel!

Friesland heeft veel water, heel veel water. Dat moet ook wel als je een Elfstedentocht wilt schaatsen, maar al rijdend hadden we nogal wat bruggen open, wat ons veel oponthoud bezorgde. Motorrijders rijden langs ons heen en gaan vooraan bij de brug staan. Wij kunnen dus pas weer rijden als die hele brullende meute de route heeft hervat. Dit oponthoud betekende dat de meeste stempelposten al opgedoekt waren toen wij eindelijk arriveerden, maar gelukkig werden de ontbrekende stempels bij de twee nog actieve posten aangevuld, zodat het kaartje toch nog vol werd.

We haalden de eindstreep op de nipper; we waren iets voor 6 uur in het FEC-gebouw, waar de felbegeerde medaille in ontvangst werd genomen. Onderweg hebben we – naast de wachttijden bij de open bruggen – 3 stops gehad om wat te eten en te drinken. Nadat we in totaal 9 uur op de trike hadden doorgebracht, arriveerden we thuis, waar mijn vriend mij zo ongeveer van de trike moest takelen… Het was zwaar voor mijn lichaam en daar heb ik de rest van de week voor mogen boeten.
Niemand zal mij ooit weer lacherig over de tocht der tochten horen praten – ik weet nu uit ervaring hoe zwaar deze tocht is. Zelfs als je een passagier bent, die feitelijk niets anders hoeft te doen dan wat rond te kijken en een fotoserie te maken.
En toch had ik het niet willen missen. Dat schijnt hét kenmerk van de Elfstedentocht te zijn, dus blijkbaar heb ik het concept goed begrepen.