Archive for the ‘Vogels’ Category

Articles

Terugblik

In Fotografie,Natuur,Persoonlijks,Simpel schrijfwerk,Vlinders & nachtvlinders,Vogels on 1 januari 2014 door Marjolein Stam getagged: , , , , , , , , , , , , , ,

Ondanks mijn zwenkende arm was 2013 een goed jaar voor mij. Ik ben twee keer ‘op vakantie’ geweest en het grootste deel van de Kerstdagen bracht ik bij familie door. Deze uitjes waren mogelijk doordat er een paar keer een forse dosis steroïden in mijn schoudergewricht en/of -spiergordel was gejast, waarna ik wat mobieler was. De perioden dat de injecties niet (meer) werkten, bracht ik gewoontegetrouw liggend op de bank door. Wel een andere bank dan voorheen; ook wat ‘nieuwe’ spullen betreft was het een bijzonder jaar. Mijn ‘nieuwe’ (lees: gebruikte) bank zit voor geen meter, maar staat mooi en ligt erg lekker 🙂 Met de salontafel van mijn ouders erbij ziet de voorkamer er heel anders uit.

25 tm 31-5-2013 Zuid-Limburg 272 De vakantie-uitjes waren super. Eind mei bracht ik een kleine week in het Zuid-Limburgse Geuldal door (waar ik met fiets en bepakking in de trein mijn schouder ongeweten en ongewild meteen weer zwaar overbelastte). Het was prachtig daar, al was het niet altijd even simpel om mezelf telkens weer te moeten oppeppen om wat te gaan ondernemen. Het weer was wisselend, sommige heuvels waren een categorie te zwaar voor mij, maar de omgeving was in alle gevallen adembenemend. Ik maakte kennis met een taalforumvriendin, met wie het plezierig toeven was. Zij reed mij met de auto door het prachtige landschap en samen zochten we borden met taalfouten.

25 tm 31-5-2013 Zuid-Limburg EOS 064 ’s Avonds wandelde ik vanuit mijn B&B naar een restaurant waar moeder bonte specht haar jongen voerde – een prachtig tafereel! 25 tm 31-5-2013 Zuid-Limburg EOS 087

Het geel zinkviooltje, waarvoor ik feitelijk kwam, bleef een falende queeste, maar daar stond zoveel bijzonders tegenover: een daslookvallei en een berm met indigoblauwe rapunzels in het Savelsbos, een dwerghuismoeder die langs de Geul fladderde, veel verschillende vogels en al die uitbundig bloeiende oevers maakten deze vakantie meer dan waard. En de huizen daar: vakwerk!
25 tm 31-5-2013 Zuid-Limburg 285 25 tm 31-5-2013 Zuid-Limburg 323

Begin augustus paste ik een lang weekend op bordercollie Bjorna in de stacaravan van haar baasjes, in Noordwolde. Wat heb ik ook daar genoten van de bosrijke omgeving, van Bjorna, met wie ik al ballen gooiend wandelde, van de natuur en van het lekkere weer. Het was heerlijk om zo weer even uit te zijn. Ook hier was mijn fiets mee, waardoor ik meer vrijheid had en ik zelfs naar een vlinderexcursie zo’n 16 kilometer verderop ben gefietst! Zowel Noordwolde als De Kiekenberg boden legio vlindersoorten met voor mij zelfs nieuwe dagvlinders zoals het koevinkje en de distelvlinder. Teruggekomen van de logeerpartij, bleek ik een (naar ik dacht dode) hyena meegenomen te hebben, die na twee dagen op wonderbaarlijke wijze weer tot leven kwam. 10-08-2013 excursie Kiekenberg EOS 068

Het was sowieso een prachtige zomer met veel nachtelijk bezoek: ik had een blauwe lamp voor het raam hangen, die tot mijn verrassing veel nachtvlinders aantrok. Vrijwel elke avond toog ik enkele keren naar buiten om met een zaklamp foto’s van deze schoonheden te kunnen maken. Er ging een heel nieuwe wereld open en ik wist weer waarom ik lid van de Vlindervereniging was geworden: bij de eerste Nachtvlindernacht al was ik zwaar onder de indruk van alle nachtprachten die daar op het laken plaatsnamen. Datzelfde ervoer ik tijdens de excursie naar de Lindevallei, waar ’s avonds ruim 100 soorten op het doek poseerden. Hier thuis heb ik ook verschillende bijzonderder soorten gezien, zoals (o.a.) de splinterstreep en twee exemplaren van de zeldzamere boksbaardvlinder. Ik heb verder nog bijna niets op naam gebracht – dat leek me een leuk winterkarweitje, maar tot nu toe winterde het nog niet zo heftig 😉

30 tm 31-12-2013 008In het afgelopen jaar heb ik geleerd bij de dag te leven en te genieten van de mooie dingen. Naar een idee op Facebook had ik een ‘goede-dingen-pot’, waarin ik bij elke gelegenheid een briefje met het ‘goeds’ stopte. Mede daardoor heb ik veel meer goeds kunnen zien en vooral dat goede veel zwaarder kunnen laten wegen dan de minder goede dingen. Ik voel me niet meer eenzaam en neem de problemen met mijn zwenk-arm zoals ze komen: ik leef meer bij de dag en tel de heldere uren.
Dat komt natuurlijk mede door de prachtige zomer met al die geweldige vlinders die op de vele vlinderstruiken neerstreken. Het komt echter het meest doordat ik anders in het leven ben gaan staan, door tevreden te zijn met mijn leven en met alles wat zich daarin afspeelt. Door de afbouw van verslavende pijnmedicatie, waarvan ik alleen maar suffig werd en die uiteindelijk niet hielp tegen de pijn in mijn arm en schouder. Daartegen helpt alleen rust en ook dat heb ik geleerd.

Kortom: ik kijk terug op een prachtig jaar en vol vertrouwen naar een even mooi 2014, met als enige goede voornemen: vaker en regelmatiger bloggen.
Iedereen een heel gezond, goed en gelukkig 2014 met veel rijkdom gewenst – rijkdom, die niet in materiële dingen hoeft te zitten!

Noot: ik had graag meer foto’s in een slideshow toegevoegd, maar dat lukte me helaas niet. Mocht iemand weten hoe dat moet, dan hoor ik dat graag!

Articles

Vleugellam

In Fotografie,Natuur,Persoonlijks,Qualen,Simpel schrijfwerk,Vogels on 24 september 2012 door Marjolein Stam getagged: , , , , , , , , , ,

Jaren geleden, tijdens de enige vakantie die ik ooit in Frankrijk doorbracht, zat er midden op een landweg een vleugellamme groene specht. We stapten uit de auto en de specht liet zich van dichtbij bewonderen en fotograferen. Pas toen we hem op wilden pakken om te kijken wat het dier mankeerde, vloog het moeizaam weg. Ik ben het nooit vergeten: zo’n wilde schoonheid, zo’n kwetsbare vogel, die niet weg kon vliegen toen de vijand naderde en ver boven zijn krachten moest gaan om ons toch te ontvluchten … Het arme dier.

ImageIets soortgelijks gebeurde een paar jaar geleden tijdens een vakantie in Sauerland, waar een boomklevertje kennelijk tegen de afscherming van het terras was gevlogen en daarna versuft op de tafel zat. Zo’n klein vogeltje met enorme, krachtige poten, een vogeltje dat zich nooit van zó dichtbij zou laten zien, gaf al z’n geheimen prijs! Dat ik toen toch niet de perfecte foto kon maken, heeft me lang dwarsgezeten. Maar waar klaag ik over; ik heb een serie ‘goede’ foto’s, die weliswaar niet overal voldoende scherpte hebben, maar die wel het vogeltje in alle schoonheid en tot in detail laten zien, tot een opgewaaid veertje aan toe.

Omdat ik nogal van de perfectie ben, vergeet ik soms dat een vogel of vlinder niet de perfecte afstand houdt of niet perfect stil blijft zitten voor mij; het is nu eenmaal geen afgericht diertje. Bovendien blijft het mensenwerk met de beperkingen die mijn camera heeft: ik heb weliswaar mooie lenzen, maar ik heb geen toeters waarmee ik een halve kilometer verderop scherp en duidelijk een vogeltje kan spotten dat een vuiltje uit z’n neusgat peutert. Ik ben wel heel trots op de foto van de klepperende ooievaar die ik in ons Aquazoo-dierenpark heb kunnen nemen, en ik genoot enorm van het fotograferen van de roofvogels in een dierenpark in Sauerland en ook van de resultaten van die serie. Door hun relatieve vrijheid kon je ze zo dicht naderen dat je alle details kon zien en deze in Imageclose-ups kon vastleggen. Ook als zij tijdens de show hun kunstjes uitvoerden, leken zij volkomen vrij rond te vliegen in die prachtige omgeving. Maar ze waren wél gekortwiekt – onzichtbaar vleugellam doordat een veer strategisch ingekort was en zij niet te ver konden vliegen. Bovendien waren zij voor hun eten en zelfs voor hun ‘vrijheid’ afhankelijk van mensen; zij werden aan de ketting gevoerd of kregen een dood kuiken als beloning voor hun vliegkunsten. Die beloning was zoveel waard dat een rode wouw, die blijkbaar ook wel een pootje mee wilde pikken, ook duikvluchten maakte voor het grote publiek. Maar de wouw niet naar de valkenier voor zijn beloning, daarvoor was hij te zeer écht wild. Gelukkig maar.

De foto’s van de ooievaar en van die roofvogels zijn erg mooi geworden doordat ik zo dichtbij kon komen. In de vrije natuur komt dat maar zelden voor – je komt hooguit een verdwaasd klein bolletje veertjes tegen nadat het ergens tegenaan is gevlogen, met angst in de ogen omdat het niet meteen kan vluchten. Angst voor de grootste vijand: de mens. Het diertje moet bijkomen voordat het weer weg kan vliegen en langs boomstammen kan scharrelen en het moet de tijd krijgen zich te herstellen. Toch ging onze behoefte om foto’s van deze zeldzaamheid te maken voor en ook ik negeerde de angst, al raakte ik het diertje niet aan.

De afgelopen weken was ikzelf ook weer vleugellam; mijn slechte arm en schouder deden zoveel pijn dat ik als een verdwaasd vogeltje op de bank hing en niets kon. Mijn angst manifesteert zich bij de dokter in de witte jas, die altijd weer een andere diagnose heeft dan alle diagnoses die ik al kreeg … Ik word voor de zoveelste keer met een nieuw kluitje het riet in gestuurd.
Het geeft een gevoel van saamhorigheid met zo’n weerloos vogeltje. Alleen transformeer ik me in mijn angst tot een boos pikkende kraai in plaats van mijn weerloosheid te tonen en werk ik mezelf daarmee in de nesten. Terwijl ik juist uit die nesten wil en verder wil, vleugellam of niet!
Ach, laat ik het voorbeeld van de gewonde vogels maar volgen en mijn tijd nemen om bij te komen. Met gepaste afstand tot de mens in de witte jas.
Image

Articles

Toeval versus karma

In Fotografie,Natuur,Persoonlijks,Qualen,Vogels on 9 februari 2011 door Marjolein Stam getagged: , , , , , , , , , , , , , , , , ,

“Toeval is een ander woord voor God”, zei een oude vriend altijd. Ikzelf denk dat toeval niet bestaat. Ik geloof in karma, de levensles die je telkens opnieuw aangereikt krijgt om een wijzer en beter mens te worden. Dat is mijn overtuiging.

Onlangs schreef ik over misofonie en gordelroos en prompt begon laatstgenoemde opnieuw te bloeien, ditmaal vanaf een naburig zenuwuiteinde. Ik weet wel zeker dat deze nieuwe herpesuitbraak te wijten is aan de combinatie van de intake AMC, de lange reis en alle gedachten over misofonie die de vele vragen bij me opriepen. De dag was zo vermoeiend dat ik besloot vooralsnog af te zien van deze trial & error.
Misofonie is een raar fenomeen, dat schreef ik al. Uit de intake begrijp ik dat het een trigger uit je jeugd is, iets vervelends of iets waarvan je bent geschrokken. Toen dat geluid zich enkele malen met de bijbehorende associatie herhaalde, maakten de hersens de denkslag: “mensen die eetgeluiden maken, geven mij een intense afkeer en angst”. Achteraf logisch; ik herinner me vele angstmomenten uit die tijd. Mijn ex-man met zijn gooiende pinda’s was niet ‘mijn grote liefde’, waardoor zijn pindaworpen de misofonie onbewust verhevigden. Dat was wellicht anders gelopen als ik een betere partnerkeuze had gemaakt. Als ik nu met mensen eet – zoals vorige week, toen ik uitgenodigd werd om Chinees Nieuwjaar mee te vieren – irriteren de eetgeluiden me totaal niet. Ik hoorde ze niet eens!

Een andere ‘toevalligheid’ die gedurende mijn hele leven opduikt, is Almelo. Als klein meisje bezochten we daar mijn oma, die exotische hobby’s had zoals orchideeën kweken. Achter een enorme koffieplant vol bonen stond een grote volière met daarin o.a. wevervogels. Urenlang kon ik naar die vogels zitten kijken. Een oom en tante woonden ook in Almelo. We zagen daardoor diverse kanten van die stad waar altijd wat te doen is.
Veel, veel later, was ik er met enige regelmaat te gast in het oude ziekenhuis. Ook haalde ik in Almelo eindelijk mijn rijbewijs. En nog weer veel later werd mijn jongste in Almelo behandeld, wat ons als wekelijkse bezoekers noopte tot het frequent nuttigen van de beroemde milkshakes van Mc Donalds. We passeerden daarbij de rij flats waarin mijn oma ooit woonde en altijd weer dacht ik terug aan de wevervogels, de prachtige koffieboom en alle andere bijzondere dingen in die flat.

Afgelopen weekend kwam ik opnieuw in Almelo terecht. Ik lijd aan een acute Droste-blikjestic en kocht er een paar bij een meneer uit Almelo, wat tot een onverwacht leuke mailwisseling leidde. Een dag later kocht ik er ook eentje bij een mevrouw uit dezelfde plaats. Ook met haar ontstond zomaar een erg gezellige mailwisseling. Ik vertelde haar dat ze de tweede Almelose was die mijn Droste-tic had kunnen bevredigen en gisteravond schreef ze tot mijn verrassing: “Groet’n van mijn broer …” Zonder het te weten had ik met broer en zus apart leuke gesprekken gevoerd en beide zelfs, geheel tegen mijn gewoonte in, naar mijn Twentse blog verwezen. Dat is geen toeval meer!


Ik schreef haar: “ik kom nooit van Almelo af, ik heb zelfs een kat die er vandaan komt!” En ik vertelde over het grootste ‘toeval’ dat maar mogelijk is: ik had hem als kitten gekregen van iemand die aan ALS leed. Omdat ik zo graag wilde dat ze beter zou worden, noemde ik het katje naar mijn wens: IF (als) they could FIX ALS – Iffix dus. Het (b)leek de goden verzoeken, die naam, want een paar jaar later kreeg ook mijn vader de diagnose ALS … Kort daarop verdween Iffix. Zeven lange weken was hij spoorloos. Ik had net de hoop opgegeven en geaccepteerd dat zijn verdwijning een teken vanuit de kosmos was dat de ziekte niet te genezen is, toen bleek dat Iffix zich hemelsbreed nog geen 100 m. verderop bleek te bevinden, samenlevend met een andere kat in een stil huis. Hij reageerde meteen toen ik hem riep en na verwoede vangpogingen kon hij in een draagmand mee naar huis. Sinds zijn terugkeer is dit aanhankelijke, trouwe dier weer als vanouds altijd in mijn buurt.

Toeval? Nee, karma. Zeker als ik dit verhaal door het Droste-virus ‘toevallig’ aan een onafhankelijk van elkaar Droste-verkopende broer en zus uit Almelo vertel, die intussen elkaar vertellen dat ze van een leuk mens een bod op een Droste-blikje hebben en net als ik stomverbaasd zijn dat het bij beiden om mij gaat.
Toeval is iets anders dan karma. Je karma bepaalt je levensloop, brengt mensen of dingen samen.
Ik let dus goed op wat er nog meer uit Almelo zal komen. Want hoe dan ook, in Almelo blijft altijd wat te doen. Dat is karma.

Articles

Kleurrijk

In Fotografie,Natuur,Persoonlijks,Qualen,Taal,Vogels on 5 januari 2011 door Marjolein Stam getagged: , , , , , , , , ,

… en nieuw

Een nieuw jaar heeft zijn intrede gedaan. Daarmee kunnen dingen die bij het vorige jaar horen afgesloten worden en ontstaan nieuwe kansen. Niet dat die kansen nu opeens voor de deur staan waar zij vorige week even hard aan hadden kunnen kloppen – het is een gevoelskwestie. Ik kan weer mijn eigen kleurrijke zelf zijn, ontdaan van de grauwsluier die de afscheiden van het eind van 2010 markeerde. De lei is weer schoon – een nieuw begin. Ik ben weer kleurrijk en vol verwachting van wat dit jaar me gaat brengen.

‘Kleurrijk’, zo ben ik vaak omschreven. Of gek. ‘Anders’ is in mijn leven ook een veelgehoorde kreet. Lange tijd heb ik geprobeerd ‘normaal’ te zijn, maar dat lukte me maar niet: ik was en bleef anders dan anderen. Toen ik het langzaam begon te begrijpen en mijn anders-zijn accepteerde, voelde ik mij op slag normaler. Al word ik nooit helemaal normaal, daarvoor wijken mijn ideëen teveel af. Eigenwijs en creatief, kwetsbaar en een durfal, avontuurlijk en een huismus, hooggevoelig en empatisch, altijd in voor avontuur en toch redelijk bezadigd levend.

Hoe probeer je gewoon te zijn? Door niet op te vallen en op te gaan in de massa. Maar dat lukt niet als die massa een gezapig, bezadigd leven leidt – ik ga mij dan vervelen en doe dingen die anderen niet zouden doen.
Al vanaf mijn 14e kleur ik mijn haren, waar ik een paar jaar geleden mee gestopt ben. Waarop mij regelmatig gevraagd werd welke kleurspoeling ik gebruikte. “Geen” was geen normaal antwoord: ik was van nature middelblond, maar tegenwoordig ben ik donkerbruin met hier en daar een nauwelijks waarneembare grijze haar. Het gaat vanzelf, dat donkerbruine vermoeden, net als mijn afvalrace van de laatste maanden. Zodra ik er moeite voor doe, val ik nauwelijks af, maar nu vliegen de kilo’s alle kanten op en heb ik steeds minder airbagvolume om te doneren aan iemand met cup A of een te plat achterste.

Regelmatig heb ik patiënten die voor een borstvergroting kwamen, aangeboden hen wat van mijn ruimschoots aanwezige boezem te doneren. Ik zag het voor me: naast elkaar liggend, verbonden met een slang die mijn overtollige weelderigheid naar de onderbedeelde patiënte transporteerde en haar van een mooie B-cup of van ronde billen voorzag. Gek genoeg wilden de patiënten liever siliconen, wat ik nooit begrepen heb. We vingen toch twee vliegen in één klap als op genoemde manier liposuctie en -transplantatie inéén gerealiseerd kon worden? Vetweefsel lijkt in tegenstelling tot bij voorbeeld een nier niet af te stoten (dat blijkt wel uit het overgewicht dat mij mijn halve leven al plaagt). Bovendien moeten siliconen toch vreselijk stinken als iemand gecremeerd wordt?
Wie wil er nu herinnerd worden als diegene die met de lucht van verbrand rubber uitgestrooid werd?

Ook over orgaandonatie heb ik een afwijkende mening: ik zou het fijn vinden als er een donorbank komt waar je vrijwillig een nier of long kunt inleveren voor gebruik door nooddruftigen. Als het gros van de mensheid dit zou doen, zouden er voldoende organen beschikbaar komen om bij ernstige nood een beroep op de rijkgevulde bank te kunnen doen. Zelfs alcoholisme wordt in het onderhavige geval functioneel: men kan gemakkelijk een stuk van de vergrote lever missen.
Zou mijn overgebleven nier of long onverhoeds aan slijtage onderhevig zijn, dan zou ik een ruilexemplaar uit de voorraad moeten kunnen krijgen. Helaas is een dergelijke donorbank bij wet verboden: men mag een nier afstaan ten behoeve van naaste familie en men mag alles afstaan als men sterft – meer ruimte is er niet. Ook moet alles onmiddellijk hergebruikt worden, er is geen voorraad.

Nu beginnen mijn organen wel wat af te takelen – vanwege een serie kwaaltjes en gebreken slik ik nogal wat medicatie (eigenlijk wel zoveel dat men mij na mijn dood niet kan begraven of cremeren: het eerste zou blijvende bodemverontreiniging veroorzaken, het tweede zou een gat in de ozonlaag slaan), waardoor men niet veel meer kan met het in mijn ogen briljante idee.
Genoemde medicatie verergert ook mijn breinrot: ik moet oppassen dat ik geen letters omdraai of een totaal niet terzake doende woord schrijf. Toch zou ook dat de medische wetenschap kunnen helpen: een plakje hersenweefsel kan misschien uitwijzen wat iemand ‘anders’ maakt en bovendien kan breinrot bestudeerd worden. Wellicht zou zo’n studie toekomstige kleurrijke figuren een simpeler leven kunnen bezorgen. Want kleurrijkheid heeft twee kanten: het mag dan leuk zijn om onbedoeld ‘anders’ te zijn, soms lijkt het me prettig om ‘gewoon’ in het leven te staan en als ‘normaal’ te worden bestempeld.

Al lijd ik aan breinrot, ik lijd er niet onder. Ook heeft mijn kleurrijkheid voor mij geen nadelige gevolgen meer – ik ben er aan gewend geraakt dat men mij gek vindt. Ik noem mijzelf prettig gestoord, ook op momenten dat de storing minder prettig is. Zelf beleef ik veel plezier aan mijn grapjes en niemand hoeft er last van te hebben: gelijkgestemden genieten mee, anderen draaien zich schouderophalend om en gaan huns weegs. Dat is niet erg; huns weegs is niet de mijne, al zijn wij allen een nieuw jaar ingestapt.
Als het aan mij ligt, wordt het een kleurrijk jaar met andere kansen. Gelukkig, 2011.

Voor een vergroting van de foto’s kunt u op de vakjes bovenaan de pagina klikken. U komt dan op mijn Flickr-pagina’s.

Articles

Dwaalgast

In Fotografie,Natuur,Persoonlijks,Taal,Vogels,Wadden on 27 november 2010 door Marjolein Stam getagged: , , , , , , , ,

Vanaf dat ik me begin 2002 in Friesland vestigde, bezocht ik Ameland voornamelijk als zonaanbidder, en passant genietend van de schoonheid van dit eiland. De oudheid, de sfeer, ik vond het altijd heerlijk. En toen kwam er een man in mijn leven die er woonde … Daardoor leerde ik Ameland in alle facetten kennen. De herfst en de winter, waar ik normaliter niet heel blij van word, werden mooi door de natuur op Ameland.

De enorme sneeuwbergen, veroorzaakt door de sneeuwschuiver en zorgend voor fantastische doorkijkjes naar vaag-witte weilanden, de verwaaide dennenbomen waarvan de takken gegarneerd zijn met een sneeuwlaag. Een met rijp versierd hek, lijkend op een met poedersuiker bestrooide wafel. Een met schrikogen omkijkende ree tussen de verlaten zomerhuisjes.
De boottocht, die telkens weer anders was, maar altijd met die bijzondere zee …

In het voorjaar werd de natuur opgefleurd met bloemen, vogels en vlinders – kleurrijke of juist ingetogen schoonheden. We zochten pulletjes, langzaam op de trike over het eiland toerend, of we reden met de auto naar één van ‘onze plekjes’ om daar naar de zeldzame parelmoervlinders en andere ronddansende soortgenoten te zoeken. ‘Onze plekjes’, waar we ‘onze’ eerste tapuit, putter en andere ‘eerste’ vondsten deden, samen genietend van wat we waarnamen. We hadden over het hele eiland bijzondere plekjes. De plaats waar we een gele kwikstaart zouden kunnen zien veranderde in een ‘ons plekje’ waar de immer veranderende schoonheid van het wad adembenemend bleef.
En toen was het opeens over en langzaam realiseer ik me dat ik Ameland nooit meer zo zal beleven als tijdens die 15 maanden waarin alles zo goed leek.

Die laatste keer had ik geen idee dat het de laatste keer zou zijn dat we in de zon door de duinen liepen, genietend van de luwte, van vogels op doortocht zoals een goudhaantje dat tussen boomtakken verstoppertje met me speelde, de overal opduikende koperwieken, een torenvalkje dat rustig op een paaltje zat, een sperwertje dat langs de weg druk bezig was met zijn prooi en onze aanwezigheid (in de auto) trotseerde om zijn maaltijd verder in stukken te scheuren.
We maakten foto’s door de voorruit, zoals we overal samen foto’s van maakten.
Ik weet niet waar het omslagpunt van samen naar allebei foto’s maken heeft gelegen. Ook vraag ik me af of hij toen al wist dat dit mijn laatste bezoek aan ‘zijn’ eiland zou zijn …

De ganzen hebben de weilanden weer bevolkt; de eerste groepen waren dat laatste weekend al gearriveerd. Ik zal Ameland nooit meer zo kunnen beleven als in het afgelopen jaar. Al zal ik zeker weer genieten van de boottocht – de schoonheid van de zee verrast altijd weer vanwege de variatie. Hoe vaak ik niet buiten zat, op de banken met reddingsvesten …
Maar ‘onze plekjes’ vergroeien in de seizoenen en ik kan zelf plekjes ontdekken, zelf zoeken naar de zilveren maan, de argusoog, de vele vogelsoorten. Naar ‘zijn plaats’ hoef ik ook niet meer. Buiten Ameland zijn veel van de vogelsoorten ook in de provincie aan de kust waar te nemen – de Waddenzee behelst meer dan dat ene eiland.

An ordinary starling

De spreeuw die kwetterend zat te glinsteren in het zonlicht, het wad in prachtige tinten, de groep ganzen die tussen donkere wolken een paar zonnestralen ving Рdat zijn de laatste vastgelegde herinneringen aan dat eiland waar ik zoveel van houd. Trekvogels en dwaalgasten blijven niet heel lang op ̩̩n plaats; ze zijn te gast totdat ze volgegeten en aangesterkt verder kunnen vliegen.
Voor nu neem ik afscheid van Ameland, maar ik kom terug – als dwaalgast.

P.S.: Voor een vergroting van de foto’s kunt u op de fotoblokjes bovenaan klikken. U komt dan op mijn Flickr-pagina’s.

Articles

Druk

In Fotografie,Natuur,Persoonlijks,Vogels,Wadden on 6 november 2010 door Marjolein Stam getagged: , , , , , , , , , , ,

Het woord ‘druk’ kan veel verschillende betekenissen hebben. Je kunt het druk hebben, je kunt druk zijn, je kunt je druk voelen in je gedrag of zo op anderen overkomen, je kunt je druk maken of het kan ergens druk zijn.

De maand oktober bood het hele bovengenoemde scala aan betekenissen. Er waren gezellige uitjes: een familieweekend op Ameland, gevolgd door een familiebezoek in Oranienburg met daarbij vanzelfsprekend een bezoek aan Berlijn. Zowel het familieweekend als het lange weekend in Duitsland waren indrukwekkend.
Op Ameland hadden we bijzondere uitjes: een tocht met de Strandexpress, die ons via het verlaten strand naar het stille, imposante natuurgebied achter het Oerd bracht. Ik genoot van de informatie, van het landschap en het gevoel wat dit oeroude land oproept. Je waant je heel ergens anders op dit beschutte stukje eiland, waar het oude houten baken fier oprijst boven de vlakke duinenrij, terwijl een paartje bruine kiekendieven een geweldige vliegshow weggaf. Duikend, zwevend, af en toe landend, om meteen weer op te stijgen. Spelend in hun territorium, waar wij te gast waren.

Een dag later bezochten we de eendenkooi, onder leiding van de officiële kooiker met zijn kooikershond. De kooiker wist boeiend en met veel humor te vertellen over zijn vak. Eendenkooien zijn zeldzaam geworden en we moeten zuinig op deze monumenten zijn. Nooit eerder heb ik stilgestaan bij de functie van dit geraffineerde bouwwerk, waar licht en windrichting worden gebruikt om de eenden in de val te lokken, waar lokeenden en ook de hond hun specifieke functies hebben. Het was allemaal ongelooflijk interessant; je zou bijna vergeten dat de kooi bedoeld is om wilde eenden te vangen voor de slacht: eendenborstfilet blijft een delicatesse, zegt men.

Halverwege de daaropvolgende week vertrokken wij naar Oranienburg, waar ik na 7 jaren mijn nicht weer bezocht. Dit mooie stadje aan de Lenitzsee is door de Kurfürst genoemd naar zijn geliefde vrouw Louise Henriette von Oranien-Nassau, de oermoeder van het huidige Koninklijk Huis. In het verleden was ik regelmatig bij mijn nicht te gast, zowel hier als in Berlijn toen zij daar nog woonde. Het was heerlijk om Berlijn weer te ervaren! Opvallend was de DDR-revival en het ietwat late inzicht in het historisch belang van de Muur, die nu gemarkeerd met speciale straatklinkers door de stad slingert. Op de straathoeken werden aan toeristen Russische bontmutsen verkocht en op meerdere plaatsen stonden ‘militairen’ die toeristen tegen betaling paspoortstempels uit de Mauer-tijd gaven of met hen poseerden. Het toerisme floreert en profiteert van de bijzondere sfeer van deze stad. Berlijn blijft me altijd boeien – de stad waarin alle oorlogen blijven woeden, de wonden niet echt helen. “Berlin soll immer werden und nie sein” is het credo en dat bewezen de vele steigers en kranen ook deze keer weer.

Naast alle fijne familiebezoeken met als klapper een groot verjaardagsfeest, hebben we veel ondernomen: een wandeling langs een bos, waarvan de prachtige herfstkleuren schitterende plaatjes opleverden, lunchen aan de rivier de Havel, speuren op Trödelmarkten naar oude buit. Verder reden we naar Linum, waar de grauwe kraanvogels in het najaar neerstrijken om te fourageren voor hun tocht naar Afrika. Een spectaculair gezicht: wolken van honderden, duizenden kraanvogels die hun eigen radar volgen, massaal aanvliegend om in beschermd gebied te overnachten. Ik heb zelden iets zo imposants gezien als deze grote vogels die in volledige vrijheid pal over ons heen scheerden, in V-formaties hun vleugelslag en positie feilloos op elkaar afstemmend. Een zeer indrukwekkende belevenis!

Maandags moesten we terug: het was ook thuis druk. Nog steeds wordt hier hard gewerkt aan de WMO-aanpassing van mijn badkamer. Stof en lawaai, drukte in huis, onhandig gepaard gaand met kiespijn, tandartsbezoeken en het moeten laten trekken van een aantal kiezen. Hoewel ik altijd erg zuinig ben geweest op mijn gebit, heeft ‘de wolf’ toegeslagen en van binnenuit mijn kiezen aangevallen. Mijn opa had vroeger een rijmpje als mijn broertje en ik met hem naar het bos gingen en ons tussen tangvormige blootgelegde wortels van een vliegden klemden: “De wolf houdt je gevangen tussen twee ijzeren tangen.” Of het rijmpje meer regels had, weet ik niet meer, maar bij het trekken van de kiezen heb ik veel aan dit rijmpje gedacht … Het is nog niet voorbij – er zullen nog meer kiezen sneuvelen. Mijn kaak is nog niet geheeld, de infectie nog niet bezworen, maar ik ben al blij met pijnvrije dagen zonder ijzeren tangen (helaas wel met druk-pijn).

Na de uitjes en met de problemen met de kiezen, kreeg ik onvoorzien een extra’tje voor de kiezen: ook de liefde bleek ten prooi gevallen aan ‘de wolf’. Het was niet mijn keuze en het genereerde een heel ander soort druk: die van afscheid nemen. Geen fysiek afscheid, dus psychisch een nog zwaardere kluif.
Intussen is een nieuwe maand aangebroken, een maand waarin ik met warmte terugkijk op de mooie uitjes en met weemoed op mijn vergane kiezen en vooral op een vergane liefde waarin ik een weg moe(s)t zoeken.
Die weemoed zal me nog wel vaker overvallen, maar ik kijk nu vooruit. De toekomst ligt open, mijn badkamer nadert voltooiïng en langzaam maar zeker verwerk ik alle in-druk-ken van de drukke maand oktober.

Articles

Knoert van Oerd ~ 2 ~

In Natuur,Sprookjes & fabels,Taal,Vlinders & nachtvlinders,Vogels,Wadden on 7 september 2010 door Marjolein Stam getagged: , , , , , , , , ,

Na een weekend waarin wij opnieuw met Keizer Knoert hebben kunnen spreken, is ons nog veel meer duidelijk geworden over het leven en de visie van dit microvolkje.
Hoewel Keizer Knoert aangeeft keizer zonder raadgevers te zijn en dus alleen maar onderdanen heeft, is hij in wezen een microsoftie: hij heeft veel meedogen met zijn volk en regeert met compassie. Datzelfde hoorden wij van onderdanen (feitelijk bovendanen; zij zijn allemaal iets groter dan de Keizer), die een plezierig leven leiden. Door deze gesprekken zijn een aantal evidente verschillen met onze maatschappij en de politieke hiërarchie aan het licht gekomen, maar daarover later.

Het microvolkje leeft ‘omgekeerd’, wat als uniek in elke wereld kan worden beschouwd. Zij worden oud geboren en kennen zodoende meteen de duur van hun leven. Hun puberteit – de fase waarin wij mensen het meest onzeker zijn over bij voorbeeld uiterlijk, beleven zij met meer dan voldoende zelfkennis en levenservaring.
Dit omgekeerd leven maakt hen stabiel en zeker over hun leven, hun uiterlijkheden en hun vooruitzichten.
Qua uiterlijk en gebruiken verschillen zij van de doorsnee kabouter- en mensenpopulatie: degene die als kleinste geboren wordt, is automatisch de volgende keizer. Hierdoor is het een kwestie van lotsbestemming wie de leiding over het volk krijgt.

De leeftijd van dit volk ligt zoals genoemd op voorhand vast, maar zij leven veel langer dan wij mensen – bij de geboorte is de gemiddelde bovendaan zo’n duizend jaar oud. Dat betekent dat zij zich geen zorgen hoeven te maken over hun dood, die hen niet voortijdig door ziektes, maar alleen door ongevallen kan treffen. Het volk is immuun voor ziektes; zij kennen het woord alleen van de dieren en de wereld rondom hen. Zij zijn om verschillende redenen niet bang voor de dood: doordat een plant in het najaar sterft en in het voorjaar opnieuw geboren wordt, ‘weet’ het volk dat zij niet hoeven te vrezen voor de dood. Ze komen immers weer tot leven? Dat dat niet altijd gebeurt, ligt aan de overledene zelf: hij of zij kiest dan voor Everland, een wolk waarop zij voor eeuwig willen blijven. Dat lijkt mij persoonlijk na duizend jaren leven ook wel een mooie keuze.

De grafjes zijn speldenprikjes, niet zichtbaar voor ons blote oog. De tot baby’s volgroeide duizendjarigen vragen nauwelijks ruimte doordat zij tijdens de laatste fase van hun leven nog verder krimpen. Zelf noemen ze dat liever “overgaan”. Deze overgang begint aan het einde van hun puberteit en duurt totdat de dwergkabouter in babystaat sterft. Het geheugen glijdt langzaam weg totdat het bij hun dood als baby onwetend en blanco, puur is. In deze periode worden zij afhankelijk van hun kleinkinderen die hen als vanzelfsprekend voeden, verzorgen en verschonen totdat het vuur dooft.
Keizer Knoert wil zijn huidige leeftijd niet vertellen, maar zegt wel nog lang niet aan de overgang toe te zijn. Hij vertelt dat de begraafplaats rondom de basis van een speciale bloem ligt, een bloem die vrijwel het gehele seizoen door bloeit. Ik begrijp uit deze uitspraak dat het om een viooltje moet gaan: we hebben in de loop van het jaar her en der veel kleine viooltjes gezien en we weten ook dat dit een waardplant voor een aantal bijzondere vlinders is. Deze vlinders spelen een grote rol in het leven van het Oerdburenvolkje.

Dieren vormen een belangrijk hulpmiddel voor het volkje: zij reizen graag per libel (die zij helicopter noemen) of per zweefvlieg(tuig). Ze gebruiken spinrag van verdwenen spinnen voor hun micromee-werk; de webben worden systematisch uitgerafeld en opgerold tot een enorme kluwen, waarna het klaar is voor gebruik.
Ook vogels helpen hen met hun voortbestaan: kwikstaartjes maken al wippend met hun staart mooie snelwegen door het woud van helmgras en de mussen, die we bij het Kooikershuus altijd restjes van onze appeltaart geven, blijken delen van deze restjes aan de Oerdburenbuurt te leveren, die daar weer de meest heerlijke gerechten van maken.
Dan zijn er nog vele geleedpotige helpers, die delen van vruchten aanslepen of het volkje wijzen waar ze deze zelf kunnen vinden. Keizer Knoert en zijn bovendanen zijn vegetariërs en doen dus geen vlieg kwaad.

De volgende keer uitleg over de prachtige parelmoervlinders (waaronder de zeldzame “zilveren maan”, die een speciale betekenis voor het volkje heeft) die men op Ameland kan vinden.
Verder komen reacties op ons verbazingwekkende menselijke politieke marionetten-machtsbestel aan bod, met daarbij enige parallellen tussen vriend en vijand, al heeft het volkje praktisch geen natuurlijke vijanden.
Wij kunnen nog heel veel van deze microkabouters leren!

= Wordt vervolgd =

P.S. Ik krijg het niet voor elkaar de foto’s te linken met Flickr. U kunt ze bekijken door bovenaan de pagina op het fotoblokje te klikken!

Articles

Dobberdonsjes

In Fotografie,Natuur,Taal,Vlinders & nachtvlinders,Vogels,Woordspelingen on 17 augustus 2010 door Marjolein Stam getagged: , , , , , , , , ,

Woorden zijn als kralen die je aan een ketting rijgt, waardoor je een zin krijgt. Je zegt woorden, je schrijft ze en je leest ze. Een woord wordt bijna een gebruiksvoorwerp.
Je kunt ook spelen met woorden, iets wat – zo blijkt – veel mensen leuk vinden. Op de netwerksite LinkedIn heb ik een tijd geleden in het forum van Onze Taal in een topic gevraagd of men niet-bestaande synoniemen kent. Deze term is natuurlijk een contradictie: zodra je zo’n woord kent, is het een synoniem van een wél bestaand woord. Alleen hebben creatieve geesten zodanig met taal gespeeld dat zij dat woord gecreëerd hebben.

Er zijn grootheden te noemen die daar bij uitstek goed in zijn: Koot & Bie en Marten Toonder hebben voor schitterende uitbreidingen in onze taal gezorgd. En natuurlijk zijn er veel meer beroemdheden te noemen – ik wil geen van de vele woordkunstenaars tekortdoen!
Maar ook gewone mensen die een liefde voor taal hebben, kunnen zodanig met woorden spelen dat er nieuwe woorden ontstaan. Vooral kinderen zijn er goed in: zij verhaspelen woorden of geven een eigen naam aan dingen, wat tot prachtige, ontroerende of komische resultaten leidt.
Ik heb niet de pretentie me met beroemdheden te meten, maar ik heb er zelf wel ook een handje van – het ‘kind in mij’ heeft blijkbaar 50 jaar in mij doorgeleefd. Jonge eendjes noem ik, zoals ik al eerder schreef, dobberdonsjes.

In het genoemde topic winnen de dobberdonsjes terrein; meerdere leden vinden het woord lief en treffend. Dat vind ik leuk, die herkenning van een manier van denken en ervaren. Het is immers een treffend woord?
Het leukste is als zo’n woord verder rond gaat zingen, als men het overneemt en hier en daar tegen gaat komen als andere benaming voor eendenkuikens.
Er zijn meer voorbeelden: uit het inmiddels al oubollige studentenjargon van zo’n 20 jaar geleden stamt het stuifkoe als synoniem voor poedermelk. Ik heb dat zo frequent gebruikt, dat vrienden het ook zijn gaan gebruiken – al dan niet gepaard gaand met stuifkoffie (voor oploskoffie). Geitenwolthee staat synoniem aan kruidenthee en een sukstel is een vrouwelijke sukkel.
Overigens denk ik niet dat ik de bedenker van deze woorden ben; het wiel zal echt wel vaker uitgevonden zijn.

Spelen met taal geeft zoveel plezier en humor in een gesprek. Het maakt alles luchtiger, minder zwaar. Toen Herman Finkers ooit zei: “Zelfmoord plegen is wel het laatste wat ik zou doen!”, werd dat zware onderwerp als vanzelf luchtig en humoristisch.
Ooit, in een periode dat ik last van angsten en depressieve gevoelens had, werd mij gevraagd of ik niet bipolair oftewel manisch-depressief zou kunnen zijn. Ik antwoordde dat ik hooguit als panisch-depressief gelabeld kon worden en werd daar zelf acuut vrolijk van. Humor is in menige situatie het beste antidepressivum! Ik ben blij dat ik uit een familie stam waarin die humor in ruime mate aanwezig is, plus de creativiteit die aan het verzinnen van nieuwe woorden bijdraagt.

Een paar jaar geleden sprak ik met een dierbare vriendin, die ik in Engeland bezocht, over de benaming van dieren in diverse talen. We vonden bumblebee zo’n mooi woord, veel mooier dan onze gewone hommel. Door er verder over te praten, ontstond als vanzelf de kruising bommelbij en naar aanleiding van dat gesprek rolde later thuis onderstaand versje uit mijn toetsenbord. Niets hoogstaands, maar wel iets waar creativiteit, spelen met talen en plezier in zijn verwerkt. Het is heerlijk om samen te kunnen lachen om een woord- of taalgrap, en het ontroert me dat de dobberdonsjes zo enthousiast ontvangen worden!

Een bommelbij die maakt je blij
Een drakenvlieg iets minder:
Al is ie prachtig om te zien
Hij geeft toch wel eens hinder

Een smetterling is zo kaduuk
Hij leeft ook maar heel even
Waarin twee keer een wisseltruc
En dat is dan zijn leven

Caterpillar, dat klinkt wel leuk
maar lastig te bewegen
’t klinkt toch wel beter dan een rups
Dat is dan weer een zegen

En ook nog pop te mogen zijn
Dat is wel veel van ’t goede
Dan zou ik liever ‘n hedgehog zijn
Al is die op zijn hoede

Wat hebben dieren leuke namen
Als je het goed beschouwt:
Een bord coquilles eet je samen
Terwijl je ’n snail niet kauwt …

Articles

Uiverhuiver

In Fotografie,Natuur,Vogels on 12 juli 2010 door Marjolein Stam getagged: , , , , , ,

Ooievaars – ook wel uivers of storks genoemd, vind ik ongelooflijk prachtige vogels. We gebruiken ze als symbool voor het brengen van een baby, een gave die ze geloof ik niet echt bezitten maar die leuk staat in de tuinen van huizen waar jonge ouders van hun boreling genieten. Vroeger zeiden moeders dat hun buik dik werd doordat ze rijst spaarden voor de ooievaar, die de baby kwam brengen en die dan eten nodig had voor de inspannende tocht die hij met baby-in-luier in de snavel gemaakt had. Ik vroeg me altijd af wanneer mijn moeder die rijst dan had gegeten; wij aten dat niet zo vaak… De uiver zelf is ook geen rijsteter: hij heeft liever vlees op het menu.

De ooievaar is nu weer een bekende vogel in ons land; we zien hem op verschillende plaatsen. Zowel in het wild als vanaf ooievaarsstations vliegen ze rond en doen soms met een hele groep een weiland aan.
Gisteren reden we langs een weiland waar er zeker 15 stonden, en in een weiland wat verderop waren nog eens 3 exemplaren die – hopelijk – op kikkerjacht waren.
Het was rondom Meppel, waar meerdere ooievaarsstations zijn en waar je ze dus zeker kunt verwachten.

Vorige week waren we een dag naar onze water-dierentuin Aquazoo, waar een intussen grote groep ooievaars woont. Sommigen overwinteren ook hier, maar ze zijn vrij om in de winter naar Afrika te vertrekken. We hopen dan wel dat ze daar niet vermoord worden – we willen ze volgend voorjaar graag weer begroeten. Door bij te voeren blijven ze wellicht op hun ‘thuisadres’ in plaats van in warm en gevaarlijk Afrika te overwinteren.
De groep in de dierentuin werd bijgevoerd en dat leek ook wel nodig. Zoveel eendere dieren op een klein territorium kan zorgen voor te weinig verse kikkers en andere akelige beesten!
Bovendien moest er een jong gevoerd worden, dus er was extra eten nodig voor de verzorgers van dit diertje. Ik vraag me opeens af of die soms in een luier door een zweefvlieg-tuig wordt gebracht?

Er werd druk geklepperd: één van de (vermoedelijk) mannetjes die als echte kerels op gepaste afstand van het grote nest in een groepje stond, wilde toch even laten weten dat hij degene was aan wie het nest toebehoorde. Volgens Wikipedia zijn ooievaars nesttrouw en heeft het klepperen een baltsfunctie. Het vrouwtje beantwoordt dit klepperen op dezelfde elegante manier: er wordt al klepperend een S-bocht met de nek gemaakt, waardoor de kop achterover op de rug ligt. In die houding volgt er een hap adem zodat er bij het terugdraaien van de nek weer volop geklepperd kan worden. Het is een ongeëvenaard geluid, dat altijd opnieuw fascineert. Als je de bijbehorende body language dan ook nog mag bewonderen, maakt het helemaal diepe indruk.

De ooievaar kwam rond 1980 bijna niet meer voor in Nederland – op de babyboom-gefiguurzaagde exemplaren na – en dat was reden tot zorg, tot huiveringwekkende zorg.
Al in 1967 werd in Groot Ammers een succesvolle proef gedaan om de uivers in een ooievaarsstation te laten broeden. Dit initiatief werd zodanig uitgebreid dat in 2003 weer het na-oorlogse aantal ooievaars in Nederland rondvlogen. De ooievaar brengt geluk, want hij leeft van kleine koudbloedigen en van insecten, dus deze trekvogel landt graag temidden van een insectenplaag om de buik rond te eten. Ik kan niet zeggen dat we vorige week minder last van muggen hadden, maar ik heb ondanks het waterrijke gebied geen kikker gehoord en dat vond ik zeer, zeer bemoedigend!

Ik ben blij dat de ooievaar weer ‘normaal’ is in ons luchtruim. De machinale Uiver is allang verdwenen en zonder interventie zou ook de levende soort hier verdwenen zijn. Een huiveringwekkende gedachte! Gelukkig leeft de natuurlijke uiver vrij lang: hij kan 30 jaar oud worden (net als zijn kleine broer de scholekster), en een jong is na 3 jaar geslachtsrijp. Dat betekent dat er toch eieren gelegd moeten worden en nesten bebroed dienen te worden en dat kan alleen als er voldoende voedsel is. Gelukkig zijn we zuinig geworden met DDT en andere sprays waarmee we onwetend zowel land als vogelstand naar de gallemiezen hielpen en hebben wetenschappelijke ontwikkelingen voor veel bredere kennis gezorgd.

Kennelijk applaudiseert de ooievaar voor deze kennis door luidkeels te klepperen. Ik hoop dat fascinerende geluid nog vaak te horen en te kunnen genieten van deze mooie, sierlijke en imponerende vogels! Niet alleen de wetenschappers maar ook de ooievaars zelf verdienen een applaus voor hun overlevingsdrang en hun vrede met het leven in ons kikkerlandje.

Articles

Argusogen in de zilveren maan

In Fotografie,Natuur,Vlinders & nachtvlinders,Vogels,Wadden on 2 juli 2010 door Marjolein Stam getagged: , , , , , , , , ,

Een paar weken geleden lazen we op de nieuwssite van Persbureau Ameland het bericht dat iemand de zeldzame duinparelmoervlinder had gezien. Er stond een foto bij van een prachtige oranje vlinder, met parelmoerglanzende vlekken aan de buitenkant van de vleugels. De vindplaats werd geheim gehouden.
Vooral dat laatste was voor ons doorslaggevend: wij moesten en zouden ook zo’n vlinder zien! En natuurlijk wilden we er mooiere foto’s van maken dan degene die bij het bericht van Persbureau stond.

Zaterdag togen we er op de trike op uit, onderweg speurend naar vogels en vooral naar vlinders. In Buren, waar we na veel omzwervingen een kop koffie dronken en samen met de musjes een appelpunt aten, liepen we naar het duinpaadje. We hoefden niet eens het paadje op: al bij het hekje zagen we een exemplaar van de bewuste zeldzame vlinder, prachtig poserend op een kale jonker We schoten ons kaartje bijna vol, zo trots waren we dat wij er ook eentje hadden gevonden! Nou ja, ‘gevonden’ – hij was nauwelijks te missen.

Maar thuis wachtte de teleurstelling: we konden de vlinder zelfs op het beeldscherm niet met zekerheid benoemen als duinparelmoervlinder… Een ware slag in mijn gezicht. Het beestje leek meer op een ‘zilveren maan’, een halfbroer uit de grote familie van parelmoervlinders. Ons exemplaar miste de zwartige vlek die hem onderscheidt van zijn zeldzame halfbroer of -zus. Mijn vriend moest wel gelijk hebben: het was een zilveren maan, geschoten in de volle zon. Daarnaast bevatte onze collectie een argusvlinder, waarvan het zwarte oog duidelijk op de buitenkant van de bovenste vleugeltip te zien is, plus een kleine vos en als bonus twee ons tot nu toe onbekende vogeltjes. Best een goede oogst dus, al hadden we de primeur van de duinparelmoervlinder niet weten te evenaren. De fladderende trots van Ameland ging aan ons voorbij.

Natuurlijk waren we vastbesloten de volgende dag nog een poging te wagen, dus weer stapten we na het middaguur op de trike en reden ditmaal via het bos om eerst weer even op vogeljacht te gaan. We wisten dat er een bruine kiekendief in de buurt zat, maar toen hij pal over ons heen vloog, was dat toch een verrassing. Aangezien ik erger ben dan een Japanner en praktisch vergroeid ben met mijn camera, schoot ik hem in een reflex en de foto blijkt nog scherp ook met – alweer toevallig – zelfs de juiste belichting!
Nadat we met argusogen het bos hadden afgespeurd, zaten we nog even op een bankje en praatten over onze volgende stop. Het was onvermijdelijk: we zouden toch weer naar Buren rijden. De vlinderverslaving had behoorlijk toegeslagen en concurreerde met de vogelspotverslaving.
Terwijl we praatten, zag ik iets wat op een duif leek op een tak zitten. Een duif, tja, die zegt me niet zo veel, dus mijn reflex deed het eventjes niet. Stom, want toen het dier wegvloog, bleek het onmiskenbaar een uil en daaraan had ik mijn hele spiegelreflex wel willen offeren! Ik vermoed dat het een bosuil was – het feit dat hij door het bos vloog, lijkt mij een redelijk betrouwbare indicatie voor deze constatering.

In Buren dronken we opnieuw koffie, ditmaal op een terras zonder mussen. Er reed een bus voorbij met daarop een grote foto van onze vlinder met de tekst “zilveren maan”. Ik keek mijn vriend verbaasd aan: waarom stond deze vlinder afgebeeld op de bus als men juist trots was op de zeldzame soortgenoot?? Was het dan toch…? Het kon geen synoniem zijn, dat was uitgesloten na alles wat we er over gelezen hadden.
We moesten nu echt snel naar de vindplaats terug om zekerheid te krijgen! Daar aangekomen, zagen we zeker 15 exemplaren rondfladderen, met hun roltong de nectar uit de kale jonkers halend. Dit moest inderdaad de distelparelmoervlinder oftewel de zilveren maan zijn, dat kon niet anders… Voor de zekerheid fotografeerden we ze in allerlei standen: vleugels open, vleugels dicht, van voren zodat je de kop met de enorme ogen kon zien – verzin het maar.

Onderweg terug, langs buitenweggetjes rijdend op de snelbruiner, zagen we nog een aantal exemplaren, die hun nectar uit de rode klaver haalden. Dat was telkens opnieuw aanleiding om te stoppen en ook deze oranje fladderaars te fotograferen. Thuis genoten we van onze mooie foto’s van al die zilveren manen en die ene argusoog, van de vogeltjes en van de prachtige landschappen die Ameland biedt.
Alsnog voldaan sloten we het weekend af. Als extraatje kreeg ik maandag op de boot nog een paar zeehonden die dichtbij de veerboot op zandbanken hun vacht schoonrolden en als altijd de zon die het water zo prachtig laat schitteren, op de geulen en de slenken in de zandbanken. Ik heb genoten!

Gisteren las mijn vriend me een nieuw stukje voor van de site van Persbureau Ameland: er was een ongekende hoeveelheid duinparelmoervlinders op het eiland gesignaleerd. Dit komt doordat de vlinder als eitje overwintert en door de strenge winter zijn de eitjes goed geïsoleerd. Na wat nalezen op Wikipedia vonden we het verschil tussen de twee soorten: de veel minder zeldzame zilveren maan overwintert als pop, dus daarvan heeft het merendeel de winter juist niet doorstaan.

Wij hebben nu dus onverwacht een grote collectie foto’s van de zeldzame duinparelmoervlinder, terwijl we in de blakende zon koortsachtig dachten zilveren manen te schieten.
En de titel bij de foto op de Amelander bus is dus een foutje. De vlinder is op een zwart vlekje na identiek, maar de naam ‘zilveren maan’ is onjuist. Het kan verkeren – niets is meer gek als je ze zo ziet vliegen.