Archive for the ‘Natuur’ Category

Articles

De beest

In Dichtwerk,Fotografie,Natuur,Taal,Woordspelingen on 31 december 2010 door Marjolein Stam getagged: , , , , , , , , ,

OUD …

Beest, ik heb je gisteren weer eens uitgehangen,
je lag al veel te lang verscholen in de kast.
De laatste tijd heb ik toch weer het verlangen
om te ervaren of je nog altijd bij me past

Bedaardheid hield jou zo vaak opgesloten
soms ook met hartzeer of met zielenpijn.
vaak riep je zacht, maar onverdroten:
“kom, hang mij uit, voed mij met wijn –

of bier, dat is mij eigenlijk om het even
zolang ‘t maar vloeibaar vrolijk is
je hebt ’t me al zo lang niet meer gegeven;
ik smacht van heimwee en van groot gemis!”

Natuurlijk gaf ik jou wel goed te eten.
Dat is te zien: mijn kleren zitten strak
je hebt voor kapitalen opgevreten
ik pas nu echt niet meer in ‘t mantelpak

Maar ach, dat pak, dat paste toch al niet bij mij
geef mij maar vrijheid, vrolijkheid en lach
en af en toe maak jij me weer heel blij
als ik je even flink uithangen mag

Dus laat ik jou weer delen in mijn leven
jij hebt nu weer je eigen lekk’re plek
die overigens wel wat kleiner is gebleven –
ik maak het toch niet meer zò vreselijk te gek

Nee, beest, jij bent niet de befaamde kater:
jij zorgt voor mij, zorgt dat ik weer echt leef!
Blijf bij me, altijd, zodat – ook later –
ik met jou samen veel plezier beleef.

Ook jij bent inmiddels al wat ouder
wat minder pit, wat meer bezadigd
Toch, ondanks onze zere schouder
zijn wij voorlopig niet verzadigd!

Wat waren we op dreef he, samen!
De grappen vlogen door mijn geest
succesvol, zal ‘t publiek beamen
Lief beest, het was weer echt ons feest

Mijn feestbeest, blijf mij vaak verleiden
zodat ik sprankel, dans en flirt
Blijf mij met nog meer pret verblijden
dat houdt ons samen goedgehumeurd

We gaan nu slapen, beest, want toch wat ouder
moeten we beter letten op de energie
Ook heb ik nog een zere rug en schouder
van waar jij zat vannacht, rond kwart voor drie …

Geschreven op 25-7-2005, kleine aanpassingen eind december 2010.
Voor het bekijken van een vergroting van de foto’s, klik op de fotoblokjes bovenaan de pagina. U komt dan op mijn Flickr-fotopagina’s.

Articles

On-zin

In Natuur,Persoonlijks,Taal,Woordspelingen on 15 december 2010 door Marjolein Stam getagged: , , , , , ,

Spelen met woorden blijft leuk. Als ik even geen passend woord weet, verzin ik er ter plekke eentje.
Niet iedereen begrijpt dat, evenmin als mijn gedachtegangen.
In het weekend kreeg ik een mail waarin stond: “geen haar op mijn hoofd die er aan denkt …”. Buiten de taalfout er aan dacht ik aan de vele, vele haren die daar altijd op de grond lagen.
Ikzelf zou daarom geschreven hebben: “Geen haar op de vloer die eraan denkt …”
Aangezien de mail niet erg vriendelijk was, was dat laatste niet mogelijk, maar ik had zo’n on-zin ernstig kunnen waarderen!

Onzindialogen vind ik helemaal geweldig. Zo had ik eens een conversatie met iemand – in gemengd Sallands/Twents – over het eten van lam. Lam smaakt heerlijk als het vers en goed bereid is. Mijn gesprekspartner wilde lam voor me bereiden en nadat we eerst over de bereidheid van het bereiden van een zich lam geschrokken lam hadden gefilosofeerd, kwam het geldgebrek ter sprake. Ik zou met de trein komen, dus ik opperde dat we wel een lam door de machinist zouden kunnen laten doodrijden. Maar ja, hoe kwamen we dan aan dat lam? Tja, dan moeten we dat gappen. Nee, dat moeten we jatten, dat klinkt net iets beter. Zo ontstond er een nieuw werkwoord. “Wâh gaot jullie doôn?” “O, niks bezunders, wie gaot te lammerjatt’n” … Het is er overigens nooit van gekomen; we verloren elkaar uit de webcam.

Geitende Schapen:
Een ram en een lam
en ook nog een ooi,
De ram is lam,
de ooi erg mooi,
het lam handtam.
’t Hek van de dam:
de boer ’n oorlam.
Schaap over dam,
lam en ook ooi,
tellen die zooi!
Schaap achter schaap
val ik in slaap.

Gewoon wat geblaat
wat nergens op slaat.

Normaliter ben ik niet zo’n webcamfan – voor je het weet, beginnen mannen dubbelzinnige opmerkingen te maken en daar heb ik geen zin in. Met mijn oude webcam, die een groenig, enigszins wazig beeld gaf, vond ik dat minder erg: als een man vroeg “of die cam niet wat lager kon”, zette ik hem doodeenvoudig op de grond. Het groenige beeld werd dan zwart en de man werd groen van nijd. Ik vond dat trucje, de ‘camzwaai’, erg grappig en ik moet toegeven dat ik een potentieel slachtoffer ook wel eens wat uitdaagde opdat de vraag – met mijn onvermijdelijke reactie – gesteld zou worden.
Tegenwoordig ga ik zulke gesprekken niet meer aan; ik hoef niet meer zo nodig met dat type mannen te praten en bovendien levert camzwaaien met de moderne webcam vermoedelijk veel minder leuke resultaten op.

Naast mijn eerdergenoemde grote liefde voor de woordspelingen in monologen van Herman Finkers, kan ik ook erg genieten van Bert Visscher. Ondanks zijn drukte, zijn de stukjes goed te volgen en zitten ze fantastisch in elkaar. De show “Jammer” ken ik zo’n beetje uit mijn hoofd – daarin zitten zoveel geweldige sketches! Eén van mijn favorieten is het stuk over de Alwaysreclame waarin gezegd wordt dat Always zo goed absorbeert en zelfs een tweede laag heeft. Sinds ik dat stuk gezien heb, kan ik niet meer gewoon langs een vijver lopen; ik moet altijd een slurpgeluid maken en zeggen: “Met reiger en al!” Mensen die me kennen hebben wel een idee waar ik op doel, anderen kijken me bevreemd aan en vragen waar dat nu weer op slaat. Dat is leuk, dan kan ik uitweiden over de fabeltastische opmerkingen die Visscher maakt.

Onzinhumor, je houdt ervan of juist niet. Het zit in je bloed, je wordt er mee geboren. Het heeft te maken met taligheid, met gevoel voor humor en met wat je van huis uit meegekregen hebt. Mijn vader heeft A.L.S., een dodelijke spierziekte. Zelf noemt hij het een vervelende kwaal, geen ziekte. Zijn motto is: “we sukkelen door, maar we houden de humor staande”. Ik zou het willen omdraaien: de humor houdt ons staande. Toen hij net hoorde wat deze ziekte allemaal inhoudt, dat er een moment komt dat er een sonde direct naar de maag gaat, zei hij: “Dat moet dan wel een grote sonde zijn, want mijn wekelijkse speklap wil ik niet missen!” Met zo’n opmerking toont hij zijn kracht, net als met de opmerking over schoenen die zo lekker lopen, alleen gaat het lopen niet meer zo lekker. Waarop wij dan kunnen zeggen: “je kunt altijd nog zeggen dat ze lekker zitten!” Waarna we met een grote grijns verdergaan tot de orde van de dag en nog een aantal zinnige en on-zinnige zaken de revue laten passeren en met de hond een rondje langs de vijver gaan – as always met reiger en al. “Slurp!”

Articles

Dwaalgast

In Fotografie,Natuur,Persoonlijks,Taal,Vogels,Wadden on 27 november 2010 door Marjolein Stam getagged: , , , , , , , ,

Vanaf dat ik me begin 2002 in Friesland vestigde, bezocht ik Ameland voornamelijk als zonaanbidder, en passant genietend van de schoonheid van dit eiland. De oudheid, de sfeer, ik vond het altijd heerlijk. En toen kwam er een man in mijn leven die er woonde … Daardoor leerde ik Ameland in alle facetten kennen. De herfst en de winter, waar ik normaliter niet heel blij van word, werden mooi door de natuur op Ameland.

De enorme sneeuwbergen, veroorzaakt door de sneeuwschuiver en zorgend voor fantastische doorkijkjes naar vaag-witte weilanden, de verwaaide dennenbomen waarvan de takken gegarneerd zijn met een sneeuwlaag. Een met rijp versierd hek, lijkend op een met poedersuiker bestrooide wafel. Een met schrikogen omkijkende ree tussen de verlaten zomerhuisjes.
De boottocht, die telkens weer anders was, maar altijd met die bijzondere zee …

In het voorjaar werd de natuur opgefleurd met bloemen, vogels en vlinders – kleurrijke of juist ingetogen schoonheden. We zochten pulletjes, langzaam op de trike over het eiland toerend, of we reden met de auto naar één van ‘onze plekjes’ om daar naar de zeldzame parelmoervlinders en andere ronddansende soortgenoten te zoeken. ‘Onze plekjes’, waar we ‘onze’ eerste tapuit, putter en andere ‘eerste’ vondsten deden, samen genietend van wat we waarnamen. We hadden over het hele eiland bijzondere plekjes. De plaats waar we een gele kwikstaart zouden kunnen zien veranderde in een ‘ons plekje’ waar de immer veranderende schoonheid van het wad adembenemend bleef.
En toen was het opeens over en langzaam realiseer ik me dat ik Ameland nooit meer zo zal beleven als tijdens die 15 maanden waarin alles zo goed leek.

Die laatste keer had ik geen idee dat het de laatste keer zou zijn dat we in de zon door de duinen liepen, genietend van de luwte, van vogels op doortocht zoals een goudhaantje dat tussen boomtakken verstoppertje met me speelde, de overal opduikende koperwieken, een torenvalkje dat rustig op een paaltje zat, een sperwertje dat langs de weg druk bezig was met zijn prooi en onze aanwezigheid (in de auto) trotseerde om zijn maaltijd verder in stukken te scheuren.
We maakten foto’s door de voorruit, zoals we overal samen foto’s van maakten.
Ik weet niet waar het omslagpunt van samen naar allebei foto’s maken heeft gelegen. Ook vraag ik me af of hij toen al wist dat dit mijn laatste bezoek aan ‘zijn’ eiland zou zijn …

De ganzen hebben de weilanden weer bevolkt; de eerste groepen waren dat laatste weekend al gearriveerd. Ik zal Ameland nooit meer zo kunnen beleven als in het afgelopen jaar. Al zal ik zeker weer genieten van de boottocht – de schoonheid van de zee verrast altijd weer vanwege de variatie. Hoe vaak ik niet buiten zat, op de banken met reddingsvesten …
Maar ‘onze plekjes’ vergroeien in de seizoenen en ik kan zelf plekjes ontdekken, zelf zoeken naar de zilveren maan, de argusoog, de vele vogelsoorten. Naar ‘zijn plaats’ hoef ik ook niet meer. Buiten Ameland zijn veel van de vogelsoorten ook in de provincie aan de kust waar te nemen – de Waddenzee behelst meer dan dat ene eiland.

An ordinary starling

De spreeuw die kwetterend zat te glinsteren in het zonlicht, het wad in prachtige tinten, de groep ganzen die tussen donkere wolken een paar zonnestralen ving – dat zijn de laatste vastgelegde herinneringen aan dat eiland waar ik zoveel van houd. Trekvogels en dwaalgasten blijven niet heel lang op één plaats; ze zijn te gast totdat ze volgegeten en aangesterkt verder kunnen vliegen.
Voor nu neem ik afscheid van Ameland, maar ik kom terug – als dwaalgast.

P.S.: Voor een vergroting van de foto’s kunt u op de fotoblokjes bovenaan klikken. U komt dan op mijn Flickr-pagina’s.

Articles

Tijd van leven

In Natuur,Persoonlijks,Taal on 9 november 2010 door Marjolein Stam getagged: , , , , , ,

Over het begrip tijd is alles al gezegd en geschreven. Er zijn vele spreekwoorden en gezegdes, gedichten en liedteksten aan gewijd.
Tijd is ongrijpbaar, het glipt als los zand tussen je vingers door.

Datzelfde geldt voor herinneringen die diep in je geheugen liggen opgeslagen en die op de meest onverwachte momenten naar boven ploppen.
Zoals mijn herinnering over mijn opa die aan mijn broertje en mij het versje over de wolf opzei: “de wolf houdt je gevangen tussen twee ijzeren tangen”.

Ik schreef het een paar dagen geleden, en ben daarna gaan zoeken.
Het leek me achteraf zo gek dat mijn opa zoiets dreigends zou hebben gezegd tegen twee kleine kinderen …
Dat had hij ook niet; mijn geheugen zat er een fractie naast. Het blijkt een oud versje te zijn en het gaat als volgt:

De schapen roepen: “Herder, laat je schaapjes gaan!”
De herder antwoordt: “Ik durf niet.”
Schapen: “Waarom niet?”
Herder: “Voor de boze wolf niet!”
Schapen: “De boze wolf is gevangen
tussen twee ijzeren tangen,
hij ziet geen zon, hij ziet geen maan.
Herder, laat je schaapjes gaan!”

De tijd had me pootje gehaakt; ik herinnerde me geen schapen meer. Dat is niet zo gek – we zijn bijna een halve eeuw verder sinds wij ons tussen die boomwortels wrongen en opa vroegen het versje op te zeggen, het versje van de wolf. Hij had een heel arsenaal aan opzegversjes: als we onderling ruzie hadden of (nog) geen snoepje kregen, zei hij het versje van de roos op de hoed op. Ik vond dat maar raar, om te zeggen dat het dan pas morgen weer goed was. Morgen duurde toch veel te lang, het moest toch meteen weer goed zijn? Ja, dat moest ook – morgen was nog een hele tijd verwijderd van vandaag!

Toen ik ruim 4 jaar oud was, verhuisden we naar een eigen huisje. Wat miste ik mijn opa! Maar hij had altijd tijd voor mij en voor mijn broertje. In het voorjaar sneed hij siepsapfluitjes voor ons en leerde ons er een melodietje uit te halen. Ik weet niet meer welke twijg het ‘siepsap’ bevatte, daarvoor is het te lang geleden. Wél herinner ik me de ‘toezebol’, die in Friesland ‘toerebout’ genoemd wordt, in het westen de fiere naam ‘lisdodde’ draagt, maar die in de volksmond bekendstaat als ‘rietsigaar’. Deze toezebol blijft mij met opa verbinden, door tijd en ruimte heen. Toen hij overleed, waren ze op hun mooist en heb ik een ‘bosstukje’ voor hem gemaakt, met natuurlijk daarin de fiere toezebol. Het stukje werd door iedereen herkend: zó was opa, een mens van, door en in de natuur.

Ik was 36 jaar oud toen mijn opa overleed. Ik heb hem dus een lange tijd van mijn leven meegemaakt en ik voel me bevoorrecht. Hij was mijn voorbeeld hoe mijn toekomstige man moest zijn: lief, zacht maar onverzettelijk, wandelend door de natuur, altijd buiten en een harde werker. Tuinieren, vissen, op zijn brommer naar ons toe komen in die zware leren motorjas – ik zie hem nog zo voor me, zeggende: “ha, jongelui!” Ik was de enige die hem bij zijn voornaam mocht noemen, een ooit ontstaan grapje dat iets tussen ons beiden werd. Ik had een speciale positie doordat ik als oudste kleindochter (met één oudere neef) bij zijn gezin in huis geboren werd. Opa was ‘mijn’ opa, altijd.

Onvoorstelbaar dat hij al 18 jaar ‘een mens van voorbij’ is. Ongeacht die tijd zal hij altijd deel van mij uit blijven maken. Hij is tijdloos geworden, een herinnering die voor altijd een stempel op me heeft gedrukt, die voor altijd bij me zal blijven.
Nog altijd herinner ik zijn wat voorovergebogen loop, zijn grote schoenen, zijn stem die versjes opzei en ons alles wat hij wist over de natuur leerde, ons de liefde en het respect daarvoor meegaf.
Ik zie hem nog samen met mijn broer onze oprit opnieuw bestraten nadat die door een vrachtwagen was ingezakt. Ondanks zijn leeftijd – hij was toen al eind zeventig – werkte hij als een paard stug door om de klinkers weer keurig in verband te leggen, om nadat de klus geklaard was weer op zijn brommer naar huis te gaan.

“De tijd heelt alle wonden”, is een beroemd dooddoener-gezegde, maar het klopt wel. Opa’s overlijden doet allang geen pijn meer, zelfs al stierf hij niet op de manier die hij zelf had gewild – hij overleed in het ziekenhuis, terwijl hij altijd zei liever buiten ergens dood neer te vallen als het ‘zijn tijd’ was. Hij was bijna 89, een respectabele leeftijd. Hij is altijd bij me; ik herinner me zoveel van hem dat hij een deel van me is geworden. Ik weet zeker dat hij van bovenaf voor me zorgt, mij op het goede spoor zet als ik de weg even kwijt ben.

Ondanks dat hij de herder speelde en mijn broertje en ik de schaapjes waren, beschermde hij ons tegen de wolf. “De wolf zit gevangen tussen twee ijzeren tangen”. Hij past op ons, door tijd en ruimte heen, altijd. En ik herinner me hem met liefde en warmte, zolang ik ‘tijd van leven’ heb.

Articles

Druk

In Fotografie,Natuur,Persoonlijks,Vogels,Wadden on 6 november 2010 door Marjolein Stam getagged: , , , , , , , , , , ,

Het woord ‘druk’ kan veel verschillende betekenissen hebben. Je kunt het druk hebben, je kunt druk zijn, je kunt je druk voelen in je gedrag of zo op anderen overkomen, je kunt je druk maken of het kan ergens druk zijn.

De maand oktober bood het hele bovengenoemde scala aan betekenissen. Er waren gezellige uitjes: een familieweekend op Ameland, gevolgd door een familiebezoek in Oranienburg met daarbij vanzelfsprekend een bezoek aan Berlijn. Zowel het familieweekend als het lange weekend in Duitsland waren indrukwekkend.
Op Ameland hadden we bijzondere uitjes: een tocht met de Strandexpress, die ons via het verlaten strand naar het stille, imposante natuurgebied achter het Oerd bracht. Ik genoot van de informatie, van het landschap en het gevoel wat dit oeroude land oproept. Je waant je heel ergens anders op dit beschutte stukje eiland, waar het oude houten baken fier oprijst boven de vlakke duinenrij, terwijl een paartje bruine kiekendieven een geweldige vliegshow weggaf. Duikend, zwevend, af en toe landend, om meteen weer op te stijgen. Spelend in hun territorium, waar wij te gast waren.

Een dag later bezochten we de eendenkooi, onder leiding van de officiële kooiker met zijn kooikershond. De kooiker wist boeiend en met veel humor te vertellen over zijn vak. Eendenkooien zijn zeldzaam geworden en we moeten zuinig op deze monumenten zijn. Nooit eerder heb ik stilgestaan bij de functie van dit geraffineerde bouwwerk, waar licht en windrichting worden gebruikt om de eenden in de val te lokken, waar lokeenden en ook de hond hun specifieke functies hebben. Het was allemaal ongelooflijk interessant; je zou bijna vergeten dat de kooi bedoeld is om wilde eenden te vangen voor de slacht: eendenborstfilet blijft een delicatesse, zegt men.

Halverwege de daaropvolgende week vertrokken wij naar Oranienburg, waar ik na 7 jaren mijn nicht weer bezocht. Dit mooie stadje aan de Lenitzsee is door de Kurfürst genoemd naar zijn geliefde vrouw Louise Henriette von Oranien-Nassau, de oermoeder van het huidige Koninklijk Huis. In het verleden was ik regelmatig bij mijn nicht te gast, zowel hier als in Berlijn toen zij daar nog woonde. Het was heerlijk om Berlijn weer te ervaren! Opvallend was de DDR-revival en het ietwat late inzicht in het historisch belang van de Muur, die nu gemarkeerd met speciale straatklinkers door de stad slingert. Op de straathoeken werden aan toeristen Russische bontmutsen verkocht en op meerdere plaatsen stonden ‘militairen’ die toeristen tegen betaling paspoortstempels uit de Mauer-tijd gaven of met hen poseerden. Het toerisme floreert en profiteert van de bijzondere sfeer van deze stad. Berlijn blijft me altijd boeien – de stad waarin alle oorlogen blijven woeden, de wonden niet echt helen. “Berlin soll immer werden und nie sein” is het credo en dat bewezen de vele steigers en kranen ook deze keer weer.

Naast alle fijne familiebezoeken met als klapper een groot verjaardagsfeest, hebben we veel ondernomen: een wandeling langs een bos, waarvan de prachtige herfstkleuren schitterende plaatjes opleverden, lunchen aan de rivier de Havel, speuren op Trödelmarkten naar oude buit. Verder reden we naar Linum, waar de grauwe kraanvogels in het najaar neerstrijken om te fourageren voor hun tocht naar Afrika. Een spectaculair gezicht: wolken van honderden, duizenden kraanvogels die hun eigen radar volgen, massaal aanvliegend om in beschermd gebied te overnachten. Ik heb zelden iets zo imposants gezien als deze grote vogels die in volledige vrijheid pal over ons heen scheerden, in V-formaties hun vleugelslag en positie feilloos op elkaar afstemmend. Een zeer indrukwekkende belevenis!

Maandags moesten we terug: het was ook thuis druk. Nog steeds wordt hier hard gewerkt aan de WMO-aanpassing van mijn badkamer. Stof en lawaai, drukte in huis, onhandig gepaard gaand met kiespijn, tandartsbezoeken en het moeten laten trekken van een aantal kiezen. Hoewel ik altijd erg zuinig ben geweest op mijn gebit, heeft ‘de wolf’ toegeslagen en van binnenuit mijn kiezen aangevallen. Mijn opa had vroeger een rijmpje als mijn broertje en ik met hem naar het bos gingen en ons tussen tangvormige blootgelegde wortels van een vliegden klemden: “De wolf houdt je gevangen tussen twee ijzeren tangen.” Of het rijmpje meer regels had, weet ik niet meer, maar bij het trekken van de kiezen heb ik veel aan dit rijmpje gedacht … Het is nog niet voorbij – er zullen nog meer kiezen sneuvelen. Mijn kaak is nog niet geheeld, de infectie nog niet bezworen, maar ik ben al blij met pijnvrije dagen zonder ijzeren tangen (helaas wel met druk-pijn).

Na de uitjes en met de problemen met de kiezen, kreeg ik onvoorzien een extra’tje voor de kiezen: ook de liefde bleek ten prooi gevallen aan ‘de wolf’. Het was niet mijn keuze en het genereerde een heel ander soort druk: die van afscheid nemen. Geen fysiek afscheid, dus psychisch een nog zwaardere kluif.
Intussen is een nieuwe maand aangebroken, een maand waarin ik met warmte terugkijk op de mooie uitjes en met weemoed op mijn vergane kiezen en vooral op een vergane liefde waarin ik een weg moe(s)t zoeken.
Die weemoed zal me nog wel vaker overvallen, maar ik kijk nu vooruit. De toekomst ligt open, mijn badkamer nadert voltooiïng en langzaam maar zeker verwerk ik alle in-druk-ken van de drukke maand oktober.

Articles

Knoert van Oerd ~ 2 ~

In Natuur,Sprookjes & fabels,Taal,Vlinders & nachtvlinders,Vogels,Wadden on 7 september 2010 door Marjolein Stam getagged: , , , , , , , , ,

Na een weekend waarin wij opnieuw met Keizer Knoert hebben kunnen spreken, is ons nog veel meer duidelijk geworden over het leven en de visie van dit microvolkje.
Hoewel Keizer Knoert aangeeft keizer zonder raadgevers te zijn en dus alleen maar onderdanen heeft, is hij in wezen een microsoftie: hij heeft veel meedogen met zijn volk en regeert met compassie. Datzelfde hoorden wij van onderdanen (feitelijk bovendanen; zij zijn allemaal iets groter dan de Keizer), die een plezierig leven leiden. Door deze gesprekken zijn een aantal evidente verschillen met onze maatschappij en de politieke hiërarchie aan het licht gekomen, maar daarover later.

Het microvolkje leeft ‘omgekeerd’, wat als uniek in elke wereld kan worden beschouwd. Zij worden oud geboren en kennen zodoende meteen de duur van hun leven. Hun puberteit – de fase waarin wij mensen het meest onzeker zijn over bij voorbeeld uiterlijk, beleven zij met meer dan voldoende zelfkennis en levenservaring.
Dit omgekeerd leven maakt hen stabiel en zeker over hun leven, hun uiterlijkheden en hun vooruitzichten.
Qua uiterlijk en gebruiken verschillen zij van de doorsnee kabouter- en mensenpopulatie: degene die als kleinste geboren wordt, is automatisch de volgende keizer. Hierdoor is het een kwestie van lotsbestemming wie de leiding over het volk krijgt.

De leeftijd van dit volk ligt zoals genoemd op voorhand vast, maar zij leven veel langer dan wij mensen – bij de geboorte is de gemiddelde bovendaan zo’n duizend jaar oud. Dat betekent dat zij zich geen zorgen hoeven te maken over hun dood, die hen niet voortijdig door ziektes, maar alleen door ongevallen kan treffen. Het volk is immuun voor ziektes; zij kennen het woord alleen van de dieren en de wereld rondom hen. Zij zijn om verschillende redenen niet bang voor de dood: doordat een plant in het najaar sterft en in het voorjaar opnieuw geboren wordt, ‘weet’ het volk dat zij niet hoeven te vrezen voor de dood. Ze komen immers weer tot leven? Dat dat niet altijd gebeurt, ligt aan de overledene zelf: hij of zij kiest dan voor Everland, een wolk waarop zij voor eeuwig willen blijven. Dat lijkt mij persoonlijk na duizend jaren leven ook wel een mooie keuze.

De grafjes zijn speldenprikjes, niet zichtbaar voor ons blote oog. De tot baby’s volgroeide duizendjarigen vragen nauwelijks ruimte doordat zij tijdens de laatste fase van hun leven nog verder krimpen. Zelf noemen ze dat liever “overgaan”. Deze overgang begint aan het einde van hun puberteit en duurt totdat de dwergkabouter in babystaat sterft. Het geheugen glijdt langzaam weg totdat het bij hun dood als baby onwetend en blanco, puur is. In deze periode worden zij afhankelijk van hun kleinkinderen die hen als vanzelfsprekend voeden, verzorgen en verschonen totdat het vuur dooft.
Keizer Knoert wil zijn huidige leeftijd niet vertellen, maar zegt wel nog lang niet aan de overgang toe te zijn. Hij vertelt dat de begraafplaats rondom de basis van een speciale bloem ligt, een bloem die vrijwel het gehele seizoen door bloeit. Ik begrijp uit deze uitspraak dat het om een viooltje moet gaan: we hebben in de loop van het jaar her en der veel kleine viooltjes gezien en we weten ook dat dit een waardplant voor een aantal bijzondere vlinders is. Deze vlinders spelen een grote rol in het leven van het Oerdburenvolkje.

Dieren vormen een belangrijk hulpmiddel voor het volkje: zij reizen graag per libel (die zij helicopter noemen) of per zweefvlieg(tuig). Ze gebruiken spinrag van verdwenen spinnen voor hun micromee-werk; de webben worden systematisch uitgerafeld en opgerold tot een enorme kluwen, waarna het klaar is voor gebruik.
Ook vogels helpen hen met hun voortbestaan: kwikstaartjes maken al wippend met hun staart mooie snelwegen door het woud van helmgras en de mussen, die we bij het Kooikershuus altijd restjes van onze appeltaart geven, blijken delen van deze restjes aan de Oerdburenbuurt te leveren, die daar weer de meest heerlijke gerechten van maken.
Dan zijn er nog vele geleedpotige helpers, die delen van vruchten aanslepen of het volkje wijzen waar ze deze zelf kunnen vinden. Keizer Knoert en zijn bovendanen zijn vegetariërs en doen dus geen vlieg kwaad.

De volgende keer uitleg over de prachtige parelmoervlinders (waaronder de zeldzame “zilveren maan”, die een speciale betekenis voor het volkje heeft) die men op Ameland kan vinden.
Verder komen reacties op ons verbazingwekkende menselijke politieke marionetten-machtsbestel aan bod, met daarbij enige parallellen tussen vriend en vijand, al heeft het volkje praktisch geen natuurlijke vijanden.
Wij kunnen nog heel veel van deze microkabouters leren!

= Wordt vervolgd =

P.S. Ik krijg het niet voor elkaar de foto’s te linken met Flickr. U kunt ze bekijken door bovenaan de pagina op het fotoblokje te klikken!

Articles

Knoert van Oerd – een sprookje in meerdere delen ~ 1 ~

In Natuur,Sprookjes & fabels,Taal,Wadden on 29 augustus 2010 door Marjolein Stam getagged: , , , , , , , ,

Vrijwel iedereen die iets over de geschiedenis van het Amelander Oerd weet, weet dat het daar spookt. In oude tijden staken jutters vuren aan om schepen te misleiden, zodat er na de schipbreuk van alles te jutten viel. Ritskemooi uit Buren is waarschijnlijk de meest bekende jutster: toen zij na een succesvol vuur de volgende dag tussen de wrakstukken van het schipbreuk geleden schip kon zoeken naar handel waarmee zij haar armoe kon bestrijden, vond zij tot haar ontzetting temidden van de andere doden het lichaam van haar jongste zoon Sjoerd…
Sindsdien spookt het op het Oerd: als het waait, hoor je Ritskemooi radeloos haar zoon roepen: “Sjoehoehoehoerd!!!”

Van dit verhaal maakte een zeer klein volkje destijds dankbaar gebruik om zich in stilte als buren van Buren in de duinen bij het Oerd te vestigen. Nog altijd wonen zij daar vredig en met veel plezier.
Het is een zeldzaam volkje, bestaande uit dwergkabouters met als leider de piepkleine grote Keizer Knoert. Vrijwel niemand weet van hun bestaan en geen mens heeft ze ooit gezien – tot vandaag. Vandaag wandelden wij als zo vaak vanaf De Kooiplaats, waar we onze traditionele koffie met appeltaart als lunch nuttigden, met onze camera’s het paadje af en de glooiende duinen in, op zoek naar vlinders die nog in onze fotocollectie ontbreken.

We kunnen natuurlijk niet de specifieke locatie van de Oerdburenbuurt prijsgeven; het is ons door Keizer Knoert persoonlijk toevertrouwd. Eén van zijn onderdanen ontsnapte ternauwernood aan de dood toen wij even gingen zitten om te rusten. Met mijn forse billen zou ik de halve bevolking hebben kunnen verpletteren, maar iets in mij waarschuwde me dat we ons wel eens in kabouterland zouden kunnen bevinden – ik had bij voorgaande bezoeken al vele signalen gezien. Daarom vleide ik mijn linkerbil voorzichtig op het helmgras en liet tijdens het verder laten zakken voldoende ruimte onder de bilnaad van mijn jeans om een riante uitweg voor eventueel klein volk te kunnen bieden.

Het dwergvolk behoort tot het zeer zeldzame ras der Micromen, die onder andere kabouterrassen groot respect afdwingen vanwege hun tot kunst verheven techniek van het micromeeën. Vanzelfsprekend ging Keizer Knoert niet zo ver om ons in de geheimen van deze kunst in te wijden, maar gezien mijn voorliefde voor hun schitterend aangelegd wilde tuinen (die voor een leek nauwelijks te zien zijn tussen helmgras en kruipwilg), wat ik bij elk bezoek luidkeels verkondigde en er foto’s van maakte – gezien dat gegeven had ik een macrostreepje voor bij dit microbiotisch volkje. De actie met de bilnaad gaf de doorslag: we mochten kennismaken met de Oerdburenbuurtbewoners en met behulp van microfoons waren we in staat een geanimeerd gesprek te voeren

Met permissie van Keizer Knoert zelf mag ik wel iets vertellen van het leven van deze kleintjes. Ze zijn zo groot als een afgebrande lucifer en het is een oud volk, dat desalniettemin zeer speels is gebleven.
Zoals gezegd leggen ze prachtige heemtuinen aan, met reusachtige zandblauwtjes, enorme leeuwenbekken en violen en met hoge, aarvormige bloeiers. Wij bewonderden deze in onze ogen piepkleine bloemetjes, waar een patroon van een uitgestrekte heemtuin in te zien was.

De petieterige varentjes die we zagen, blijken als palmbomen in het Land van Knoert te fungeren, waartussen zeer kunstig gemicromede hangmatten zijn opgehangen voor warme of juist natte dagen. Dat is op Ameland geen overbodige luxe: het eiland kent veel meer zonuren dan het vasteland, maar als het eens regent, is voor het microvolkje een plas water als een stormvloed waar Ritskemooi in vroeger dagen steenrijk van zou zijn geworden …
Hun hangmatten zijn waterdicht gemicromeed en houden hen zodoende droog en dobberend als bootjes vastgesnoerd onder hun palmbomen. Bij zonnig weer hevelen ze de stammen van de varentak naar voren, waarbij ze de krul van de varen als groot ruisend zonafdak kunnen benutten.

<

=== Wordt vervolgd ===

Articles

Dobberdonsjes

In Fotografie,Natuur,Taal,Vlinders & nachtvlinders,Vogels,Woordspelingen on 17 augustus 2010 door Marjolein Stam getagged: , , , , , , , , ,

Woorden zijn als kralen die je aan een ketting rijgt, waardoor je een zin krijgt. Je zegt woorden, je schrijft ze en je leest ze. Een woord wordt bijna een gebruiksvoorwerp.
Je kunt ook spelen met woorden, iets wat – zo blijkt – veel mensen leuk vinden. Op de netwerksite LinkedIn heb ik een tijd geleden in het forum van Onze Taal in een topic gevraagd of men niet-bestaande synoniemen kent. Deze term is natuurlijk een contradictie: zodra je zo’n woord kent, is het een synoniem van een wél bestaand woord. Alleen hebben creatieve geesten zodanig met taal gespeeld dat zij dat woord gecreëerd hebben.

Er zijn grootheden te noemen die daar bij uitstek goed in zijn: Koot & Bie en Marten Toonder hebben voor schitterende uitbreidingen in onze taal gezorgd. En natuurlijk zijn er veel meer beroemdheden te noemen – ik wil geen van de vele woordkunstenaars tekortdoen!
Maar ook gewone mensen die een liefde voor taal hebben, kunnen zodanig met woorden spelen dat er nieuwe woorden ontstaan. Vooral kinderen zijn er goed in: zij verhaspelen woorden of geven een eigen naam aan dingen, wat tot prachtige, ontroerende of komische resultaten leidt.
Ik heb niet de pretentie me met beroemdheden te meten, maar ik heb er zelf wel ook een handje van – het ‘kind in mij’ heeft blijkbaar 50 jaar in mij doorgeleefd. Jonge eendjes noem ik, zoals ik al eerder schreef, dobberdonsjes.

In het genoemde topic winnen de dobberdonsjes terrein; meerdere leden vinden het woord lief en treffend. Dat vind ik leuk, die herkenning van een manier van denken en ervaren. Het is immers een treffend woord?
Het leukste is als zo’n woord verder rond gaat zingen, als men het overneemt en hier en daar tegen gaat komen als andere benaming voor eendenkuikens.
Er zijn meer voorbeelden: uit het inmiddels al oubollige studentenjargon van zo’n 20 jaar geleden stamt het stuifkoe als synoniem voor poedermelk. Ik heb dat zo frequent gebruikt, dat vrienden het ook zijn gaan gebruiken – al dan niet gepaard gaand met stuifkoffie (voor oploskoffie). Geitenwolthee staat synoniem aan kruidenthee en een sukstel is een vrouwelijke sukkel.
Overigens denk ik niet dat ik de bedenker van deze woorden ben; het wiel zal echt wel vaker uitgevonden zijn.

Spelen met taal geeft zoveel plezier en humor in een gesprek. Het maakt alles luchtiger, minder zwaar. Toen Herman Finkers ooit zei: “Zelfmoord plegen is wel het laatste wat ik zou doen!”, werd dat zware onderwerp als vanzelf luchtig en humoristisch.
Ooit, in een periode dat ik last van angsten en depressieve gevoelens had, werd mij gevraagd of ik niet bipolair oftewel manisch-depressief zou kunnen zijn. Ik antwoordde dat ik hooguit als panisch-depressief gelabeld kon worden en werd daar zelf acuut vrolijk van. Humor is in menige situatie het beste antidepressivum! Ik ben blij dat ik uit een familie stam waarin die humor in ruime mate aanwezig is, plus de creativiteit die aan het verzinnen van nieuwe woorden bijdraagt.

Een paar jaar geleden sprak ik met een dierbare vriendin, die ik in Engeland bezocht, over de benaming van dieren in diverse talen. We vonden bumblebee zo’n mooi woord, veel mooier dan onze gewone hommel. Door er verder over te praten, ontstond als vanzelf de kruising bommelbij en naar aanleiding van dat gesprek rolde later thuis onderstaand versje uit mijn toetsenbord. Niets hoogstaands, maar wel iets waar creativiteit, spelen met talen en plezier in zijn verwerkt. Het is heerlijk om samen te kunnen lachen om een woord- of taalgrap, en het ontroert me dat de dobberdonsjes zo enthousiast ontvangen worden!

Een bommelbij die maakt je blij
Een drakenvlieg iets minder:
Al is ie prachtig om te zien
Hij geeft toch wel eens hinder

Een smetterling is zo kaduuk
Hij leeft ook maar heel even
Waarin twee keer een wisseltruc
En dat is dan zijn leven

Caterpillar, dat klinkt wel leuk
maar lastig te bewegen
’t klinkt toch wel beter dan een rups
Dat is dan weer een zegen

En ook nog pop te mogen zijn
Dat is wel veel van ’t goede
Dan zou ik liever ‘n hedgehog zijn
Al is die op zijn hoede

Wat hebben dieren leuke namen
Als je het goed beschouwt:
Een bord coquilles eet je samen
Terwijl je ’n snail niet kauwt …

Articles

De Hakkelaar en ander vlieg-tuig

In Fotografie,Natuur,Vlinders & nachtvlinders,Wadden on 1 augustus 2010 door Marjolein Stam getagged: , , , , , , ,

Klein Koolwitje

Het is fascinerend dat het woord ‘vlinder’ zo goed alle kenmerken van dit diertje weergeeft: kwetsbaar, kleurig en fladderig dartelend in de zon. De naam vertoont in vele talen verschillende van deze kenmerken: het Duitse Schmetterling klinkt net als vlinder kwetsbaar, het Engelse butterfly juist als een sterke bloemenbezoeker. Het Franse papillon doet me denken aan de mooie kleuren en zelfs bij het Arabische farasha kun je je wat fladderigs voorstellen. Het Spaanse mariposa klinkt ook mooi, net als het Italiaanse farfalla. De Denen koppelen de vlinder aan de zomer met hun sommerfugi en de Zweden noemen een vlinder fjäril.

In mijn eigen poëzie-albums staan meerdere versjes die de vergelijking tussen een meisje en een vlinder maken:

St. JansvlinderVriend’lijk, vrolijk, dartel meisje,
fladder lang nog in het rond,
als een bloemetje dat bloeit
als een vlindertje dat stoeit,
met een lach steeds om je mond.

Geen hoogstaande poëzie, maar lieve versjes voor een klein meisje. Veel hoogstaander zijn de mooie, enigszins treurige liedjes van Boudewijn de Groot en van Simon & Garfunkel. De treurnis gaat daarbij over de korte levensduur van de vlinder, terwijl de fascinerende levenscyclus van ondergeschikt belang gemaakt wordt: van eitje tot rups, daarna bezinning in zijn spinsel als pop om er vervolgens tot vlinder getransformeerd uit te kruipen. Dat is een unieke evolutie die vrijwel geen enkel ander dier gegeven is!

In korte tijd hebben we een vrij grote hoeveelheid vlinders Gehakkelde aureliagefotografeerd. We determineren ze met behulp van Vlindernet.nl en als het om zeldzame exemplaren gaat, melden we ze keurig bij Waarneming.nl.
Met vogels doen we hetzelfde, maar de zomermaanden zijn extra leuk met al die vlinders die voor onze lens verschijnen. Zo zat onlangs, toen ik 10 dagen op Ameland doorbracht, zomaar een gehakkelde aurelia op de muur van het buurhuis – een soort die niet te missen is. Prachtig, zoals dit dier gevormd is met zijn kleurige vleugels en de fraaie inhammen in de vleugelranden, waar hij zijn naam aan dankt. Deze Hakkelaar is niet afgevlogen, ook dankt hij zijn scherpe inhammen niet aan een confrontatie met een hakselaar – het is zijn natuurlijke vorm.

Icarusblauwtje

Vlinders fotograferen blijkt ook in de vrije natuur leuk te zijn. Ik gebruik mijn telelens om ze mooi dichtbij te halen, en stel handmatig de belichting in. De schoonheid en de meestal uitbundige kleurenpracht van de vlinders wegen royaal op tegen de kleine ongemakjes van mijn camera die wat vlekjes op de sensor heeft en tegen de natuur die mij op vlinderjacht met blote benen door brandnetels of bramen laat lopen.
Maar het spotten van een minuscuul Icarusblauwtje en deze goed op de foto krijgen, het vast kunnen leggen van de schoonheid van een dagpauwoog, dat alles is vele malen belangrijker dan jeuk door een beet van een daas of van prikplanten, en maakt het vlinders fotograferen zo leuk. Ze zijn ook erg fotogeniek, al moet je je er soms voor in rare bochten wringen. Net als zijzelf overigens!

Kleine Vuurvlinder

Vlinders laten je genieten. Wij hadden in juni al het geluk dat we de zeldzame duinparelmoervlinder en wellicht ook de zilveren maan op de foto kregen, maar we hebben intussen veel meer soorten gefotografeerd. Plaatjes zeggen in dit geval meer dan praatjes. Daarom laat ik het hier nu bij en laat ik divers vlieg-tuig uit de vrije natuur op jullie los, fladderend door de teksten.

Bruin zandoogjeHeivlinder

Articles

Uiverhuiver

In Fotografie,Natuur,Vogels on 12 juli 2010 door Marjolein Stam getagged: , , , , , ,

Ooievaars – ook wel uivers of storks genoemd, vind ik ongelooflijk prachtige vogels. We gebruiken ze als symbool voor het brengen van een baby, een gave die ze geloof ik niet echt bezitten maar die leuk staat in de tuinen van huizen waar jonge ouders van hun boreling genieten. Vroeger zeiden moeders dat hun buik dik werd doordat ze rijst spaarden voor de ooievaar, die de baby kwam brengen en die dan eten nodig had voor de inspannende tocht die hij met baby-in-luier in de snavel gemaakt had. Ik vroeg me altijd af wanneer mijn moeder die rijst dan had gegeten; wij aten dat niet zo vaak… De uiver zelf is ook geen rijsteter: hij heeft liever vlees op het menu.

De ooievaar is nu weer een bekende vogel in ons land; we zien hem op verschillende plaatsen. Zowel in het wild als vanaf ooievaarsstations vliegen ze rond en doen soms met een hele groep een weiland aan.
Gisteren reden we langs een weiland waar er zeker 15 stonden, en in een weiland wat verderop waren nog eens 3 exemplaren die – hopelijk – op kikkerjacht waren.
Het was rondom Meppel, waar meerdere ooievaarsstations zijn en waar je ze dus zeker kunt verwachten.

Vorige week waren we een dag naar onze water-dierentuin Aquazoo, waar een intussen grote groep ooievaars woont. Sommigen overwinteren ook hier, maar ze zijn vrij om in de winter naar Afrika te vertrekken. We hopen dan wel dat ze daar niet vermoord worden – we willen ze volgend voorjaar graag weer begroeten. Door bij te voeren blijven ze wellicht op hun ‘thuisadres’ in plaats van in warm en gevaarlijk Afrika te overwinteren.
De groep in de dierentuin werd bijgevoerd en dat leek ook wel nodig. Zoveel eendere dieren op een klein territorium kan zorgen voor te weinig verse kikkers en andere akelige beesten!
Bovendien moest er een jong gevoerd worden, dus er was extra eten nodig voor de verzorgers van dit diertje. Ik vraag me opeens af of die soms in een luier door een zweefvlieg-tuig wordt gebracht?

Er werd druk geklepperd: één van de (vermoedelijk) mannetjes die als echte kerels op gepaste afstand van het grote nest in een groepje stond, wilde toch even laten weten dat hij degene was aan wie het nest toebehoorde. Volgens Wikipedia zijn ooievaars nesttrouw en heeft het klepperen een baltsfunctie. Het vrouwtje beantwoordt dit klepperen op dezelfde elegante manier: er wordt al klepperend een S-bocht met de nek gemaakt, waardoor de kop achterover op de rug ligt. In die houding volgt er een hap adem zodat er bij het terugdraaien van de nek weer volop geklepperd kan worden. Het is een ongeëvenaard geluid, dat altijd opnieuw fascineert. Als je de bijbehorende body language dan ook nog mag bewonderen, maakt het helemaal diepe indruk.

De ooievaar kwam rond 1980 bijna niet meer voor in Nederland – op de babyboom-gefiguurzaagde exemplaren na – en dat was reden tot zorg, tot huiveringwekkende zorg.
Al in 1967 werd in Groot Ammers een succesvolle proef gedaan om de uivers in een ooievaarsstation te laten broeden. Dit initiatief werd zodanig uitgebreid dat in 2003 weer het na-oorlogse aantal ooievaars in Nederland rondvlogen. De ooievaar brengt geluk, want hij leeft van kleine koudbloedigen en van insecten, dus deze trekvogel landt graag temidden van een insectenplaag om de buik rond te eten. Ik kan niet zeggen dat we vorige week minder last van muggen hadden, maar ik heb ondanks het waterrijke gebied geen kikker gehoord en dat vond ik zeer, zeer bemoedigend!

Ik ben blij dat de ooievaar weer ‘normaal’ is in ons luchtruim. De machinale Uiver is allang verdwenen en zonder interventie zou ook de levende soort hier verdwenen zijn. Een huiveringwekkende gedachte! Gelukkig leeft de natuurlijke uiver vrij lang: hij kan 30 jaar oud worden (net als zijn kleine broer de scholekster), en een jong is na 3 jaar geslachtsrijp. Dat betekent dat er toch eieren gelegd moeten worden en nesten bebroed dienen te worden en dat kan alleen als er voldoende voedsel is. Gelukkig zijn we zuinig geworden met DDT en andere sprays waarmee we onwetend zowel land als vogelstand naar de gallemiezen hielpen en hebben wetenschappelijke ontwikkelingen voor veel bredere kennis gezorgd.

Kennelijk applaudiseert de ooievaar voor deze kennis door luidkeels te klepperen. Ik hoop dat fascinerende geluid nog vaak te horen en te kunnen genieten van deze mooie, sierlijke en imponerende vogels! Niet alleen de wetenschappers maar ook de ooievaars zelf verdienen een applaus voor hun overlevingsdrang en hun vrede met het leven in ons kikkerlandje.