Archive for the ‘Taal’ Category

Articles

De laatste Stamgast

In Taal on 14 mei 2019 door Marjolein Stam

In 2003 kreeg ik na een rugoperatie een babykitten om te verzorgen. Binnen een paar weken had ik er 12 en werd Stichting Stamgasten geboren. Het is nooit een goed plan om dit soort dingen te doen als je niet begrenst, geen ‘nee’ zegt en bovendien geen degelijke opvang hebt. Mijn huis werd mijn opvang en mijn leven bestond uit kittens die dag en nacht verzorging nodig hadden. Daar kwamen schuwe katjes bij en gevonden moederpoezen met kleintjes.
Ik ga niet over alle drama’s vertellen – een opvang in huis is vragen om grote moeilijkheden. En die kreeg ik. Het kostte me veel, op alle gebieden.
Maar het leverde Toekie op.

Via een dierenartsenpraktijk kreeg ik in de zomer van 2003 7 schuwe boerderijkatjes van zo’n 4 maanden oud, waarvan Toekie de minst bange was en alleen zij droeg een cypers gevangenispakje. Ondanks dat de dieren niet plaatsbaar waren, hechtte ik mij niet aan hen; tenslotte waren het Stamgasten. Maar met Toekie liep het anders. Nadat ik ‘leeg’ moest vanwege schimmel, kwam zij een half jaar later veel socialer terug. Alleen in de reismand doen bleef een drama – ik kon haar niet oppakken. Maar ze was een lieve theemuts en vond het heerlijk om over haar buik geaaid te worden. Toen ik eindelijk zonder stichting terug ging naar vier katten, was Toekie daar eentje van en werd ze een eigen kat.

Toen ik naar Brabant verhuisde, kwam Toekie met Kleinie als eerste in dit huis om te wennen. Het bleek geen goed idee – de aannemer was aan het boren en breken terwijl wij in Friesland nog spullen inpakten. Bij aankomst zaten twee doodsbange poezen stijf tegen elkaar in een hoekje in het donkere washok. Ik heb een hele tijd moeten praten om ze zelfs maar te kunnen aaien, zo bang waren ze.
Maar na de verhuizing kwamen ze los en werd dit hun thuis.

Toekie kwam wel achter het huis, maar klom niet op het dak of de schutting. Ze was bang voor vreemden, totdat haar gezondheid achteruitging en buren voor haar zorgden. Ze kreeg natvoer en daar had ze de vreemde ogen wel voor over.
De laatste maanden was er een complete omslag: ze was voor niemand meer bang; er was altijd een kans op eten 😉 Dat had ze ook nodig, ze werd magerder en slomer.

Twee weken geleden vonden we haar blik niet goed. Ze mocht thuis sterven, in haar eigen tempo, maar we wilden niet dat ze leed. Ze was intussen zo ver heen dat ik haar zonder problemen kon oppakken en in de reismand kon doen. Dat was maar één keer eerder gelukt: jaren geleden toen ze een longontsteking bleek te hebben. Ze is toen voor de dood weggehaald. Deze keer zag de dierenarts een oude kat, buiten uitdroging had ze geen grote problemen. Een oude kat was geen dooie kat, als wij dat wilden, gaf hij haar een infuus. Natuurlijk wilden wij dat en na 48 uur infuus kon men bloed prikken en bleek haar schildklier te snel te werken. We haalden haar op, gaven haar 2x per dag een pilletje met haar Sheba en tussendoor kreeg ze kleine brokjes die ze ook heerlijk vond.
Ze knapte zienderogen op, kwam aan en had weer die levendige, nieuwsgierige blik. Gisteravond was ze eindelijk aan het uitvinden hoe het kattenluik werkte. Ze redde het nog net niet. We zeiden: “Morgen of overmorgen kan ze het!”

Vanochtend kreeg ze haar pilletje en haar bakje voer, waarna wij onze dingen deden. Drie uur later was ze spoorloos. We riepen en zochten, schenen met zaklampen in elke donkere ruimte, checkten de schuur en zelfs de koelkast.
Toen ik al zoekend de hond uitliet, vond ik haar. Ze lag half in de heg met beschadigingen in de vacht aan haar achterpoot en aan haar flank. Ze was al stijf. Ik heb haar huilend in een doosje gelegd en in de schuur gezet.
We waren allebei ontdaan en ontzet want hoe was ze uit de tuin gekomen?!
Dat zal een raadsel blijven, we weten het niet. Onder de schuttingdeur door past niet, over de schutting deed ze absoluut niet. En toch lag ze daar, dood.

Nog nooit heb ik zoveel jaren een huisdier gehad – ze worden niet zomaar 16! Het is nog niet te bevatten dat ze nooit meer krijst als je op haar poot staat, dat ze nooit meer tegen ons aan zal komen liggen, dat ze nooit meer in haar mandjes zal liggen die we allemaal voor haar kochten, maar die de anderen telkens inpikten. Ze ligt nog in het doosje met een roos bij haar. Kleinie heeft haar van top tot teen besnuffeld en gaf daarna een kopje aan het doosje. Dat troostte me. Vanavond voelde ik dat ze weg was, haar ziel was weg uit haar lijfje. Het geeft zo’n grote leegte!

Morgen begraven we haar. Lieve, lieve Toekie, de laatste Stamgast, wat houd ik van je. Je was zo’n deel van ons ‘gezin’, van ons leven samen. Wat zullen we je verschrikkelijk missen.
Dank je wel voor je vertrouwen, voor je moed, voor je onvoorwaardelijke trouw en liefde. Dank je wel voor je unieke karakter en bovenal: dank je wel dat je alle 16 jaren van je leven met me wilde delen en dat je meteen van J. hield.
Je blijft voor altijd in ons hart ❤

 

Articles

Valse vrienden

In Persoonlijks,Taal,Woordspelingen on 15 oktober 2018 door Marjolein Stam getagged:

Tijdens de voorbije week heb ik weer vele valse vrienden meegemaakt en daar met goede vrienden ontzettend om gelachen. Ik was bij mijn lievelingsnicht en haar familie in Oranienburg – Berlijn, waar we nogal wat verjaardagen te vieren hadden.
Natuurlijk kwamen daar de Falsche Freunde tussen onze verwante talen uitgebreid ter sprake, wat als altijd voor veel plezier zorgde.

Zo was daar Petra, die me jaren geleden zei dat ze haar naam lelijk vond. Ik zei dat ze een prachtige naam had met een mooie betekenis. Maar ik was wel de vertaling kwijt, dus keek hulpzoekend mijn nicht aan en vroeg ‘rots’? Dit resulteerde in een lachstuip van de nicht, terwijl Petra’s gezicht droop van afgrijzen. Rotz betekent in het Duits namelijk een snottebel …
Sindsdien zeggen we als we elkaar zien: ‘Da ist die Petra Rotz!’ 🙂

Duitsers moeten in Nederland altijd lachen om de bordjes met 3x bellen en nog meer om alles wat met huren te maken heeft. De slogan ‘Auto huren 10 euro per uur’ zorgt voor zowel onbegrip als onbedaarlijk lachen. Want zoals Najib Amhali al zei: ‘Hoer is doer!’

Andersom zijn er ook eigenaardigheden: als iemand tegen mij zegt: ‘Ich bin pleite’, dan zeg ik ‘doei’. Maar het betekent dat men platzak is. Verwarring ten top!
Als Nederlandse (een volk dat alles verkleint, wat in het Duits niet kan) zei ik nadat men mij dat omstandig uitgelegd had braaf “Das ist ja ein Riesenkanin!”. Laat nou Kaninchen (en Eichhörnchen) zo’n beetje de enige woorden zijn die men niet kan vergroten!

Altijd weer vertellen wij het verhaal over de openhartigheid van Duitse vrouwen die mijn nicht zo typisch vond: zij klaagden openlijk over pijn in hun kruis. Het was bijna gênant hoe makkelijk men dat zei. Totdat ze begreep dat het kruis bij de Duitsers in de rug zit. Als we dan uitleggen dat het bij ons op een andere plek zit, zorgt dat vanzelfsprekend ook voor hilariteit.

Doordat ik de afgelopen week met een neef soms ook Engelse termen gebruikte, schudden mijn talenlades nogal door elkaar en kwamen er wat kruisbestuivingen uit. Mijn nicht begon over een patrijs die in het Engels gewoon partridge heet, maar in het Duits een totaal afwijkende naam heeft. Na enig nadenken zei ze: ‘Rebhahn’. Ik dacht half in het Engels en vroeg verbaasd: ‘Rape Hahn’? Ik denk dat deze vogel als Vergewaltigungshahn in onze geschiedenis blijft bestaan, net als Kanin en Frau Rotz.

Vals-vriendelijk bezien zou Pinkeltje in Duitsland een incontinente kabouter zijn, zoals zoveel dingen in andere talen zo anders zijn dan in de onze. Op de keper beschouwd zijn de valse vrienden dus geweldig – helemaal als ze bij dierbaren horen.

IMG_1529

Articles

Kestvehaal op zien Twents

In Taal on 26 december 2017 door Marjolein Stam

IMG_5705 os ezel en kind

Wegens een groot gebrek aan inspiratie mijn niet al te goed leesbare succesverhaal nog eens op herhaling. Geschreven in het Twents, speelt het zich af in het Friese deel van Israël.

In het noorden en het noordoosten zijn we vaak wat verlaat. Dat noemen we het ‘Tukkers kwartiertje’. Sinds een aantal jaren ben ik tot mijn eigen spijt een ster in deze kwartiertjes, die zich met gemak tot uren aaneenrijgen. Dus lijkt onderstaand verhaal me nog ruim binnen de tijdslimiet.
Omdat ik het zo’n schitterend verhaal vind, zocht ik lang maar tevergeefs op het web naar Kraomschudd’n in Mariaparochie van Herman Finkers. Nou ja, toen heb ik zelf maar een Twentse versie van het kerstverhaal geschreven. Twents moet je – net als Fries – hardop lezen om het te begrijpen.
Mijn versie is hier en daar geënt op Finkers (de van hem overgenomen grappen zijn aangeduid met een *) en elders op de Bijbel, waar volgens mij geen copyright op rust.

Waart oe, hier kump ’t – ai d’r teminste wies oet kunt wørn: Kestvehaal op zien Twènts

’t Was gloep’ms kold toen Josef met zien mèken Maria noar Bartlehiem mos. Da mos van keizer September um te tell’n hoevølle volk d’r noe eingk in ’t laand woon. Maria kwaamp uut Bartlehiem en dah was nig bes want ’t was van woar zie noe woon een knap ende troggeloop’m. En ’n keerl met vleugels op ‘e rogge had heur een zet eleen mooi tuk had deur te zeng dat-e een engel was en dat Maria uutverkoorn waar. En noe dach Maria dat zie deur ’n eiligen geest in verwachting was raakt. Ach, Maria was niet al te nozel* en Jozef ok nie, want hi’j gleum’t krek zo. Den ‘engel’ had teeng hum ‘ezegd dat hi’j niet hoem te vreez’n. Joa, zeg dat mar’s teeng ‘n timmerman… Den dut nig aans as frees’n!*

Diejen keerl had ezegd dat sie d’ Eiland op de weerld zoll’n zett’n, d’n Veløsser en zie muss’n um Jezus nuum. Ach, al die jongluu heett’n doar Jezus, dus iene meer of minder deud d’r ok nig toe. Mar de zeune van God, gottegot, doar waar’n ze toch wah raar van in ’n kop!

Mar good, zie moss’n dus neug vöt, mar Maria had mie doar ’ne dikk’n buuk, den kon zelf gien sandale meer an de vuute krieng. Dus Josef op zuuk noar ’n èzel zodat Maria niet hoem te loop’n. Hi’j had better veur ’n kameel kunn’n zørg’n, dan had zie meer steun an ’n buuk en an de vuute had dan noe. Noe slept’n heur de vuute iedere keer oaver de grond en bolderd’n zie veuroaver as ‘n èzel weer es bokt’n. Zie wødde d’r knap sloerig van en zie begon wat te heu’n en te driem dat zie vot mossen maak’n want dat wichie kon ’n kop onderweg wah ’s naar buut’n stekk’n. Sie vuuln zich ok alsmar sloeriger wørn, kreeg las van de rogge en dah geschud op ‘n èzel hulp ok nig met.

Gelokkig zaang zie in de verte Bartlehiem ling en Jozef gaf ’n èzel nog een extra zet teeng de konte dat-e de kop an ’n stien stoot’n. En ie wit wah wat d’r dan gebeurt …
’s Oams waarn zie d’r eindeluk. Wat ’n onmeunige reize en wat ’n gedoe veur’n volkstelling. Dat had ok wah aans ekund, met postdoem of stembroos of zowat. Maar ja, den keizer, den lag ait dwars. ’t Mus ait muuluk gaon en mangs was da wah te begriep’n, mar de meeste tied dach ’t volk dat den keizer iets te geern een olle klaore lussen.

Nou, zie waarn d’r. Mar doarnoa heur ie nooit meer wat oaver die telling terogge, dus wat dat noe veur zin had? En hoevulle luu woond’n d’r en forensd’n d’r ok wat of trøkken d’r een zet van ’n steun? Ik kan ’t naans vin’n. Ikke zelf denke dat ’n smoes was om diej’n Josef en Maria veur gek te zett’n. Den engel woar zie helemoale vol van waarn (van Maria ko’j da ok letterlijk wah zeng) had ezeg da da wichie in Bartlehiem geboorn zol wørn. Nou, da had-e wah good!

Maria reup ach en wee en had ok wee’n maar ja, ziet moar ‘s ’n hotel te krieng in ’t hoogseizoen as oe ’t vruchtwater al in de sandaal’n steet. Noe had diej’n engel ‘ezeg dat ‘t wicht in ’n stal geboorn zol wørn maar dat geleum die twee kuukns nie. Wah denk’n da’j van de lucht in gezeengde umstandigheed’n raakt maar nig geleum da’j da mut bezuurn in ’n fosse stro … Zo geet dat met diej’n reizend’n Tukkers.

Jozef had’t wah probeerd, doar kan’k niks van zèng. Hi’j had wah wat veur zijn mèk’n oaver, maar zie kwaam nig in ’t hotel, zie mossen toch in ’n stal. En wat denk ie? Doar stund’n ‘nosse en … ’n èzel.
Ik vroage mie noe al joarn of of dat zien eing gehuurde èzel was of ’n aandern. Want as ’t ’n aandern was, woar was de ziende dan? Bie ’t èzeltrefpunt? Bie rentedonkie? Fokt’n ze doar èzels in Bartlehiem of grøjn die doar soms in ’t wild? Mar good, d’r stund dus ’n èzel in ’n stal. En ‘nosse. Schienbaar gönk dat good saam, ik wit ’t echt nig. ’n Koo was dugmie haandiger ewèst, daor ku’j melk oethaaln, moar wa’j as cafébaas noe toch met ‘nosse mut, das mi-j ’n roadsel.

Dah zie derèk zaang dat ’t ‘nosse was, dat vink wah knap. Ie mut d’r nog wah raar veur goan ling om dah te bekiek’n, maar Maria zal wah derèk van de sokk’n goan wèn en op ’n vodse in ’t heui teregkomm’n wèn.
Ik denke nie dat zie vølle hoem te pers’n, den èzelrit had ’t zowat ah wah daon. Josef mos nog onmeunig anmaak’n um ’n fosse heui of stro in ’n voerbak te leng want hi’j had zich nog niet ummedreid of doar was ’t wich ah. ’t Was een keerltie maar dah wuss’n ze ah. Zie trøkken ’n olde todde an fladden zodat ze pempers hadd’n en daor lag Jezus dan. Kloar. Oaver deup’m wødt ok niks ezèg en zie bint in’t oostn zowat ammoale katteliek. Mangs begriep ik niks van ’n Biebel.
Ok oaver ’n navelstrenge wødt gien woord ‘eschreem, ok ah zo vremd. Ik denke toch nie dat zie een goeie schere hadd’n in die tied, en as zie’m hadd’n, lag-e wis en wrachtig nig in ’n stal!
Maar misschien hef ’n èzel de boel op’evrett’n, dah kan. ’t Is good ekomm en da’s ’t veurnaamste.

Oh joa, en dan he’j nog gezever oaver herders die bie Dracht’n laang en die van ammoal zing’de Engelsen derèk noar de stal woar ’t wicht lag, henne moss’n. Bartlehiem is nog wah een knap ènde van Dracht’n of, en moss’n die herders dan niet teld wørn? En woar die Engelsen iniene vut kwaam, week ok ah nig. D’r was toch gien Viefsteentoch (ie heurt nigs van ‘niesmeester of wah dan), dus zie bint ’t Knaal ok nie oaver komm gliern. ’t Mag dan gloep’ns kold ewèst hem, mar as die gliertocht d’r was ewès, was d’r dugmie wah knap oaver kuierd. Nee, die Engelsen bin’t mie ok ah ’n roadsel! Meschien hef dah zing d’rmet van doon, dasse oefen’n veur ’n konkoers of wat. Ik prakkezere d’r ok nig meer oaver, ik gleuf’t ammoah wah. Zo heurt’t ja ok.

’t Was ’n knap drokke bedoening daor in ’n stal: zie kwaam ammaoh te kraomschudd’n. De cafébaas haald’n rap ’n paar pott’n boer’njongs en van dah smeerge peern- of beernspul oet de veurroadkaste en verkoch bès. Veur de kraomvrouwe had-e netuurluk braandewien en donker bier veur ’t zog. Ik gleuve dat-e nog jaor’n ’n stal verhuurd hef an luu die ok zon ‘netuurluke kraom’ woll’n, en dat-e d’r vrekte good met oetesprøng’n is. Mangs hebt ze ’t er nog wah’s oaver hoe’n mooi’n tied dah was. Dan wødt ‘r op’m boernwaang trouwd in ’n stal en d’r wødt daans’n en zøng’ dat heurn en zeen oe vergeet.

Noe gleuk dat de Timmermans met ’t wichie nog lange en gelokkig lèm, mar dah was ammaoh zo’n gedoe um te lèz’n da’ wie dah maar veur waor annemt.
Dah book gunk nog ‘neeln zet vedan en ik hadde ok gien zin um alles te lèz’n want de rest was gleuk ok gien kestvehaal. O joa, wiezn oet toostn, die haan d’r ok nog met van doon! Die luu kwaam umdat ’n sterre de weg ‘eweezn had. Vezèls! Keizers, wiezn, Engelsen, ’n sterre, ik wit-t ammaoh nig maor ’t kump mie wah vremd oaver. Zie haan better naor Franeker kunn gaon, daor he’j ok ’n prötte van die luu zitt’n die ze nig geern op stroate zeet. Die zeet ok sterregies en hebt d’r sels ’n old’n zolder met vollemaak. In dah hoes mu’j zoa onmeunig noar boam’ kiekn da’j d’r gek van wødt.
Dah was nog wah ’n gedoo met diej’n Eise en zien buurn, mar ’t is um dan toch elokt en doar hep ze noe nog alle daang ’n prötte anloap van. Die sterre zal dus wah naar Franeker scheen hèm, kump mie veur.

En wiezn komt joa ait oet toostn, doar haan ze al nig zoa oaver schriem hoem, das toch vezèls? Op alle aandre plekk’n bi’j nig wies aj wiest – o’j noe van Bartlehiem of van Dracht’n komt, mè-da’j wiest, kom ie in Franeker in ’t gekk’nhoes oet. In toostn ku’j wah wiez’n, doar kömp völle volk van oaver de grènze umda toostn doar nog ’n heeln zet vedan geet. Doar bint ze wah wiezer dan noar sterr’n te wiez’n, zie wødt bie de gedachte ah benauwd dah diej’n zingde Brek met zien slager d’rop ofkump!

Moraal van ’t vehaal: waart oe veur Tukkerse ketierties. Veurda’j wit, mu’j dwars deur Frieslaan reiz’n en kommieop de gekste tiedn op de vremdste stee’n de raarste ding’ teeng!

(*D’r zatt’n toch maor twee Finkersgrapp’n in. De rest kwaamp ammaole oet ’n biebel en oet toetsnböd.)

Articles

Onbe-taal-baar

In Persoonlijks,Taal,Woordspelingen on 9 november 2015 door Marjolein Stam getagged: , , , ,

Vijf jaar geleden leerde ik van familie van mijn toenmalige vriend het Helmondse woord ‘filifauwen’, wat knuffelen betekent. Twee weken later was de relatie voorbij en verdween het filifauwen uit mijn leven.
Ik leidde een gezapig bestaan en vond het prima om alleen te zijn met mijn katten.

Dit jaar veranderde alles: begin dit jaar kwam er een Brabander op mijn pad. We kenden elkaar weliswaar al jaren via het Genootschap Onze Taal – dus door GOT 😉 – maar we hadden elkaar nooit ontmoet. Tot die dag in februari, toen hij mij op kwam halen en ik kennismaakte met deze goedlachse, slimme man met zijn grote hart en zijn zachte G. Hoewel ik het nog een tijd heb tegengehouden en bleef tegenstribbelen, veroverde hij mijn hart en ziel en werd hij de partner met wie ik kan sparren en bij wie ik mezelf kan zijn.

We delen de liefde voor taal en hebben dan ook vaak plezier om allerlei woordspelingen die onze talige geesten ons ingeven. Het is heerlijk en zó verfrissend om op gelijk niveau te praten, om grappen niet uit te hoeven leggen en vooral, om zo vaak en zo veel te lachen. Natuurlijk hebben we ook onze ernstige gesprekken, zoals iedereen dat heeft en zoals dat hoort, maar onze raakvlakken en zijn opgeruimde karakter maken het allemaal makkelijker. Zeggen wij op de Drents-Overijsselse grens dat iets “oons niks kan scheel’n” – waarbij je niet anders kunt dan chagrijnig kijken omdat je mondhoeken door de uitspraak als vanzelf naar beneden zakken, mijn lief zegt met zijn zachte G: “Daar geef ik niks om”. Dat klinkt zo veel liever en positiever! Hoewel ik altijd dacht dat ik het Brabants vervelend vond, blijken de uitspraak en die G dus juist verzachtend te werken.

Hij neutraliseert mijn calvinisme, ik ben rustiger en vooral veel optimistischer met en door hem. We zien elkaar veel, ook doordat je de afstand niet ‘eventjes’ doet. Het is toch 250 kilometer die we telkens moeten overbruggen. Meestal krijg ik maar één brug mee; nadat ik via mijn telefoon wat woordjes heb gelegd, gaat mijn stoel achterover en slaap ik tot vlak voor ons einddoel. Hij vindt dat prima, is blij dat ik rust krijg in de auto. Zelf heeft hij meer energie en vindt autorijden prettig. Gelukkig maar, anders zouden we elkaar niet hebben leren kennen.

Bij zo’n afstand begin je toch sneller na te denken over samen en hoe en vooral: waar. Ik heb geen echte banden met Friesland, dus voor mij is het simpel. Bovendien is uit mijn zwervend bestaan al gebleken dat ik overal kan aarden. We besloten dus om ons op termijn in Brabant te vestigen. Die termijn werd korter dan gedacht, want toen we een huis bekeken, werd ik op slag verliefd op dat huis en wilde ik niets meer dan daar zo snel mogelijk samen gaan wonen. De onrust van het heen en weer reizen, van de katten alleen laten, van het hondje dat mee-lat, al die onrust moet bedaren in dat huis dat ons past als een warme jas.

Hoewel we hadden bedacht dat Oss een mooie plaats zou zijn, bleek ONS huis in Helmond te staan …
Mijn huis staat in de verkoop en allebei zijn we aan het uitzoeken en inpakken om twee huizen (en smaken) in elkaar te schuiven. We sluiten compromissen waar dat nodig is en richten zo ONS huis in. Binnenkort krijgen we de sleutel en wordt de badkamer verbouwd, de vloerbedekking wordt catproof vervangen en er moeten wat muren gesausd. Als het gaat zoals gepland, vieren we samen kerst in ONS huis. Een jaar geleden had ik dit niet geloofd of gedacht, was dit onvoorstelbaar.

ONS huis staat in Helmond en uitgerekend daar hebben ze dat prachtige woord voor knuffelen: ‘filifauwen’.
We zijn gelukkig, mijn Brabo en ik. Hij is kleiner en ronder, maar qua inhoud zijn we gelijk. Het is goed filifauwen met deze man 🙂

Liefde voor taal en vooral gedeelde liefde is onbe-taal-baar.een paar apart

Articles

Op de knibbels

In Fotografie,Natuur,Paddenstoelen,Taal on 24 november 2014 door Marjolein Stam getagged: , , , , , , , ,

Deze slideshow heeft JavaScript nodig.

Normaal gesproken is de herfst niet mijn favoriete seizoen – ik ben van voorjaar, zoelte, zomer en zon. Dat we een herfst en winter hebben, is niet anders, maar die kille maanden mogen van mij wegblijven. Tenminste, dat vond ik altijd.
Dit jaar was dat anders: ik heb de paddo’s herontdekt: de kleinste, fraaiste paddenstoelen die overal zo uitbundig groeiden. Wat heb ik wat in aanbidding op de knieën gelegen, op een vuilniszak met daarin op zeker moment een kussentje omdat mijn knieën schaafden onder al die aandachtige aanbidding!
Het weer was ons ook gunstig gezind: we beleefden een prachtige nazomer en herfst, waardoor de paddenstoelen als ehm … juist! uit de grond schoten.

De compactcamera waarmee ik sinds de zomer werk, heeft 50x zoom, wat een behoorlijke macrofactor geeft. Desalniettemin vond ik dat onvoldoende; toen ik doorhad dat je met een macroklem nog meer scherpte en diepte kreeg, moest die natuurlijk de moeilijkheidsfactor van uit de hand fotograferen nog extra verhogen. Stel je voor dat het te simpel wordt … Om naast mijn bepakking (gegroepeerd rondom mijn taille) ook nog met een zak rijst te gaan slepen was me te gek, dus het moest vanuit de vrije hand of met de camera op de grond. Dat laatste is wat lastig zonder zoeker, maar je moet er wat voor over hebben, nietwaar?

Het begon al tijdens de laatste excursie van de Vlinderwerkgroep, maar toen was ik zo op de rupsen gefixeerd dat ik te weinig rust nam om de zwammetjes goed te fotograferen. Dat veranderde snel toen ik in oktober samen met een natuurvriendin naar Bakkeveen ging om daar in de bossen op de knibbels te gaan. Voor degene die het woord niet kent: knibbels zijn Friese knieën 🙂
We hebben maar een klein stukje bos bestreken, druk als we waren met opstaan en weer knielen, scherpstellen en afdrukken. Heerlijk! Na ruim 2 uur waren we gaar want ondanks mijn verbeterde conditie na mijn dieet- en bewegingsregime van het afgelopen halfjaar is al dat bukken en weer opstaan toch inspannend. Niet dat het wat uitmaakte: ik fietste een paar dagen later vrolijk naar Ypey – een park bij een naburig dorp – om daar ook paddo’s te scoren. (Waarmee ik onschuldig fotograferen bedoel 🙂 )

Papegaaizwammetjes

Het werd helemaal interessant toen ik deelnam aan een excursie in het wasplatenreservaat. Wasplaten worden de orchideeën onder de paddenstoelen genoemd, zij komen voor in de duinen en in weilanden waar nooit kunstmest is gebruikt. De Rotstergaasterwallen is het enige reservaat in Nederland en kent een enorme soortenrijkdom. Het was een totaal andere ervaring om die kleine, prachtig gekleurde beauty’s te vinden in een drassig weiland in plaats van in een bossige omgeving. Mijn rubberlaarzen stonden thuis in de gang en ik liep soppend in mijn schoenen rond. Dat mocht de pret niet drukken, want er was enorm veel om voor op de knibbels te gaan! Naast wasplaten was er ook een scala aan satijnzwammen te vinden, en ander moois dat de moeite van aanbidding waard was.
Qua wasplaten waren we wat vroeg; onder leiding van de gidsen van Staatsbosbeheer vonden we 7 verschillende soorten. Toen we 10 dagen later opnieuw deelnamen, was het soortenaantal verdubbeld – zelfs voor het reservaat een ongekende verscheidenheid van tegelijk voorkomende soorten. Het was genieten met een grote G en ik kwam telkens met honderden foto’s thuis.

Het doet wat met je, dat buiten zijn en je focussen op dat miniatuurspul. Het maakt je hoofd leeg en haalt stress uit je lijf, het werkt zuiverend (zelfs al lig je in de koeienmest). Dat je met gelijkgestemden aanbiddend rond zo’n fragiel paddenstoeltje ligt, ieder proberend het zo mooi mogelijk vast te leggen, werkt verbroederend en tegelijkertijd bevrijdend. Al heb ik ook in mijn eentje een middag rondgekropen, met meer is het leuker. Je wijst elkaar op soorten en bent trots als je iets ontdekt voordat de gids het ziet. Ik was apetrots toen ik in het reservaat een minuscuul Aardtongetje ontdekte!

De eerste zondag van november ging ik weer op pad, nu naar het Kuinderbos, waar we een middag genietend doorgebracht hebben. Daar vonden we weer totaal andere schoonheden dan eerder in Bakkeveen en in het reservaat. Naast paddo’s zagen we parende heidelibellen, die dansend hun eitjes in het water afzetten, we genoten van een Daliaans stuk bos, waar mos langs elk takje omhoog kroop en zo ieder stammetje van een groene sok voorzag en van de ongekend hoge temperaturen.
Ook tijdens die middag werden de knibbels niet gemeden. Mijn slechte knie protesteert nog tegen al dat geweld, maar het was het meer dan waard: ik heb zoals gezegd nog nooit zo’n mooie herfst beleefd, dankzij de prachtige paddo’s en de leuke mensen die ik het afgelopen halfjaar heb leren kennen. Daarvoor alleen al wil ik wel op de (desnoods blote) knibbels: al deze uitjes met gelijkgestemden verrijken mijn leven. Het was puur genieten, elke keer opnieuw. Amen 🙂

Deze slideshow heeft JavaScript nodig.

Articles

Tussen de lakens

In Fotografie,Natuur,Taal,Vlinders & nachtvlinders on 11 oktober 2014 door Marjolein Stam getagged: , , , , , , , , , , , ,

Het was een prachtige zomer en dat betekent dat ik veel buiten ben geweest, in de natuur. Van excursies met de Vlinderwerkgroep tot dagen in het veld met allerlei mensen die ik via Facebook heb ontmoet, IVN-avonden en excursies in het Leeuwarder Bos – ik heb de zomer optimaal ge- en beleefd. Daarbij bleven de avonden bij de vlinderlakens toch wel hoogtepunten: wat heb ik weer een bijzondere schoonheden mogen zien! Elk gebied kent zijn eigen vliegers, elke maand brengt weer andere vlinders en ik krijg er nooit genoeg van. Naast macro’s begin ik ook micro’s te fotograferen, al ken ik die nog nauwelijks bij naam. Vooralsnog heb ik aan het determineren van macro’s mijn handen vol. Maar gelukkig hebben we de foto’s nog – ik kan er nog menige koude wintermaand mee vullen.

Ik weet het: ik heb al veel vaker geschreven over de ‘pracht van de nacht’, maar al die verrassingen die zomaar op de felle lamp afkomen en op het laken landen – het blijft me mateloos boeien en fascineren. Dit jaar heb ik meer nachtvlinderavonden meegemaakt dan de afgelopen drie jaar samen: het weer werkte goed mee en ik had bovendien vaker vervoer, dus ik heb optimaal van alle avonden kunnen genieten. Thuis kwam er wat minder ‘bezoek’ op mijn blauwe lampje af; het lijkt er op dat de vlinders er aan beginnen te wennen. Of poes Miss Muis heeft er succesvol een aantal gevangen, dat kan ook nog, maar feit is dat er de laatste maanden nauwelijks nog vlindertjes op mijn raam landen. Ondanks een paar mooie vondsten eerder in het jaar was het tussen de lakens veel spannender!

We hadden een paar absolute top-avonden: de beste was na een snikhete dag op de Delleboersterheide, een prachtig natuurgebied, waar het laken op de broeierig warme avond uitpuilde van de nachtvlinders. Ik las dat er op de twee lakens 521 macro’s geteld zijn, terwijl het aantal micro’s nog niet duidelijk was! Dat is extreem veel en het was onbeschrijflijk om mee te maken. Ik had die dag een nieuwe camera gekregen, zonder dat ik de gebruiksaanwijzing kende, maar met enige instellingshulp door anderen heb ik gelukkig goede foto’s kunnen maken – beter dan met mijn andere, waarbij ik niet kon flitsen en met een zaklamp moest werken (en bovendien de vlinder bijna beschadigde omdat ik er zo dicht bovenop zat). Nu kon ik inzoomen en toch goede foto’s nemen. En er viel wat te klikken! Bij die 521 macro’s zaten twee bijzonderheden, waarvan eentje de absolute topper was: een totaal nieuwe soort voor Nederland! Het was indrukwekkend hoe Jannie Sinnema het uiltje feilloos uit de hordes vlinders plukte omdat ze deze niet herkende. De Sinnema’s verdienen deze triomf van een nieuwe vondst volledig: zij zetten zich samen al 40 jaar met hart en ziel in voor de nachtvlinders in Friesland en zijn een stuwende kracht achter de Vlinderwerkgroep. Zelf heb ik de uil geloof ik niet eens gezien of gefotografeerd; Jannie toonde hem in een potje – hij moest natuurlijk mee ter determinatie. Het was een overweldigende avond.

Ook bijzonder was de avond in tuin in Kollum: door de vlindervriendelijke beplanting van de tuin in combinatie met grote ruigtegebieden en een kanaal vlakbij het huis kwamen er mooie diverse soorten op de lakens. Het weer werkte mee: het was wat broeierig en dat is altijd prettig voor de nachtvlinders. De door mij zeer gewaardeerde hagedoornvlinder was in groten getale aanwezig – er kwamen wel 20 exemplaren van deze gele schoonheid naar ons toe. Pijlstaarten – die blijkbaar een ingebouwde klok hebben en pas rond middernacht vliegen – zagen we die avond niet, maar daarvan had ik eerder al tijdens de Nationale Nachtvlindernacht, in het Leeuwarder Bos en op de Delleboersterheide oude en nieuwe bekenden gezien.

Een speciale plek verdienen de Weeskinderen: op de Delleboersterheide zagen we een (bijzonder en prachtig) karmozijnrood weeskind, terwijl we twee en ook drie weken later bij excursies werden verblijd met het zien van een rood weeskind. Waarom ze zo heten weet ik niet; ondanks de naam ‘weeskinderen’, zijn ze wel familie van elkaar 😉 Het wachten is nog op een blauw en een zwart weeskind, dan is de familie compleet. Dat komt vast nog wel!
Ook bijzonder was de zilveren maan die we in een gebied zagen waar deze zeldzame parelmoervlinder niet eerder gesignaleerd was. Iets verderop zag ik daar ook mijn eerste luzernevlinder vliegen – helaas niet mogelijk om daar een foto van te maken. Als laatste hoogtepunt zag ik tijdens een fietstocht op Ameland vanuit een ooghoek een vlindertje op een stukje duinzand, dus ik ging bovenop de rem, camera in de aanslag, fiets omkeren en terug en daar zat een kleine parelmoervlinder, een typische duin- en kustsoort die je in de provincie niet zomaar ziet.

De laatste drie genoemde vlinders zijn dagvlinders, maar de nadruk ligt toch altijd weer op de macro’s en micro’s: spannende spanners, knappe uiltjes en mooie motten, veelal met poëtische namen. Je vindt ze wel in abri’s en op portiekverlichting, maar het grootste vlinderplezier beleef je toch tussen de lakens 😉

Deze slideshow heeft JavaScript nodig.

Articles

TV-TAS

In Fotografie,Natuur,Persoonlijks,Vertelsels,Wadden on 29 augustus 2014 door Marjolein Stam getagged: , , , , , , , , , , , ,

Deze slideshow heeft JavaScript nodig.

Tijdens de prachtige warme zomerweken was ik een paar dagen te gast op Texel. Al vanaf het oprijden op de boot realiseerde ik me hoezeer ik de Waddeneilanden gemist heb … Na oktober 2010 ben ik nooit meer naar het mij zo dierbare Ameland geweest, noch naar enig ander Waddeneiland. Dit, terwijl ik vroeger jaarlijks een weekendje met een vriendin ofwel op Ameland ofwel op Schiermonnikoog ging kamperen en ooit twee keer op Texel vakantie heb gevierd. Zomerse dagjes Ameland waren normaal sinds ik in Friesland woonde – ik houd van zon, zee, strand en duinen.

En nu was ik na 25 jaar terug op Texel. Er kwamen veel herinneringen boven, mede doordat ik nu, net als toen, een dieet volgde. Destijds was het gewoon om weer slank te worden, nu was de bedoeling dat met het leeglopen van mijn airbags ook mijn diabetes beter onder controle werd gebracht. En deze keer moet het ook blijvend zijn; de krimp en rek raakt onderhand ook behoorlijk uit mijn verouderende huid. Ik moest er zelf aan wennen dat een korte broek me goed stond, dat ik eigenlijk alles kan dragen en me met zoveel meer gemak kan bewegen. Een eind lopen is geen probleem, zelfs niet op het Noordzeestrand, waar de zee me naar zich toetrok en wilde dat ik kwam zwemmen. Dat laatste leek me geen goed plan, maar de verbondenheid met de zee voelde weer als vanouds.

Ik was te gast bij een Facebookvriendin, die al in de auto tot een ‘echte’ vriendin transformeerde: het klikte meteen en we praatten honderduit. In Oudeschild herinnerde ik me details van die vakantie(s) van 25 jaar geleden, maar toen we het eiland op gingen, kwamen er ook veel Amelander herinneringen boven. Dat was het moment dat ik wist dat ik terugga naar Ameland, dat ik ‘mijn’ eiland weer ga bezoeken. De bijzondere sfeer, de geur, de Noordzee aan de ene kant en de Waddenzee aan de andere kant – het bracht dat oergevoel van liefde voor de zee en voor de eilanden terug. Eindelijk was de drempel geslecht!

Texel was gul voor mij, ik mocht er bijzondere natuurfenomenen aanschouwen. Van vallende sterren, waarvoor we ’s avonds achterovergeleund de hemel afspeurden, tot een dreigende wolk die uitmondde in drie heuse waterhozen – een ongelooflijk spectaculair gezicht! Wat een oergeweld: er vormde zich een slurf in de wolken en opeens zag je het water opspatten. Daarna zag je de hele verbinding, die bij de ene waterhoos recht en bij de andere geknikt was en die met een holle kern het water opzoog. Dit alles terwijl wij heerlijk in de zon zaten, terwijl de hozen ter hoogte van Vlieland hun water weer teruggaven aan de zee. Onvoorstelbaar prachtig om dit te zien en mee te maken!

’s Avonds wandelden we in de haven en zagen daar het fenomeen ‘zeevonk’, lichtgevende algen die op de golven vonkend tegen de kade aan spatten. We twijfelden: was het geen reflecterend maanlicht of het blauwe licht van de haven? Maar het was echt zeevonk en wat was het fascinerend! Zo zelfs, dat ik niet eens het benul had om een filmpje of foto te maken – we bleven kijken en wijzen en roepen dat het toch echt zo was. Al die dansende, spattende vonken, die het water blauwwit verlichtten en lieten bewegen, betoverend! Op Wikipedia staat een foto die precies weergeeft wat wij ook zagen.

Na een paar heerlijke dagen ben ik met de bus weer naar huis gegaan, bruinverbrand, vol indrukken en met een groot gevoel van dankbaarheid omdat ik deze dingen heb mogen zien, omdat ik zo genoten heb van mijn verblijf bij de vriendin en haar leuke zoon, omdat ik nieuwe vrienden maak en omdat ik fit genoeg ben geworden om optimaal van alles te genieten. Dat gevoel is zo hartverwarmend, de ervaringen zijn zó wonderlijk en verrijkend!
Toen ik daarna las over een spaarkaartenactie van een supermarkt, heb ik geen moment geaarzeld en heb ik een zwik volle kaarten ingeleverd voor twee tickets voor de boot naar Ameland met gebruik van een fiets. Volgende week verzilver ik de eerste ticket; een Facebookvriendin uit het westen is momenteel op Ameland op vakantie, dus ook wij gaan elkaar in levende lijve ontmoeten. Later in september fiets ik dan nog een dagje over dat dierbare eiland dat ik zo goed ken.
Volgend jaar wordt het dan toch tijd voor de mij nog onbekende eilanden: Terschelling en Vlieland. En natuurlijk ga ik terug naar Texel!

Ik heb de TV-TAS bijna in mijn zak 🙂

Deze slideshow heeft JavaScript nodig.