Archive for the ‘Taal’ Category

Articles

Monument voor Iffix

In Taal on 17 januari 2021 door Marjolein Stam

Dit is een lang verhaal over een bijzondere kat (en dat was-ie). Het verhaal is lang doordat hij 15 ½ jaar deelgenoot van mijn leven was – iets, wat geen man ooit gered heeft. Hij is me ontzettend dierbaar, mijn Iffix met zijn verlegen blik en zijn eigenaardigheden. Een week geleden stierf hij en hij verdient dit verhaal over hem en over ons leven samen. Dus geen keurige blog, maar het levensverhaal over de liefste man die een royaal bontrandje om mijn hart vleide. Een monument voor Iffix, mijn wonderkat.

Hij kwam na de drama’s in 2005, in de zomer samen met zijn zusje. Ik kreeg hem van een toenmalige vriendin die ALS had. Daarom noemde ik hem “IF (they could) FIX (it)”. Zijn zusje werd naar mijn aanvallen van somberheid Oxa(zepam) genoemd. Oxa & Iffix, twee mooie kittens die erg aan elkaar hingen.
Ze werden ziek – toch nog weer. Blijkbaar was het virus nog altijd niet weg. Het kostte me moeite ze te verzorgen; ze waren nogal eigenzinnig als het op medicatie aankwam. Ze waren mager en speelden niet, zaten altijd samen en keken niet om naar andere katten. Maar poes Giva trok zich daar niets van aan en waste hen vlijtig de oren. Ze konden die moederliefde goed gebruiken en lieten het zich welgevallen.


Na een jaar overleed Oxa. Ik legde haar vlak voordat ze stierf koel, maar ze kroop terug en rolde zich om mijn stoelpoot, terwijl Iffix op mijn schoot zat (iets wat hij later niet meer durfde). Ze overleed en ik wilde haar wat mooi neerleggen zodat iedereen afscheid kon nemen en haar ziel weg kon. Maar Iffix deed iets eigenaardigs: hij ging bovenop haar liggen en bleef een uur stil liggen. Toen hij opstond, was Oxa koud en stijf en geen andere kat keek meer naar haar om. Haar ziel leek in hem overgegaan. Hij kwam de week daarop een kilo aan en bleef groeien, werd gezond. Eten en gekamd worden waren zijn grote hobby’s. Als ‘kwartlanghaar’ (hij had een Perzische vader) was kammen zeker nodig, dus dat hij dat fijn vond, kwam mij goed uit.

Hij had een hoop eigenaardigheden. Zo was hij bang voor schoenen – niemand weet waarom, er was nooit iets gebeurd. Hij had geen idee hoe het luikje van de kattenbak werkte, dus dat moest er voor hem af. Ik noemde hem liefkozend “niet al te nozel”. Toen hij me een vlinder bracht, helemaal zelf gevangen, heeft die jaren in een kast gestaan. Dat is het enige wat hij ooit ving 🙂
Als ik naar de wc of naar de gang ging, sjokte hij tot aan de gangdeur en bleef daar met één poot naar voren afwachtend staan kijken tot ik terugkwam. Dan draaide hij zich om en liep met mij mee terug.
Hij ontroerde me altijd erg, mijn Iffix.


Hij klom een keer op het schuurdak en was drie dagen weg. Hij kwam daar nooit en liep sowieso niet weg. Dit was een vergissing, iets wat hem overkwam. Ik was in paniek en bracht flyers rond. Na drie dagen kwam hij terugwandelen. Achteraf bleek hij drie huizen verderop naar beneden op een gelijkend plaatsje gesprongen te zijn (dat had een andere kat ook al eens gedaan). Toen de bewoner hem op de schuur zette, kwam hij blij weer thuis, trouw als altijd. Zelf had hij de sprong naar boven niet aangedurfd, zoals hij zoveel niet aandurfde.

Toen Miss Muis als kitten kwam, deed hij wat Giva bij hem had gedaan: hij waste haar van top tot teen en werd haar ‘vader’. Ondanks zijn castratie klom hij vrijwel dagelijks op haar met een grom en een beet in haar nek. Muis liep dan geïrriteerd grauwend weg en Iffix ging bedaard weer liggen, of sjokte naar mij toe. Ik geloof niet dat ik hem ooit anders heb zien lopen dan sjokkend; rennen was niet zijn ding. De reismand ook niet – het was altijd een drama om hem in de mand te krijgen. Toen hij een abces in zijn bek had en ik hem met veel hulp in de mand had gekregen, moest hij na de operatie drie dagen in de kliniek blijven omdat hij antibiotica-injecties nodig had en wij hem (en mij) de stress van die reismand niet aan wilden doen.
Hij kwijnde daar weg en was erg blij dat hij weer thuis was – ondanks de rit in de mand. Eenmaal thuis herstelde hij snel en at ook bijna tandeloos lekker door.

In die tijd bleek dat ook mijn vader ALS had en Iffix werd nog belangrijker voor me. Hoe bestond het, zo’n naam en die vreselijke ziekte die hij door zijn naam voor mij troostrijk maakte. Alsof ik het verdriet weg kon aaien bij hem.

En toen verdween hij wéér spoorloos van het achterplaatsje … Ik deelde weer flyers rond, langs het grote rechthoekige blok waar wel 60 woningen aan elkaar grensden, plakte ze op bomen in de buurt. Hij was bang voor mensen, dus waar kon hij zijn?
Het duurde zeven lange weken, weken waarin ik regelmatig tevergeefs bij die woningen aanbelde en vroeg of ze hem gezien hadden. Weken dat ik roepend door de buurt liep. Ik moest zó aan het idee wennen dat ik nooit zou weten wat er was gebeurd of waar hij was! Maar na zeven weken werd ik gebeld door de eigenaar van het huis met de ‘gelijkende’ tuin: zijn vriendin meende op de achterplaats een grote zwart-witte kat te hebben gezien. Ik vloog ernaartoe en zag hem van een kast naar een ruimte achter de schouw vluchten. Ik begon hem heel zachtjes te roepen en op zeker moment kwam er een miauwtje als antwoord. Het was Iffix!! Daarop vleien en languit liggend mijn hand achter de schouw, de mensen in hun eigen huis aan de kant sturend, vriend laten roepen dat hij met reismand moest komen en vleien, vleien, vleien, terwijl hij me kopstoten gaf (hij gaf geen normale kopjes). Totdat ik hem kon aaien en hij te voorschijn kwam. Maar de reismand gooide roet in het eten, dus weer vleien, vleien en aaien en toen hij voor de tweede keer tevoorschijn kwam, werd hij in een deken in de reismand gepropt en konden we naar huis. De man woonde eigenlijk al bij zijn vriendin, maar zijn poes woonde nog op zijn adres. Ze at de laatste tijd wel heel veel, vertelde hij  Kortom: Iffix was niets tekortgekomen en had samen met de poes heerlijk het rijk alleen gehad  😀

Wat was ik blij dat hij thuis was! Dat durf je na zoveel weken niet meer te verwachten. En dat hij dan hemelsbreed nog geen 25 meter bij me vandaan had gezeten! Ik was zo ontzettend blij om hem weer bij de deur te zien als ik naar het toilet ging, om hem bij me op de bank te zien, waar hij zich naast me op de leuning vleide, kopstotend aan de bank en zijn vragend mauwen bij de eettoren – die bedoeld was om hem minder te laten eten, maar die hij niet snapte, zodat ik het er voor hem uit moest halen  Hij ontdekte opeens speelgoed met een bal erin en lag daar eindeloos relaxed mee te spelen. En hij krabde alle bodems uit kartonnen dozen, waarvan er altijd wel eentje stond. Hoe meer lawaai hij daarbij maakte, hoe leuker hij dat leek te vinden.

Kleinie deed haar intrede en hij schoof Muis aan de kant, want een kitten wassen was belangrijker voor hem dan Muis. Die redde zich wel, al gaf ze hem uit frustratie wel regelmatig een mep.
En toen J. in mijn leven kwam, duurde het een tijdje voordat hij langs die man met die schoenen durfde. Hij bleef op mijn leuning op de bank liggen en zou nooit bij J. gaan zitten. Of hij bleef angstvallig tegen Kleinie aan liggen (die even bang was als hij), zodat ze minder opvielen.
Toen we gingen samenwonen, moest hij samen met Muis in de gehate reismand. Ik weet niet eens meer hoe we hem daar in hebben gekregen, maar het lukte. Het was een reis vol jammerende zieligheid.
Eenmaal in Brabant aangekomen, zag hij Kleinie weer en was al gauw toch weer blij. Hij vond het heerlijk om als vanouds op het plaatsje achter het huis te komen – weglopen was voor hem niet eens mogelijk, al vonden de anderen hun weg via de schutting. Hij moest daar niets van hebben. Als de bel ging, vluchtte hij samen met Kleinie naar boven of naar het kiertje naast de schuur. Daar wachtten ze dan samen tot de kust weer veilig was 


En toen verdween hij wéér! Deze keer samen met Toekie. Hoe kon dat nou!? De vaatwasser was vervangen en de voordeur had daarbij opengestaan. Ik was weer in paniek, want hoe kregen we twee bange katten terug in een buurt van een plaats waarvan men zei dat het vergeven was van de kattenmeppers? We hingen weer flyers op en liepen keer op keer roepend de hele buurt door. Toen we aan de tafel in de keuken zaten, meende ik hem zelfs te horen miauwen. Zou ik dan eindelijk officieel gek worden?
Maar de derde dag hoorde ik hem weer en ditmaal kon ik de locatie achterhalen: het klonk vanachter het fornuis … Die was in een nis ingebouwd, met ruimte er achter. Opeens dachten we aan de nieuwe vaatwasser en sloopten we de plint onder de keuken vandaan. Daar kwamen twee verfomfaaide, hongerige katten tevoorschijn. Er lag nog water van de gesprongen afvoerleiding, dus dat hadden ze wel gehad. Maar de honger! Er werden veel kopstoten gegeven, afgewisseld met schrokkend eten. Wat waren we opgelucht! Drie maal was scheepsrecht, vertelde ik Iffix en hij mocht nooit weer verdwijnen.


Dat schrokkend eten bleef een hele tijd, en dat kotste hij dan fijn weer uit. Soms werden we er flauw van, maar hij was al oud, dus ach. Hij was ook wel slim: wij hadden een vakantie geboekt terwijl Toekie een beetje ziek was, dus de buren zetten op ons verzoek dagelijks een bakje natvoer voor haar bij het bed. Bij terugkomst zag Iffix er nog meer als Hollands welvaren uit, en bleef om het bakje van het natvoer cirkelen. Oftewel: hij was slim genoeg geweest om het in te pikken 🙂

Hij begon te snappen dat het kattenluik iets was waar je tegen moest duwen en deed af en toe een halfslachtige poging. Meestal begon hij te mauwen en keek ons aan, waarop wij dan opstonden, met een voet (zonder schoen!) het luikje open hielden, waarop hij er elegant doorheen sprong. Buiten dronk hij het smerigste water dat er was – blijkbaar was dat het lekkerst – en als hij weer naar binnen wilde, zat hij op een stoelleuning in de tuinkamer en bleef indringend en mauwend naar binnen kijken, totdat wij hem zagen en de deur voor hem openhielden. Want het luikje ging naar buiten en dat was toch wel een brug te ver voor onze nozele man 🙂

Anderhalve week geleden lag hij met gestrekte hals in zijn mandje te slapen, als een stervende zwaan. Ik maakte me als altijd meteen zorgen, vooral toen hij een paar dagen later ook begon te zwoegen vanuit zijn flanken. Maar hij at nog lekker en kwam ’s ochtends bij Kleinie en mij op ons bed liggen, besprong haar nog met zijn grom en liefdesbeet met zijn ene overgebleven tand. Kleinie sliep gewoon door, en ik joeg hem als altijd van haar af. Dat deed hij donderdag nog, maar vrijdag niet meer. Hij ging ook niet meer naar de etensbak, maar hij had wel enorme honger. Dus kreeg hij Sheba, en genoot daarvan vanuit zijn mandje, terwijl drie anderen likkebaardend wachtten. Ik had wat filmpjes gemaakt en belde vrijdag de dierenarts en mailde de filmpjes. Ja, ze moesten hem toch zien, maar gezien zijn enthousiasme met eten kon dat maandag wel. Huisbezoek kon niet vanwege corona. We konden wel bellen als het erger werd en dat was zaterdagochtend het geval. Ik maakte een spoedafspraak, pakte hem tegen de tijd dat we weg moesten op (wat hij tot mijn verbazing toeliet) en deed hem in de reismand. Dacht ik. Hij vloog er als een razende klauwend uit, raakte een ader in mijn arm, dus wij moesten eerst pleisteren en dweilen en de dierenarts afbellen. Daarna ging ik hem zoeken – hij had zich boven ergens verstopt. Na veel zoeken zag ik hem om een hoekje van een verstopplek kijken, en gaf hem eten. Maar hij liet het staan.

Later vond ik hem onderin de kast boven, in een donker hoekje. Ik werd erg bang, want dit betekent doorgaans dat ze gaan sterven. Wel een uur heb ik onderin de kast gelegen, vleiend en aaiend, totdat hij wat ging eten. Later kwam hij naar beneden en sjokte naar zijn mandje. Hij at nog wel een hapje, maar het kostte hem te veel energie. Wij twijfelden vreselijk: de reismand is stress, maar is dit lijden of kan hij hier rustig sterven? ’s Avonds leek het al stervenstijd te zijn: hij lag op zijn zij onder mijn werkblad, zich afzettend tegen de computer. Ik huilde vreselijk, het was zo akelig om te zien en ik kon hem toch niet missen! Iffix werkte een boel slijm naar buiten en ging daarna tot onze verbazing weer gewoon liggen, pootjes opgevouwen onder zijn borst. Wij konden toch iets rustiger slapen, ik kon hem even loslaten en het lot zijn gang laten gaan.

Zondagochtend lag hij in zijn mandje, maar hij wilde niet eten. Van mij wilde hij nog wat Sheba-vocht van de vingers likken, maar het was duidelijk dat het slecht ging. Ik overlegde met schoondochter en later met een poezenvriendin en maakte weer filmpjes. Ze vonden allebei dat we hem toch moesten laten zien bij de dierenarts. De poezenvriendin vroeg of zij hem moest vangen, maar dat ging me toch wat ver. Ik rolde hem in een stuk fleecedeken en duwde hem de reismand in, die opeens veel te groot leek voor zijn magere lijf. Natuurlijk was ik bang dat ik hem pijn gedaan had, maar hij zat in de mand, dus we konden een dierenarts bellen. Die zou net naar huis, maar hij wilde wel op ons wachten. Het was een rit van een kwartier, maar al na 5 minuten hoorde ik een raar geluid en toen we onder een lantaarnpaal door reden, zag ik: hij was al dood … We zijn toch naar de dierenarts gegaan en die kon ook niet anders dan de dood constateren. Maar hij troostte me erg met de reconstructie van zijn ziektebeeld: hier was ook een week geleden geen redden aan geweest. Iffix had massief hartfalen en zijn hart was er nu mee gestopt. Het verklaarde het vollopen met slijm en zijn blauwe bekje na zijn dood. Het stelde me gerust dat ik hem niet tekort had gedaan en vooral dat zijn sterven onvermijdelijk was en niet perse met de reismand te maken had. Want daar zat natuurlijk mijn pijn: die reismand en de eeuwige strijd daarmee.

Maar hij lag er zo mooi bij, dat we hem in het onderste deel van de reismand hebben laten liggen voor de andere katten en voor mij. Hij lag een avond binnen totdat zijn ziel weg was, daarna bleef hij tot dinsdag in de tuinkamer. Kleinie rook telkens als ze langs hem kwam aan hem, iedere keer weer. Alsof ze het niet kon geloven. Ikzelf geloof het ook niet: hij bleef zo mooi en ik kon geen afscheid nemen. Maar op dinsdag groef J. een grafje, vlakbij Toekie en vlakbij huis. ’s Middags hebben we hem samen begraven en weer huilde ik alles aan elkaar. Hoe moest ik zonder Iffix, zonder deze kat met wie ik zo verbonden was?

Een paar dagen voordat hij echt ziek werd, liep Iffix van zijn plaats naast mij op de bank achterlangs over de leuning en ging naast J. zitten, hem aankijkend. Het was uniek, hij deed dat nooit. Dat moet zijn overdracht geweest zijn: “Ik ben zo lang de man in haar leven geweest, neem jij het nu van mij over” ❤ Die gedachte troostte me ontzettend, ook nadat we hem begraven hadden. En de blauwe plek van de krabben van zaterdag is er nog en telkens als ik er naar kijk, voel ik hem en zijn trouw. Hij blijft met mij verweven, altijd. Ook letterlijk: er zijn heel wat haren van hem in mijn borduurwerken terechtgekomen en meegeborduurd 🙂

Gisteren aten we friet en ergerde het me voorheen weleens dat hij dan constant bij me zat te hengelen omdat hij mayonaise van mijn vinger wilde likken, nu miste ik dat gehengel.
Er zijn wel honderd momenten op een dag dat ik denk aan Iffix zus en Iffix zo. Dat verdient hij ook, deze man die het langst bij mij bleef, die zo trouw was. Rust zacht, lieve lieve Iffixeman, je blijft voor altijd in mijn ziel ❤

Articles

Oorlog in mezelf

In Taal on 14 december 2020 door Marjolein Stam

Als tweede generatie-kind ben ik, zoals de meesten van ons, opgegroeid met oorlogsverhalen van onze ouders en grootouders. Mijn vader had het zwaar als hongerwinterpuber, mijn moeder was een kind van arme mensen op het platteland in het Noordoosten. Eén paar klompen voor een stel kinderen betekende dat zij om de beurt naar school moesten. Na de oorlog was er nog geen tijd voor pleziertjes; zij moest vanaf haar 14e werken en daarvoor was ze 14 uur van huis. Haar enige pleziertje was wekelijks naar de zang. Zij had een prachtige stem en kon moeiteloos bij elk lied de tweede stem zingen. Ze hield er levenslange vriendinnen aan over. Haar lichtpuntjes, die ze de rest van haar leven meenam en waar ik van genoot.

Mijn vader was een ander verhaal. Door de hongerwinterverhalen en de hongertochten die hij met zijn moeder en zusje vanuit het westen moest lopen, de vreselijke dingen die hij onderweg tegenkwam en ook thuis, waar honden en katten van straat verdwenen, en waar Duitsers kleine meisjes uithoorden over waar hun vader verstopt zat – die daarna vanuit zijn schuilplaats opgepakt en doodgeschoten werd. Die dingen maakten diepe indruk, meer dan de verhalen van mijn moeder. Al waren die even erg. Haar vader was tewerkgesteld in een Duits kamp omdat onderduiken zou betekenen dat zijn oudste zonen dat ook zouden moeten. Zij leden ook honger. Maar bij mijn vader waren er twee broers afgevoerd naar werkkampen en eentje kwam met grote problemen weer thuis. Erg, erger, ergst.

Wat ik altijd meekreeg, was de honger. Ik was een ondervoed kindje, weliswaar ruim 11 jaar na de oorlog geboren, maar ik was vaak ziek en had daardoor geen weerstand. Naast het dagelijkse levertraandrama waren er drama’s van slagroom en eieren moeten eten, of ik dat wilde of niet. Tegenwoordig wil ik dat veel te graag 🙂 maar toen was het toch een ander verhaal. Zo heb ik de oorlog in mijn ouders onbedoeld en ongewild overgenomen. Het enige wat daar van over is, is mijn moeite met het weggooien van eten. Pas als het beschimmeld in de koelkast staat, gooi ik het weg. Een houdbaarheidsdatum zie ik nauwelijks, tot grote afschuw van kinderen en kleinkinderen.

2020 wordt gekenmerkt door corona. Ondanks alle maatregelen konden wij gebruik maken van de versoepeling en een midweek op de Veluwe doorbrengen toen onze vloer werd geschuurd en geolied. Het was een mooie midweek in een fijn huisje met mooi weer, heerlijke fiets- en wandeltochten en een heerlijke dag met kennissen die op slag vrienden werden. In juli konden we weliswaar niet naar de geplande F1-race, maar de 5 dagen erna konden we wél vlinderen en ontspannen in Oostenrijk, met opnieuw heerlijk weer, (kreunend) de alp op klauteren om daar van de mooiste vergezichten te genieten. Aansluitend waren we nog twee dagen in de Eifel, waar we ook genoten hebben. En in augustus konden we een mooie midweek met de kleinkinderen naar Zuid-Limburg. Kortom: genoeg te genieten en prachtige herinneringen gemaakt, ondanks dit rare jaar.

Maar nu alles weer oploopt en we met een onzichtbare vijand te kampen hebben, merk ik dat het oorlog in mij is. Mijn calvinisme over wat ons kan overkomen veroordeelt de jongeren die feesten en mensen die zich niet aan (in mijn ogen) noodzakelijke maatregelen willen houden. Het land gaat vannacht al op slot en mensen klagen en roepen. Niet iedereen – ik chargeer omdat die berichten me opvallen, mijn gevoel daar achter blijft haken. Want had men in de oorlog een keuze? Toen kon er 5 jaar niet gefeest worden, toen kon er helemaal niks en hebben onze ouders en grootouders toen lopen klagen?

Daarmee kom ik bij de oorlog in mij. Ik word heel boos op feestende jongeren en protesterende volwassenen, alsof ik zelf aangevallen word. In mij klinkt dat overbekende verhaal van lijden van mijn ouders en grootouders, dat ik blijkbaar meedraag en dat zorgt voor onterechte boosheid. Het is ook mijn vijand, dat virus, het is de vijand van iedereen – of je er nou wel of niet in gelooft. En niemand wil opgesloten worden. Toch heb ik de vorige lockdown als heel rustgevend ervaren. Wij hadden het samen goed en het was niet anders. Maar nadat we in de zomer weer van de vrijheid proefden, is het moeilijker om weer terug te gaan.

En mijn oorlog, die is van mij. Niet van jongeren, niet van degenen die er niet in geloven. Het is iets in mijzelf waar ik de komende stille weken mee aan de slag kan. Want voor ons blijft de wereld open, we kunnen online alles kopen wat we willen en hier komt een einde aan. Net als aan de oorlog trouwens. Daar mag ik 75 jaar na dato ook wel eens een punt achter zetten. Ik ga mijn best doen en focussen op de mooie dingen. Het wordt tijd dat het stil in mij wordt.

Articles

Man met hond

In Taal on 16 maart 2020 door Marjolein Stam

Ruim 5 jaar geleden kwam hij in mijn leven. Ik kende hem al jaren van een taalforum, waar we samen met anderen enorm veel plezier hadden en dezelfde humor deelden.
Maar hij had een vrouw, dus ik zag hem niet als iemand van wie je kon houden. Bovendien had ik besloten dat het wel genoeg geweest was, ik had het eindelijk wel zonder man naar mijn zin.

Zijn vrouw overleed vlak voordat mijn vader overleed en we hadden steun aan elkaar. Hij wilde me ontmoeten, met eigen ogen zien. Dus reed hij vanuit Brabant naar me toe, met het hondje dat zijn vrouw hem had nagelaten. Ik had een hard hoofd in dat hondje omdat poes Miss Muis erg dominant is. Dat bleek: ze daagden elkaar uit en deden telkens een ‘wie is de sterkste’-krachtmeting. Daarbij ging Muis op de trap zitten en zat het hondje op de vloer en werd er gestaard. Tot mijn grote verbazing won de hond!

Ik vond hem leuk, maar ik had allerlei argumenten om hem op afstand te houden: te klein, te snel, ‘too eager’ – verzin het maar. Maar langzaamaan vond ik hem wel steeds leuker. Hij was altijd bereid om alles voor me te doen. Een lieve, goedlachse man. Maar toch …
En toen gingen we een middag naar het buitendijkse land en zouden een metalen trap op. Dat kon het hondje niet, dus hij droeg haar. Op dat moment werd ik verliefd, toen hij haar zo vasthield, terwijl ik voordien weleens dacht: ‘waarom moet die hond overal mee naartoe’. Maar dat beeld van die man met hond was zo ontzettend lief! Ik smolt.

We gingen al snel samenwonen toen we een leuk huis vonden. Ik wilde niet dat hij daar alleen met het hondje zou wonen en we telkens heen en weer moesten. Want 265 km is erg veel om te latten, en ik moest toch al reizen om mijn familie te zien. Dus hakten we de knoop door en verhuisde ik met 4 poezen naar het zuiden. We werden een samengesteld gezin, grapte ik: hij met het hondje, ik met de poezen.

De poezen moesten wennen, behalve Miss Muis, die meeliep met het rondje met het hondje. Binnenshuis meden zij elkaar, maar buiten was dat anders.
Het hondje was doodsbang voor onweer en op een nacht hoorde ik ander getik van nagels dan ik gewend was. Ik liet mijn hand uit bed hangen en werd tot mijn verbijstering aan mijn vingers gelikt. Het hondje had de trap weten te beklimmen 🙂 Tot ongenoegen van de baas.
Toen we met de auto op vakantie gingen, namen we het hondje mee en bleek zij dingen te kunnen die wij nooit verwacht hadden. Zo klom ze in het Tsjechische Tiske Steny ongehinderd over uitgesleten trapjes, over rotsen, en liet ze de kracht van haar ras zien: ze was waarlijk een Tibetaans Bergleeuwtje! Thuis heeft ze het na die ene keer nooit meer aangedurfd.

Omdat de poezen van mij altijd een scheutje koffiemelk kregen, sloot zij verwachtingsvol aan bij de meute in de keuken 🙂 Later kreeg ik steevast een likje aan mijn been als ik beneden kwam; zij wist dat er koffiemelk in het verschiet lag. Datzelfde gold voor de kaas die ik ’s avonds altijd neem. Ze wist het feilloos, ook toen ze al doof was en halfblind door de staar.
Ze was een hondje op leeftijd, dat werd steeds duidelijker. De kwaaltjes werden geleidelijk aan wat erger. “Ze wordt oud”, zeiden we. Maar met 14 kon haar gebit nog onder gas-narcose onder handen worden genomen; ze was toch nog fit genoeg.

De laatste tijd ging het hard. Eerst was er het door één poot zakken. Het bleek dat de knie van de ‘rail’ liep, die dan al lopend weer op de plek schoot. Daarna was er het vele plassen, dat door een blaassteen werd veroorzaakt. Daarvoor moest ze een echo hebben, maar dat werd een drama – ze raakte volledig in paniek en men belde dat ze opgehaald kon worden. Maar goed, duidelijk was dat ze speciaal voer moest hebben. Dat vond ze minder lekker maar ze verstopte het wel als vanouds in haar mandje in de keuken. Sinds ze niet goed meer hoorde had ze zowel in de (open) keuken als in de kamer een mandje en het keukenmandje ging de hele keuken door als ze er haar brokken in verstopte en daarna opat 🙂

Ze zakte steeds vaker door haar poten en begon te janken in haar mand. Daar kon ze dan niet uit; het achterste deel van haar rug werd krommer en smal. Wij vonden dat ze te veel leed en gingen naar de dierenarts. Die dacht dat laseren haar kon helpen en deed twee keer een behandeling. Maar de tweede keer was ze zo bang dat ze daar haar plas liet lopen en constant jammerde. Wij besloten het hierbij te laten, gaven haar pijnstilling en wisten dat ze in haar laatste fase was beland. Maar toch, als ze kwispelde of aan mijn been likte, vonden we dat fijn. Maar steeds vaker moesten we samen praten over het einde.

Dat einde hebben we haar nu 10 dagen geleden gegund. Ze sliep diep toen de dierenarts hier kwam en werd alleen even wakker van de nare narcoseprik. Daarna was ze snel weg. Binnen een uur was haar ziel ook weg. We hebben haar ’s avonds in haar mandje in onze tuinkamer gezet om de poezen gelegenheid te geven afscheid van haar te nemen. Dat gebeurde niet, poes Kleinie was doodsbang en durfde niet langs haar, de andere poezen besteedden totaal geen aandacht aan haar. Wel vonden we ’s ochtends een kleikorrel die veel op een brokje leek voor de mand. Dat moet Muis gedaan hebben, die geeft cadeautjes. Het vertederde ons. Muis zat ook bij de hele euthanasieprocedure aandachtig toe te kijken – zij was deel van ‘de kring’ en voelde alles, daar zijn wij van overtuigd.

We hebben haar de ochtend na haar sterven weggebracht en voorgoed afscheid genomen. Binnen een week zat Muis plukkerig in de vacht, ze likte hele stukken kaal. Omdat we de mandjes meteen weggedaan hebben, zagen we telkens die lege plek. Daarom legde ik een zachte speeldoek op de plek van het mandje. Muis ging er acuut op zitten, en verhuisde daarna naar haar mand. Dat is nog steeds haar routing want ze mist ook het rondje met het hondje.

We missen haar, mijn ‘stiefhondje’, zoals ik haar altijd liefkozend noemde.
Ik hield van het hondje zoals ik van de man houd.

Dag lief stiefhondje, dank je wel voor de ruim 5 mooie jaren waarin je me je onvoorwaardelijke liefde gaf. Dank je wel voor 12 jaar vriendschap met de baas.
Je bent vrij en je speelt op de regenboogbrug ❤

Articles

Kronkels

In Taal on 26 januari 2020 door Marjolein Stam

Heel vaak word ik als raar gezien en/of bestempeld. Mijn gedachtegangen zijn zeg maar ‘anders’. Ze kronkelen soms met een lus, waardoor mensen me niet snappen. Ik denk moeilijk waar het makkelijk kan en dat zorgt vaak voor de nodige hilariteit.

Zo had ik jaren geleden rugpijn en ging met de auto naar mijn werk (wat hooguit 800 meter verwijderd was). Achteraf begrijp ik niet dat ik niet op de fiets ging, maar destijds was dat volkomen logisch. Eenmaal klaar met mijn werk, bleek de auto een lekke band te hebben. Met nog altijd de fiets in mijn achterhoofd, zette ik de auto in zijn vrij, deed het raampje open en duwde de auto naar huis. Waarom? Vanwege die lekke band, die thuis geplakt kon worden. Duhh … ik ben er lang mee geplaagd want mijn duw-actie was niet echt goed voor mijn rug 😉

Rond dezelfde tijd moest ik ergens naartoe en mijn partner had me gewaarschuwd dat er een gat in de uitlaat zat. Als ik een raar geluid hoorde, gaf dat niet – er stond een afspraak bij de garage. En op de terugweg hoorde ik inderdaad een raar geluid. Ik reed bewust al binnendoor, want pech op de grote weg leek me niks. Dat heb ik geweten! De auto stuurde steeds zwaarder en trok naar links. Gelukkig moest ik telkens linksaf, dus het was te doen. Maar het geluid werd erger en natuurlijk was er praktisch geen verkeer op de binnenweg, dus ik werd behoorlijk onrustig. Toen iemand mij inhaalde en gebaarde, stopte ik en stapte uit. Tot mijn ontzetting zag ik dat het euvel niets met de uitlaat te maken had, maar dat ik een lekke band had, die al heel erg flapte. Ik reed op de velg. En dat naast die herrie van de uitlaat! De automobilist kreeg medelijden met me en eindelijk viel het kwartje bij mij. Na wat tegenstribbelen van zijn kant hielp hij dan toch de band te verwisselen (nee, niet plakken – het is geen fietsband 🙂 ) Ik kwam bijna huilend van opluchting thuis. Daar werd mij gevraagd of ik dan niet gevoeld had dat de auto zo trok? Jawel, maar ik moest toch telkens net linksaf! En dat geluid? Ja, de uitlaat …

Kortom: als een gedachte eenmaal in mijn hoofd zit, schakelt die blijkbaar moeilijk naar een andere optie. Ik kan nog tal van anekdotes noemen – sommige grappig, andere minder grappig omdat mensen niet begrepen wat ik dacht en me daardoor raar vonden. Ik heb in mijn leven talloze malen mijn kop gestoten – zowel letterlijk als figuurlijk – en die letterlijke keren kunnen er natuurlijk best mee te maken hebben. Of ik ben er mee geboren, dat kan ook. In beide gevallen kan ik er weinig aan doen. Inmiddels weet ik dat als het me dwars zit, het erger wordt. Dan raak ik acuut overprikkeld, kan me niet meer concentreren en raak de gedachtelijn helemaal kwijt. Want dat mensen me raar vinden, daar heb ik me op aangepast door ‘rare’ dingen te doen, door onbewust mijn gedrag zo te veranderen dat ik toch goedkeuring krijg. En dat werkt natuurlijk niet als men je niet begrijpt.

Gelukkig blijft de humor meestal wel. De laatste jaren ben ik vaak woorden kwijt of hussel ik ze door elkaar en ook daar zie je een soort lus in mijn gedachtegang. Volkomen logisch als je de weg kent, maar onbegrijpelijk voor diegenen die een ‘normaal’ verhaal verwachten. Want als je wilt vertellen over iemand uit Mozambique en je komt niet op de naam van het land, wordt het verhaal wat gecompliceerd. Ik omschreef het als volgt: “Uit dat land van die sijsjes, waar ze Braziliaans spreken.” Mijn partner hoorde me en zei dat in Portugal ook Braziliaans gesproken werd (hij kan mijn kronkels gelukkig wel volgen). Eigenlijk is het best knap hoe ik het omschreef, want in Brazilië spreekt men inderdaad Portugees en dat bedoelde ik 🙂

Zo kronkelen mijn hersens voort. Intussen probeer ik de prikkels in te dammen. Ik zie eindelijk dat mensen soms stukjes onthouden die ik volkomen logisch vond en begin te snappen dat het niet anders is. Kronkels verander je niet. Je gaat er zo goed mogelijk mee om en je probeert jezelf te accepteren zoals iemand zonder kronkel dat als vanzelf kan. En ik ben heel blij dat mijn partner mij begrijpt en ook mijn frustratie begrijpt als ik weer eens in een lus denk.

Ondanks zoveel liefde blijft onbegrepen worden pijn doen, maar de liefde en het begrip van mijn dierbaren maken heel veel goed en kronkelen diep mijn hart binnen. En dat is het allerbelangrijkste.

Articles

De laatste Stamgast

In Taal on 14 mei 2019 door Marjolein Stam

In 2003 kreeg ik na een rugoperatie een babykitten om te verzorgen. Binnen een paar weken had ik er 12 en werd Stichting Stamgasten geboren. Het is nooit een goed plan om dit soort dingen te doen als je niet begrenst, geen ‘nee’ zegt en bovendien geen degelijke opvang hebt. Mijn huis werd mijn opvang en mijn leven bestond uit kittens die dag en nacht verzorging nodig hadden. Daar kwamen schuwe katjes bij en gevonden moederpoezen met kleintjes.
Ik ga niet over alle drama’s vertellen – een opvang in huis is vragen om grote moeilijkheden. En die kreeg ik. Het kostte me veel, op alle gebieden.
Maar het leverde Toekie op.

Via een dierenartsenpraktijk kreeg ik in de zomer van 2003 7 schuwe boerderijkatjes van zo’n 4 maanden oud, waarvan Toekie de minst bange was en alleen zij droeg een cypers gevangenispakje. Ondanks dat de dieren niet plaatsbaar waren, hechtte ik mij niet aan hen; tenslotte waren het Stamgasten. Maar met Toekie liep het anders. Nadat ik ‘leeg’ moest vanwege schimmel, kwam zij een half jaar later veel socialer terug. Alleen in de reismand doen bleef een drama – ik kon haar niet oppakken. Maar ze was een lieve theemuts en vond het heerlijk om over haar buik geaaid te worden. Toen ik eindelijk zonder stichting terug ging naar vier katten, was Toekie daar eentje van en werd ze een eigen kat.

Toen ik naar Brabant verhuisde, kwam Toekie met Kleinie als eerste in dit huis om te wennen. Het bleek geen goed idee – de aannemer was aan het boren en breken terwijl wij in Friesland nog spullen inpakten. Bij aankomst zaten twee doodsbange poezen stijf tegen elkaar in een hoekje in het donkere washok. Ik heb een hele tijd moeten praten om ze zelfs maar te kunnen aaien, zo bang waren ze.
Maar na de verhuizing kwamen ze los en werd dit hun thuis.

Toekie kwam wel achter het huis, maar klom niet op het dak of de schutting. Ze was bang voor vreemden, totdat haar gezondheid achteruitging en buren voor haar zorgden. Ze kreeg natvoer en daar had ze de vreemde ogen wel voor over.
De laatste maanden was er een complete omslag: ze was voor niemand meer bang; er was altijd een kans op eten 😉 Dat had ze ook nodig, ze werd magerder en slomer.

Twee weken geleden vonden we haar blik niet goed. Ze mocht thuis sterven, in haar eigen tempo, maar we wilden niet dat ze leed. Ze was intussen zo ver heen dat ik haar zonder problemen kon oppakken en in de reismand kon doen. Dat was maar één keer eerder gelukt: jaren geleden toen ze een longontsteking bleek te hebben. Ze is toen voor de dood weggehaald. Deze keer zag de dierenarts een oude kat, buiten uitdroging had ze geen grote problemen. Een oude kat was geen dooie kat, als wij dat wilden, gaf hij haar een infuus. Natuurlijk wilden wij dat en na 48 uur infuus kon men bloed prikken en bleek haar schildklier te snel te werken. We haalden haar op, gaven haar 2x per dag een pilletje met haar Sheba en tussendoor kreeg ze kleine brokjes die ze ook heerlijk vond.
Ze knapte zienderogen op, kwam aan en had weer die levendige, nieuwsgierige blik. Gisteravond was ze eindelijk aan het uitvinden hoe het kattenluik werkte. Ze redde het nog net niet. We zeiden: “Morgen of overmorgen kan ze het!”

Vanochtend kreeg ze haar pilletje en haar bakje voer, waarna wij onze dingen deden. Drie uur later was ze spoorloos. We riepen en zochten, schenen met zaklampen in elke donkere ruimte, checkten de schuur en zelfs de koelkast.
Toen ik al zoekend de hond uitliet, vond ik haar. Ze lag half in de heg met beschadigingen in de vacht aan haar achterpoot en aan haar flank. Ze was al stijf. Ik heb haar huilend in een doosje gelegd en in de schuur gezet.
We waren allebei ontdaan en ontzet want hoe was ze uit de tuin gekomen?!
Dat zal een raadsel blijven, we weten het niet. Onder de schuttingdeur door past niet, over de schutting deed ze absoluut niet. En toch lag ze daar, dood.

Nog nooit heb ik zoveel jaren een huisdier gehad – ze worden niet zomaar 16! Het is nog niet te bevatten dat ze nooit meer krijst als je op haar poot staat, dat ze nooit meer tegen ons aan zal komen liggen, dat ze nooit meer in haar mandjes zal liggen die we allemaal voor haar kochten, maar die de anderen telkens inpikten. Ze ligt nog in het doosje met een roos bij haar. Kleinie heeft haar van top tot teen besnuffeld en gaf daarna een kopje aan het doosje. Dat troostte me. Vanavond voelde ik dat ze weg was, haar ziel was weg uit haar lijfje. Het geeft zo’n grote leegte!

Morgen begraven we haar. Lieve, lieve Toekie, de laatste Stamgast, wat houd ik van je. Je was zo’n deel van ons ‘gezin’, van ons leven samen. Wat zullen we je verschrikkelijk missen.
Dank je wel voor je vertrouwen, voor je moed, voor je onvoorwaardelijke trouw en liefde. Dank je wel voor je unieke karakter en bovenal: dank je wel dat je alle 16 jaren van je leven met me wilde delen en dat je meteen van J. hield.
Je blijft voor altijd in ons hart ❤

 

Articles

Valse vrienden

In Persoonlijks,Taal,Woordspelingen on 15 oktober 2018 door Marjolein Stam getagged:

Tijdens de voorbije week heb ik weer vele valse vrienden meegemaakt en daar met goede vrienden ontzettend om gelachen. Ik was bij mijn lievelingsnicht en haar familie in Oranienburg – Berlijn, waar we nogal wat verjaardagen te vieren hadden.
Natuurlijk kwamen daar de Falsche Freunde tussen onze verwante talen uitgebreid ter sprake, wat als altijd voor veel plezier zorgde.

Zo was daar Petra, die me jaren geleden zei dat ze haar naam lelijk vond. Ik zei dat ze een prachtige naam had met een mooie betekenis. Maar ik was wel de vertaling kwijt, dus keek hulpzoekend mijn nicht aan en vroeg ‘rots’? Dit resulteerde in een lachstuip van de nicht, terwijl Petra’s gezicht droop van afgrijzen. Rotz betekent in het Duits namelijk een snottebel …
Sindsdien zeggen we als we elkaar zien: ‘Da ist die Petra Rotz!’ 🙂

Duitsers moeten in Nederland altijd lachen om de bordjes met 3x bellen en nog meer om alles wat met huren te maken heeft. De slogan ‘Auto huren 10 euro per uur’ zorgt voor zowel onbegrip als onbedaarlijk lachen. Want zoals Najib Amhali al zei: ‘Hoer is doer!’

Andersom zijn er ook eigenaardigheden: als iemand tegen mij zegt: ‘Ich bin pleite’, dan zeg ik ‘doei’. Maar het betekent dat men platzak is. Verwarring ten top!
Als Nederlandse (een volk dat alles verkleint, wat in het Duits niet kan) zei ik nadat men mij dat omstandig uitgelegd had braaf “Das ist ja ein Riesenkanin!”. Laat nou Kaninchen (en Eichhörnchen) zo’n beetje de enige woorden zijn die men niet kan vergroten!

Altijd weer vertellen wij het verhaal over de openhartigheid van Duitse vrouwen die mijn nicht zo typisch vond: zij klaagden openlijk over pijn in hun kruis. Het was bijna gênant hoe makkelijk men dat zei. Totdat ze begreep dat het kruis bij de Duitsers in de rug zit. Als we dan uitleggen dat het bij ons op een andere plek zit, zorgt dat vanzelfsprekend ook voor hilariteit.

Doordat ik de afgelopen week met een neef soms ook Engelse termen gebruikte, schudden mijn talenlades nogal door elkaar en kwamen er wat kruisbestuivingen uit. Mijn nicht begon over een patrijs die in het Engels gewoon partridge heet, maar in het Duits een totaal afwijkende naam heeft. Na enig nadenken zei ze: ‘Rebhahn’. Ik dacht half in het Engels en vroeg verbaasd: ‘Rape Hahn’? Ik denk dat deze vogel als Vergewaltigungshahn in onze geschiedenis blijft bestaan, net als Kanin en Frau Rotz.

Vals-vriendelijk bezien zou Pinkeltje in Duitsland een incontinente kabouter zijn, zoals zoveel dingen in andere talen zo anders zijn dan in de onze. Op de keper beschouwd zijn de valse vrienden dus geweldig – helemaal als ze bij dierbaren horen.

IMG_1529

Articles

Kestvehaal op zien Twents

In Taal on 26 december 2017 door Marjolein Stam

IMG_5705 os ezel en kind

Wegens een groot gebrek aan inspiratie mijn niet al te goed leesbare succesverhaal nog eens op herhaling. Geschreven in het Twents, speelt het zich af in het Friese deel van Israël.

In het noorden en het noordoosten zijn we vaak wat verlaat. Dat noemen we het ‘Tukkers kwartiertje’. Sinds een aantal jaren ben ik tot mijn eigen spijt een ster in deze kwartiertjes, die zich met gemak tot uren aaneenrijgen. Dus lijkt onderstaand verhaal me nog ruim binnen de tijdslimiet.
Omdat ik het zo’n schitterend verhaal vind, zocht ik lang maar tevergeefs op het web naar Kraomschudd’n in Mariaparochie van Herman Finkers. Nou ja, toen heb ik zelf maar een Twentse versie van het kerstverhaal geschreven. Twents moet je – net als Fries – hardop lezen om het te begrijpen.
Mijn versie is hier en daar geënt op Finkers (de van hem overgenomen grappen zijn aangeduid met een *) en elders op de Bijbel, waar volgens mij geen copyright op rust.

Waart oe, hier kump ’t – ai d’r teminste wies oet kunt wørn: Kestvehaal op zien Twènts

’t Was gloep’ms kold toen Josef met zien mèken Maria noar Bartlehiem mos. Da mos van keizer September um te tell’n hoevølle volk d’r noe eingk in ’t laand woon. Maria kwaamp uut Bartlehiem en dah was nig bes want ’t was van woar zie noe woon een knap ende troggeloop’m. En ’n keerl met vleugels op ‘e rogge had heur een zet eleen mooi tuk had deur te zeng dat-e een engel was en dat Maria uutverkoorn waar. En noe dach Maria dat zie deur ’n eiligen geest in verwachting was raakt. Ach, Maria was niet al te nozel* en Jozef ok nie, want hi’j gleum’t krek zo. Den ‘engel’ had teeng hum ‘ezegd dat hi’j niet hoem te vreez’n. Joa, zeg dat mar’s teeng ‘n timmerman… Den dut nig aans as frees’n!*

Diejen keerl had ezegd dat sie d’ Eiland op de weerld zoll’n zett’n, d’n Veløsser en zie muss’n um Jezus nuum. Ach, al die jongluu heett’n doar Jezus, dus iene meer of minder deud d’r ok nig toe. Mar de zeune van God, gottegot, doar waar’n ze toch wah raar van in ’n kop!

Mar good, zie moss’n dus neug vöt, mar Maria had mie doar ’ne dikk’n buuk, den kon zelf gien sandale meer an de vuute krieng. Dus Josef op zuuk noar ’n èzel zodat Maria niet hoem te loop’n. Hi’j had better veur ’n kameel kunn’n zørg’n, dan had zie meer steun an ’n buuk en an de vuute had dan noe. Noe slept’n heur de vuute iedere keer oaver de grond en bolderd’n zie veuroaver as ‘n èzel weer es bokt’n. Zie wødde d’r knap sloerig van en zie begon wat te heu’n en te driem dat zie vot mossen maak’n want dat wichie kon ’n kop onderweg wah ’s naar buut’n stekk’n. Sie vuuln zich ok alsmar sloeriger wørn, kreeg las van de rogge en dah geschud op ‘n èzel hulp ok nig met.

Gelokkig zaang zie in de verte Bartlehiem ling en Jozef gaf ’n èzel nog een extra zet teeng de konte dat-e de kop an ’n stien stoot’n. En ie wit wah wat d’r dan gebeurt …
’s Oams waarn zie d’r eindeluk. Wat ’n onmeunige reize en wat ’n gedoe veur’n volkstelling. Dat had ok wah aans ekund, met postdoem of stembroos of zowat. Maar ja, den keizer, den lag ait dwars. ’t Mus ait muuluk gaon en mangs was da wah te begriep’n, mar de meeste tied dach ’t volk dat den keizer iets te geern een olle klaore lussen.

Nou, zie waarn d’r. Mar doarnoa heur ie nooit meer wat oaver die telling terogge, dus wat dat noe veur zin had? En hoevulle luu woond’n d’r en forensd’n d’r ok wat of trøkken d’r een zet van ’n steun? Ik kan ’t naans vin’n. Ikke zelf denke dat ’n smoes was om diej’n Josef en Maria veur gek te zett’n. Den engel woar zie helemoale vol van waarn (van Maria ko’j da ok letterlijk wah zeng) had ezeg da da wichie in Bartlehiem geboorn zol wørn. Nou, da had-e wah good!

Maria reup ach en wee en had ok wee’n maar ja, ziet moar ‘s ’n hotel te krieng in ’t hoogseizoen as oe ’t vruchtwater al in de sandaal’n steet. Noe had diej’n engel ‘ezeg dat ‘t wicht in ’n stal geboorn zol wørn maar dat geleum die twee kuukns nie. Wah denk’n da’j van de lucht in gezeengde umstandigheed’n raakt maar nig geleum da’j da mut bezuurn in ’n fosse stro … Zo geet dat met diej’n reizend’n Tukkers.

Jozef had’t wah probeerd, doar kan’k niks van zèng. Hi’j had wah wat veur zijn mèk’n oaver, maar zie kwaam nig in ’t hotel, zie mossen toch in ’n stal. En wat denk ie? Doar stund’n ‘nosse en … ’n èzel.
Ik vroage mie noe al joarn of of dat zien eing gehuurde èzel was of ’n aandern. Want as ’t ’n aandern was, woar was de ziende dan? Bie ’t èzeltrefpunt? Bie rentedonkie? Fokt’n ze doar èzels in Bartlehiem of grøjn die doar soms in ’t wild? Mar good, d’r stund dus ’n èzel in ’n stal. En ‘nosse. Schienbaar gönk dat good saam, ik wit ’t echt nig. ’n Koo was dugmie haandiger ewèst, daor ku’j melk oethaaln, moar wa’j as cafébaas noe toch met ‘nosse mut, das mi-j ’n roadsel.

Dah zie derèk zaang dat ’t ‘nosse was, dat vink wah knap. Ie mut d’r nog wah raar veur goan ling om dah te bekiek’n, maar Maria zal wah derèk van de sokk’n goan wèn en op ’n vodse in ’t heui teregkomm’n wèn.
Ik denke nie dat zie vølle hoem te pers’n, den èzelrit had ’t zowat ah wah daon. Josef mos nog onmeunig anmaak’n um ’n fosse heui of stro in ’n voerbak te leng want hi’j had zich nog niet ummedreid of doar was ’t wich ah. ’t Was een keerltie maar dah wuss’n ze ah. Zie trøkken ’n olde todde an fladden zodat ze pempers hadd’n en daor lag Jezus dan. Kloar. Oaver deup’m wødt ok niks ezèg en zie bint in’t oostn zowat ammoale katteliek. Mangs begriep ik niks van ’n Biebel.
Ok oaver ’n navelstrenge wødt gien woord ‘eschreem, ok ah zo vremd. Ik denke toch nie dat zie een goeie schere hadd’n in die tied, en as zie’m hadd’n, lag-e wis en wrachtig nig in ’n stal!
Maar misschien hef ’n èzel de boel op’evrett’n, dah kan. ’t Is good ekomm en da’s ’t veurnaamste.

Oh joa, en dan he’j nog gezever oaver herders die bie Dracht’n laang en die van ammoal zing’de Engelsen derèk noar de stal woar ’t wicht lag, henne moss’n. Bartlehiem is nog wah een knap ènde van Dracht’n of, en moss’n die herders dan niet teld wørn? En woar die Engelsen iniene vut kwaam, week ok ah nig. D’r was toch gien Viefsteentoch (ie heurt nigs van ‘niesmeester of wah dan), dus zie bint ’t Knaal ok nie oaver komm gliern. ’t Mag dan gloep’ns kold ewèst hem, mar as die gliertocht d’r was ewès, was d’r dugmie wah knap oaver kuierd. Nee, die Engelsen bin’t mie ok ah ’n roadsel! Meschien hef dah zing d’rmet van doon, dasse oefen’n veur ’n konkoers of wat. Ik prakkezere d’r ok nig meer oaver, ik gleuf’t ammoah wah. Zo heurt’t ja ok.

’t Was ’n knap drokke bedoening daor in ’n stal: zie kwaam ammaoh te kraomschudd’n. De cafébaas haald’n rap ’n paar pott’n boer’njongs en van dah smeerge peern- of beernspul oet de veurroadkaste en verkoch bès. Veur de kraomvrouwe had-e netuurluk braandewien en donker bier veur ’t zog. Ik gleuve dat-e nog jaor’n ’n stal verhuurd hef an luu die ok zon ‘netuurluke kraom’ woll’n, en dat-e d’r vrekte good met oetesprøng’n is. Mangs hebt ze ’t er nog wah’s oaver hoe’n mooi’n tied dah was. Dan wødt ‘r op’m boernwaang trouwd in ’n stal en d’r wødt daans’n en zøng’ dat heurn en zeen oe vergeet.

Noe gleuk dat de Timmermans met ’t wichie nog lange en gelokkig lèm, mar dah was ammaoh zo’n gedoe um te lèz’n da’ wie dah maar veur waor annemt.
Dah book gunk nog ‘neeln zet vedan en ik hadde ok gien zin um alles te lèz’n want de rest was gleuk ok gien kestvehaal. O joa, wiezn oet toostn, die haan d’r ok nog met van doon! Die luu kwaam umdat ’n sterre de weg ‘eweezn had. Vezèls! Keizers, wiezn, Engelsen, ’n sterre, ik wit-t ammaoh nig maor ’t kump mie wah vremd oaver. Zie haan better naor Franeker kunn gaon, daor he’j ok ’n prötte van die luu zitt’n die ze nig geern op stroate zeet. Die zeet ok sterregies en hebt d’r sels ’n old’n zolder met vollemaak. In dah hoes mu’j zoa onmeunig noar boam’ kiekn da’j d’r gek van wødt.
Dah was nog wah ’n gedoo met diej’n Eise en zien buurn, mar ’t is um dan toch elokt en doar hep ze noe nog alle daang ’n prötte anloap van. Die sterre zal dus wah naar Franeker scheen hèm, kump mie veur.

En wiezn komt joa ait oet toostn, doar haan ze al nig zoa oaver schriem hoem, das toch vezèls? Op alle aandre plekk’n bi’j nig wies aj wiest – o’j noe van Bartlehiem of van Dracht’n komt, mè-da’j wiest, kom ie in Franeker in ’t gekk’nhoes oet. In toostn ku’j wah wiez’n, doar kömp völle volk van oaver de grènze umda toostn doar nog ’n heeln zet vedan geet. Doar bint ze wah wiezer dan noar sterr’n te wiez’n, zie wødt bie de gedachte ah benauwd dah diej’n zingde Brek met zien slager d’rop ofkump!

Moraal van ’t vehaal: waart oe veur Tukkerse ketierties. Veurda’j wit, mu’j dwars deur Frieslaan reiz’n en kommieop de gekste tiedn op de vremdste stee’n de raarste ding’ teeng!

(*D’r zatt’n toch maor twee Finkersgrapp’n in. De rest kwaamp ammaole oet ’n biebel en oet toetsnböd.)

Articles

Onbe-taal-baar

In Persoonlijks,Taal,Woordspelingen on 9 november 2015 door Marjolein Stam getagged: , , , ,

Vijf jaar geleden leerde ik van familie van mijn toenmalige vriend het Helmondse woord ‘filifauwen’, wat knuffelen betekent. Twee weken later was de relatie voorbij en verdween het filifauwen uit mijn leven.
Ik leidde een gezapig bestaan en vond het prima om alleen te zijn met mijn katten.

Dit jaar veranderde alles: begin dit jaar kwam er een Brabander op mijn pad. We kenden elkaar weliswaar al jaren via het Genootschap Onze Taal – dus door GOT 😉 – maar we hadden elkaar nooit ontmoet. Tot die dag in februari, toen hij mij op kwam halen en ik kennismaakte met deze goedlachse, slimme man met zijn grote hart en zijn zachte G. Hoewel ik het nog een tijd heb tegengehouden en bleef tegenstribbelen, veroverde hij mijn hart en ziel en werd hij de partner met wie ik kan sparren en bij wie ik mezelf kan zijn.

We delen de liefde voor taal en hebben dan ook vaak plezier om allerlei woordspelingen die onze talige geesten ons ingeven. Het is heerlijk en zó verfrissend om op gelijk niveau te praten, om grappen niet uit te hoeven leggen en vooral, om zo vaak en zo veel te lachen. Natuurlijk hebben we ook onze ernstige gesprekken, zoals iedereen dat heeft en zoals dat hoort, maar onze raakvlakken en zijn opgeruimde karakter maken het allemaal makkelijker. Zeggen wij op de Drents-Overijsselse grens dat iets “oons niks kan scheel’n” – waarbij je niet anders kunt dan chagrijnig kijken omdat je mondhoeken door de uitspraak als vanzelf naar beneden zakken, mijn lief zegt met zijn zachte G: “Daar geef ik niks om”. Dat klinkt zo veel liever en positiever! Hoewel ik altijd dacht dat ik het Brabants vervelend vond, blijken de uitspraak en die G dus juist verzachtend te werken.

Hij neutraliseert mijn calvinisme, ik ben rustiger en vooral veel optimistischer met en door hem. We zien elkaar veel, ook doordat je de afstand niet ‘eventjes’ doet. Het is toch 250 kilometer die we telkens moeten overbruggen. Meestal krijg ik maar één brug mee; nadat ik via mijn telefoon wat woordjes heb gelegd, gaat mijn stoel achterover en slaap ik tot vlak voor ons einddoel. Hij vindt dat prima, is blij dat ik rust krijg in de auto. Zelf heeft hij meer energie en vindt autorijden prettig. Gelukkig maar, anders zouden we elkaar niet hebben leren kennen.

Bij zo’n afstand begin je toch sneller na te denken over samen en hoe en vooral: waar. Ik heb geen echte banden met Friesland, dus voor mij is het simpel. Bovendien is uit mijn zwervend bestaan al gebleken dat ik overal kan aarden. We besloten dus om ons op termijn in Brabant te vestigen. Die termijn werd korter dan gedacht, want toen we een huis bekeken, werd ik op slag verliefd op dat huis en wilde ik niets meer dan daar zo snel mogelijk samen gaan wonen. De onrust van het heen en weer reizen, van de katten alleen laten, van het hondje dat mee-lat, al die onrust moet bedaren in dat huis dat ons past als een warme jas.

Hoewel we hadden bedacht dat Oss een mooie plaats zou zijn, bleek ONS huis in Helmond te staan …
Mijn huis staat in de verkoop en allebei zijn we aan het uitzoeken en inpakken om twee huizen (en smaken) in elkaar te schuiven. We sluiten compromissen waar dat nodig is en richten zo ONS huis in. Binnenkort krijgen we de sleutel en wordt de badkamer verbouwd, de vloerbedekking wordt catproof vervangen en er moeten wat muren gesausd. Als het gaat zoals gepland, vieren we samen kerst in ONS huis. Een jaar geleden had ik dit niet geloofd of gedacht, was dit onvoorstelbaar.

ONS huis staat in Helmond en uitgerekend daar hebben ze dat prachtige woord voor knuffelen: ‘filifauwen’.
We zijn gelukkig, mijn Brabo en ik. Hij is kleiner en ronder, maar qua inhoud zijn we gelijk. Het is goed filifauwen met deze man 🙂

Liefde voor taal en vooral gedeelde liefde is onbe-taal-baar.een paar apart

Articles

Op de knibbels

In Fotografie,Natuur,Paddenstoelen,Taal on 24 november 2014 door Marjolein Stam getagged: , , , , , , , ,

Deze diashow vereist JavaScript.

Normaal gesproken is de herfst niet mijn favoriete seizoen – ik ben van voorjaar, zoelte, zomer en zon. Dat we een herfst en winter hebben, is niet anders, maar die kille maanden mogen van mij wegblijven. Tenminste, dat vond ik altijd.
Dit jaar was dat anders: ik heb de paddo’s herontdekt: de kleinste, fraaiste paddenstoelen die overal zo uitbundig groeiden. Wat heb ik wat in aanbidding op de knieën gelegen, op een vuilniszak met daarin op zeker moment een kussentje omdat mijn knieën schaafden onder al die aandachtige aanbidding!
Het weer was ons ook gunstig gezind: we beleefden een prachtige nazomer en herfst, waardoor de paddenstoelen als ehm … juist! uit de grond schoten.

De compactcamera waarmee ik sinds de zomer werk, heeft 50x zoom, wat een behoorlijke macrofactor geeft. Desalniettemin vond ik dat onvoldoende; toen ik doorhad dat je met een macroklem nog meer scherpte en diepte kreeg, moest die natuurlijk de moeilijkheidsfactor van uit de hand fotograferen nog extra verhogen. Stel je voor dat het te simpel wordt … Om naast mijn bepakking (gegroepeerd rondom mijn taille) ook nog met een zak rijst te gaan slepen was me te gek, dus het moest vanuit de vrije hand of met de camera op de grond. Dat laatste is wat lastig zonder zoeker, maar je moet er wat voor over hebben, nietwaar?

Het begon al tijdens de laatste excursie van de Vlinderwerkgroep, maar toen was ik zo op de rupsen gefixeerd dat ik te weinig rust nam om de zwammetjes goed te fotograferen. Dat veranderde snel toen ik in oktober samen met een natuurvriendin naar Bakkeveen ging om daar in de bossen op de knibbels te gaan. Voor degene die het woord niet kent: knibbels zijn Friese knieën 🙂
We hebben maar een klein stukje bos bestreken, druk als we waren met opstaan en weer knielen, scherpstellen en afdrukken. Heerlijk! Na ruim 2 uur waren we gaar want ondanks mijn verbeterde conditie na mijn dieet- en bewegingsregime van het afgelopen halfjaar is al dat bukken en weer opstaan toch inspannend. Niet dat het wat uitmaakte: ik fietste een paar dagen later vrolijk naar Ypey – een park bij een naburig dorp – om daar ook paddo’s te scoren. (Waarmee ik onschuldig fotograferen bedoel 🙂 )

Papegaaizwammetjes

Het werd helemaal interessant toen ik deelnam aan een excursie in het wasplatenreservaat. Wasplaten worden de orchideeën onder de paddenstoelen genoemd, zij komen voor in de duinen en in weilanden waar nooit kunstmest is gebruikt. De Rotstergaasterwallen is het enige reservaat in Nederland en kent een enorme soortenrijkdom. Het was een totaal andere ervaring om die kleine, prachtig gekleurde beauty’s te vinden in een drassig weiland in plaats van in een bossige omgeving. Mijn rubberlaarzen stonden thuis in de gang en ik liep soppend in mijn schoenen rond. Dat mocht de pret niet drukken, want er was enorm veel om voor op de knibbels te gaan! Naast wasplaten was er ook een scala aan satijnzwammen te vinden, en ander moois dat de moeite van aanbidding waard was.
Qua wasplaten waren we wat vroeg; onder leiding van de gidsen van Staatsbosbeheer vonden we 7 verschillende soorten. Toen we 10 dagen later opnieuw deelnamen, was het soortenaantal verdubbeld – zelfs voor het reservaat een ongekende verscheidenheid van tegelijk voorkomende soorten. Het was genieten met een grote G en ik kwam telkens met honderden foto’s thuis.

Het doet wat met je, dat buiten zijn en je focussen op dat miniatuurspul. Het maakt je hoofd leeg en haalt stress uit je lijf, het werkt zuiverend (zelfs al lig je in de koeienmest). Dat je met gelijkgestemden aanbiddend rond zo’n fragiel paddenstoeltje ligt, ieder proberend het zo mooi mogelijk vast te leggen, werkt verbroederend en tegelijkertijd bevrijdend. Al heb ik ook in mijn eentje een middag rondgekropen, met meer is het leuker. Je wijst elkaar op soorten en bent trots als je iets ontdekt voordat de gids het ziet. Ik was apetrots toen ik in het reservaat een minuscuul Aardtongetje ontdekte!

De eerste zondag van november ging ik weer op pad, nu naar het Kuinderbos, waar we een middag genietend doorgebracht hebben. Daar vonden we weer totaal andere schoonheden dan eerder in Bakkeveen en in het reservaat. Naast paddo’s zagen we parende heidelibellen, die dansend hun eitjes in het water afzetten, we genoten van een Daliaans stuk bos, waar mos langs elk takje omhoog kroop en zo ieder stammetje van een groene sok voorzag en van de ongekend hoge temperaturen.
Ook tijdens die middag werden de knibbels niet gemeden. Mijn slechte knie protesteert nog tegen al dat geweld, maar het was het meer dan waard: ik heb zoals gezegd nog nooit zo’n mooie herfst beleefd, dankzij de prachtige paddo’s en de leuke mensen die ik het afgelopen halfjaar heb leren kennen. Daarvoor alleen al wil ik wel op de (desnoods blote) knibbels: al deze uitjes met gelijkgestemden verrijken mijn leven. Het was puur genieten, elke keer opnieuw. Amen 🙂

Deze diashow vereist JavaScript.

Articles

Tussen de lakens

In Fotografie,Natuur,Taal,Vlinders & nachtvlinders on 11 oktober 2014 door Marjolein Stam getagged: , , , , , , , , , , , ,

Het was een prachtige zomer en dat betekent dat ik veel buiten ben geweest, in de natuur. Van excursies met de Vlinderwerkgroep tot dagen in het veld met allerlei mensen die ik via Facebook heb ontmoet, IVN-avonden en excursies in het Leeuwarder Bos – ik heb de zomer optimaal ge- en beleefd. Daarbij bleven de avonden bij de vlinderlakens toch wel hoogtepunten: wat heb ik weer een bijzondere schoonheden mogen zien! Elk gebied kent zijn eigen vliegers, elke maand brengt weer andere vlinders en ik krijg er nooit genoeg van. Naast macro’s begin ik ook micro’s te fotograferen, al ken ik die nog nauwelijks bij naam. Vooralsnog heb ik aan het determineren van macro’s mijn handen vol. Maar gelukkig hebben we de foto’s nog – ik kan er nog menige koude wintermaand mee vullen.

Ik weet het: ik heb al veel vaker geschreven over de ‘pracht van de nacht’, maar al die verrassingen die zomaar op de felle lamp afkomen en op het laken landen – het blijft me mateloos boeien en fascineren. Dit jaar heb ik meer nachtvlinderavonden meegemaakt dan de afgelopen drie jaar samen: het weer werkte goed mee en ik had bovendien vaker vervoer, dus ik heb optimaal van alle avonden kunnen genieten. Thuis kwam er wat minder ‘bezoek’ op mijn blauwe lampje af; het lijkt er op dat de vlinders er aan beginnen te wennen. Of poes Miss Muis heeft er succesvol een aantal gevangen, dat kan ook nog, maar feit is dat er de laatste maanden nauwelijks nog vlindertjes op mijn raam landen. Ondanks een paar mooie vondsten eerder in het jaar was het tussen de lakens veel spannender!

We hadden een paar absolute top-avonden: de beste was na een snikhete dag op de Delleboersterheide, een prachtig natuurgebied, waar het laken op de broeierig warme avond uitpuilde van de nachtvlinders. Ik las dat er op de twee lakens 521 macro’s geteld zijn, terwijl het aantal micro’s nog niet duidelijk was! Dat is extreem veel en het was onbeschrijflijk om mee te maken. Ik had die dag een nieuwe camera gekregen, zonder dat ik de gebruiksaanwijzing kende, maar met enige instellingshulp door anderen heb ik gelukkig goede foto’s kunnen maken – beter dan met mijn andere, waarbij ik niet kon flitsen en met een zaklamp moest werken (en bovendien de vlinder bijna beschadigde omdat ik er zo dicht bovenop zat). Nu kon ik inzoomen en toch goede foto’s nemen. En er viel wat te klikken! Bij die 521 macro’s zaten twee bijzonderheden, waarvan eentje de absolute topper was: een totaal nieuwe soort voor Nederland! Het was indrukwekkend hoe Jannie Sinnema het uiltje feilloos uit de hordes vlinders plukte omdat ze deze niet herkende. De Sinnema’s verdienen deze triomf van een nieuwe vondst volledig: zij zetten zich samen al 40 jaar met hart en ziel in voor de nachtvlinders in Friesland en zijn een stuwende kracht achter de Vlinderwerkgroep. Zelf heb ik de uil geloof ik niet eens gezien of gefotografeerd; Jannie toonde hem in een potje – hij moest natuurlijk mee ter determinatie. Het was een overweldigende avond.

Ook bijzonder was de avond in tuin in Kollum: door de vlindervriendelijke beplanting van de tuin in combinatie met grote ruigtegebieden en een kanaal vlakbij het huis kwamen er mooie diverse soorten op de lakens. Het weer werkte mee: het was wat broeierig en dat is altijd prettig voor de nachtvlinders. De door mij zeer gewaardeerde hagedoornvlinder was in groten getale aanwezig – er kwamen wel 20 exemplaren van deze gele schoonheid naar ons toe. Pijlstaarten – die blijkbaar een ingebouwde klok hebben en pas rond middernacht vliegen – zagen we die avond niet, maar daarvan had ik eerder al tijdens de Nationale Nachtvlindernacht, in het Leeuwarder Bos en op de Delleboersterheide oude en nieuwe bekenden gezien.

Een speciale plek verdienen de Weeskinderen: op de Delleboersterheide zagen we een (bijzonder en prachtig) karmozijnrood weeskind, terwijl we twee en ook drie weken later bij excursies werden verblijd met het zien van een rood weeskind. Waarom ze zo heten weet ik niet; ondanks de naam ‘weeskinderen’, zijn ze wel familie van elkaar 😉 Het wachten is nog op een blauw en een zwart weeskind, dan is de familie compleet. Dat komt vast nog wel!
Ook bijzonder was de zilveren maan die we in een gebied zagen waar deze zeldzame parelmoervlinder niet eerder gesignaleerd was. Iets verderop zag ik daar ook mijn eerste luzernevlinder vliegen – helaas niet mogelijk om daar een foto van te maken. Als laatste hoogtepunt zag ik tijdens een fietstocht op Ameland vanuit een ooghoek een vlindertje op een stukje duinzand, dus ik ging bovenop de rem, camera in de aanslag, fiets omkeren en terug en daar zat een kleine parelmoervlinder, een typische duin- en kustsoort die je in de provincie niet zomaar ziet.

De laatste drie genoemde vlinders zijn dagvlinders, maar de nadruk ligt toch altijd weer op de macro’s en micro’s: spannende spanners, knappe uiltjes en mooie motten, veelal met poëtische namen. Je vindt ze wel in abri’s en op portiekverlichting, maar het grootste vlinderplezier beleef je toch tussen de lakens 😉

Deze diashow vereist JavaScript.