Articles

Monument voor Iffix

In Taal on 17 januari 2021 by Marjolein Stam

Dit is een lang verhaal over een bijzondere kat (en dat was-ie). Het verhaal is lang doordat hij 15 ½ jaar deelgenoot van mijn leven was – iets, wat geen man ooit gered heeft. Hij is me ontzettend dierbaar, mijn Iffix met zijn verlegen blik en zijn eigenaardigheden. Een week geleden stierf hij en hij verdient dit verhaal over hem en over ons leven samen. Dus geen keurige blog, maar het levensverhaal over de liefste man die een royaal bontrandje om mijn hart vleide. Een monument voor Iffix, mijn wonderkat.

Hij kwam na de drama’s in 2005, in de zomer samen met zijn zusje. Ik kreeg hem van een toenmalige vriendin die ALS had. Daarom noemde ik hem “IF (they could) FIX (it)”. Zijn zusje werd naar mijn aanvallen van somberheid Oxa(zepam) genoemd. Oxa & Iffix, twee mooie kittens die erg aan elkaar hingen.
Ze werden ziek – toch nog weer. Blijkbaar was het virus nog altijd niet weg. Het kostte me moeite ze te verzorgen; ze waren nogal eigenzinnig als het op medicatie aankwam. Ze waren mager en speelden niet, zaten altijd samen en keken niet om naar andere katten. Maar poes Giva trok zich daar niets van aan en waste hen vlijtig de oren. Ze konden die moederliefde goed gebruiken en lieten het zich welgevallen.


Na een jaar overleed Oxa. Ik legde haar vlak voordat ze stierf koel, maar ze kroop terug en rolde zich om mijn stoelpoot, terwijl Iffix op mijn schoot zat (iets wat hij later niet meer durfde). Ze overleed en ik wilde haar wat mooi neerleggen zodat iedereen afscheid kon nemen en haar ziel weg kon. Maar Iffix deed iets eigenaardigs: hij ging bovenop haar liggen en bleef een uur stil liggen. Toen hij opstond, was Oxa koud en stijf en geen andere kat keek meer naar haar om. Haar ziel leek in hem overgegaan. Hij kwam de week daarop een kilo aan en bleef groeien, werd gezond. Eten en gekamd worden waren zijn grote hobby’s. Als ‘kwartlanghaar’ (hij had een Perzische vader) was kammen zeker nodig, dus dat hij dat fijn vond, kwam mij goed uit.

Hij had een hoop eigenaardigheden. Zo was hij bang voor schoenen – niemand weet waarom, er was nooit iets gebeurd. Hij had geen idee hoe het luikje van de kattenbak werkte, dus dat moest er voor hem af. Ik noemde hem liefkozend “niet al te nozel”. Toen hij me een vlinder bracht, helemaal zelf gevangen, heeft die jaren in een kast gestaan. Dat is het enige wat hij ooit ving 🙂
Als ik naar de wc of naar de gang ging, sjokte hij tot aan de gangdeur en bleef daar met één poot naar voren afwachtend staan kijken tot ik terugkwam. Dan draaide hij zich om en liep met mij mee terug.
Hij ontroerde me altijd erg, mijn Iffix.


Hij klom een keer op het schuurdak en was drie dagen weg. Hij kwam daar nooit en liep sowieso niet weg. Dit was een vergissing, iets wat hem overkwam. Ik was in paniek en bracht flyers rond. Na drie dagen kwam hij terugwandelen. Achteraf bleek hij drie huizen verderop naar beneden op een gelijkend plaatsje gesprongen te zijn (dat had een andere kat ook al eens gedaan). Toen de bewoner hem op de schuur zette, kwam hij blij weer thuis, trouw als altijd. Zelf had hij de sprong naar boven niet aangedurfd, zoals hij zoveel niet aandurfde.

Toen Miss Muis als kitten kwam, deed hij wat Giva bij hem had gedaan: hij waste haar van top tot teen en werd haar ‘vader’. Ondanks zijn castratie klom hij vrijwel dagelijks op haar met een grom en een beet in haar nek. Muis liep dan geïrriteerd grauwend weg en Iffix ging bedaard weer liggen, of sjokte naar mij toe. Ik geloof niet dat ik hem ooit anders heb zien lopen dan sjokkend; rennen was niet zijn ding. De reismand ook niet – het was altijd een drama om hem in de mand te krijgen. Toen hij een abces in zijn bek had en ik hem met veel hulp in de mand had gekregen, moest hij na de operatie drie dagen in de kliniek blijven omdat hij antibiotica-injecties nodig had en wij hem (en mij) de stress van die reismand niet aan wilden doen.
Hij kwijnde daar weg en was erg blij dat hij weer thuis was – ondanks de rit in de mand. Eenmaal thuis herstelde hij snel en at ook bijna tandeloos lekker door.

In die tijd bleek dat ook mijn vader ALS had en Iffix werd nog belangrijker voor me. Hoe bestond het, zo’n naam en die vreselijke ziekte die hij door zijn naam voor mij troostrijk maakte. Alsof ik het verdriet weg kon aaien bij hem.

En toen verdween hij wéér spoorloos van het achterplaatsje … Ik deelde weer flyers rond, langs het grote rechthoekige blok waar wel 60 woningen aan elkaar grensden, plakte ze op bomen in de buurt. Hij was bang voor mensen, dus waar kon hij zijn?
Het duurde zeven lange weken, weken waarin ik regelmatig tevergeefs bij die woningen aanbelde en vroeg of ze hem gezien hadden. Weken dat ik roepend door de buurt liep. Ik moest zó aan het idee wennen dat ik nooit zou weten wat er was gebeurd of waar hij was! Maar na zeven weken werd ik gebeld door de eigenaar van het huis met de ‘gelijkende’ tuin: zijn vriendin meende op de achterplaats een grote zwart-witte kat te hebben gezien. Ik vloog ernaartoe en zag hem van een kast naar een ruimte achter de schouw vluchten. Ik begon hem heel zachtjes te roepen en op zeker moment kwam er een miauwtje als antwoord. Het was Iffix!! Daarop vleien en languit liggend mijn hand achter de schouw, de mensen in hun eigen huis aan de kant sturend, vriend laten roepen dat hij met reismand moest komen en vleien, vleien, vleien, terwijl hij me kopstoten gaf (hij gaf geen normale kopjes). Totdat ik hem kon aaien en hij te voorschijn kwam. Maar de reismand gooide roet in het eten, dus weer vleien, vleien en aaien en toen hij voor de tweede keer tevoorschijn kwam, werd hij in een deken in de reismand gepropt en konden we naar huis. De man woonde eigenlijk al bij zijn vriendin, maar zijn poes woonde nog op zijn adres. Ze at de laatste tijd wel heel veel, vertelde hij  Kortom: Iffix was niets tekortgekomen en had samen met de poes heerlijk het rijk alleen gehad  😀

Wat was ik blij dat hij thuis was! Dat durf je na zoveel weken niet meer te verwachten. En dat hij dan hemelsbreed nog geen 25 meter bij me vandaan had gezeten! Ik was zo ontzettend blij om hem weer bij de deur te zien als ik naar het toilet ging, om hem bij me op de bank te zien, waar hij zich naast me op de leuning vleide, kopstotend aan de bank en zijn vragend mauwen bij de eettoren – die bedoeld was om hem minder te laten eten, maar die hij niet snapte, zodat ik het er voor hem uit moest halen  Hij ontdekte opeens speelgoed met een bal erin en lag daar eindeloos relaxed mee te spelen. En hij krabde alle bodems uit kartonnen dozen, waarvan er altijd wel eentje stond. Hoe meer lawaai hij daarbij maakte, hoe leuker hij dat leek te vinden.

Kleinie deed haar intrede en hij schoof Muis aan de kant, want een kitten wassen was belangrijker voor hem dan Muis. Die redde zich wel, al gaf ze hem uit frustratie wel regelmatig een mep.
En toen J. in mijn leven kwam, duurde het een tijdje voordat hij langs die man met die schoenen durfde. Hij bleef op mijn leuning op de bank liggen en zou nooit bij J. gaan zitten. Of hij bleef angstvallig tegen Kleinie aan liggen (die even bang was als hij), zodat ze minder opvielen.
Toen we gingen samenwonen, moest hij samen met Muis in de gehate reismand. Ik weet niet eens meer hoe we hem daar in hebben gekregen, maar het lukte. Het was een reis vol jammerende zieligheid.
Eenmaal in Brabant aangekomen, zag hij Kleinie weer en was al gauw toch weer blij. Hij vond het heerlijk om als vanouds op het plaatsje achter het huis te komen – weglopen was voor hem niet eens mogelijk, al vonden de anderen hun weg via de schutting. Hij moest daar niets van hebben. Als de bel ging, vluchtte hij samen met Kleinie naar boven of naar het kiertje naast de schuur. Daar wachtten ze dan samen tot de kust weer veilig was 


En toen verdween hij wéér! Deze keer samen met Toekie. Hoe kon dat nou!? De vaatwasser was vervangen en de voordeur had daarbij opengestaan. Ik was weer in paniek, want hoe kregen we twee bange katten terug in een buurt van een plaats waarvan men zei dat het vergeven was van de kattenmeppers? We hingen weer flyers op en liepen keer op keer roepend de hele buurt door. Toen we aan de tafel in de keuken zaten, meende ik hem zelfs te horen miauwen. Zou ik dan eindelijk officieel gek worden?
Maar de derde dag hoorde ik hem weer en ditmaal kon ik de locatie achterhalen: het klonk vanachter het fornuis … Die was in een nis ingebouwd, met ruimte er achter. Opeens dachten we aan de nieuwe vaatwasser en sloopten we de plint onder de keuken vandaan. Daar kwamen twee verfomfaaide, hongerige katten tevoorschijn. Er lag nog water van de gesprongen afvoerleiding, dus dat hadden ze wel gehad. Maar de honger! Er werden veel kopstoten gegeven, afgewisseld met schrokkend eten. Wat waren we opgelucht! Drie maal was scheepsrecht, vertelde ik Iffix en hij mocht nooit weer verdwijnen.


Dat schrokkend eten bleef een hele tijd, en dat kotste hij dan fijn weer uit. Soms werden we er flauw van, maar hij was al oud, dus ach. Hij was ook wel slim: wij hadden een vakantie geboekt terwijl Toekie een beetje ziek was, dus de buren zetten op ons verzoek dagelijks een bakje natvoer voor haar bij het bed. Bij terugkomst zag Iffix er nog meer als Hollands welvaren uit, en bleef om het bakje van het natvoer cirkelen. Oftewel: hij was slim genoeg geweest om het in te pikken 🙂

Hij begon te snappen dat het kattenluik iets was waar je tegen moest duwen en deed af en toe een halfslachtige poging. Meestal begon hij te mauwen en keek ons aan, waarop wij dan opstonden, met een voet (zonder schoen!) het luikje open hielden, waarop hij er elegant doorheen sprong. Buiten dronk hij het smerigste water dat er was – blijkbaar was dat het lekkerst – en als hij weer naar binnen wilde, zat hij op een stoelleuning in de tuinkamer en bleef indringend en mauwend naar binnen kijken, totdat wij hem zagen en de deur voor hem openhielden. Want het luikje ging naar buiten en dat was toch wel een brug te ver voor onze nozele man 🙂

Anderhalve week geleden lag hij met gestrekte hals in zijn mandje te slapen, als een stervende zwaan. Ik maakte me als altijd meteen zorgen, vooral toen hij een paar dagen later ook begon te zwoegen vanuit zijn flanken. Maar hij at nog lekker en kwam ’s ochtends bij Kleinie en mij op ons bed liggen, besprong haar nog met zijn grom en liefdesbeet met zijn ene overgebleven tand. Kleinie sliep gewoon door, en ik joeg hem als altijd van haar af. Dat deed hij donderdag nog, maar vrijdag niet meer. Hij ging ook niet meer naar de etensbak, maar hij had wel enorme honger. Dus kreeg hij Sheba, en genoot daarvan vanuit zijn mandje, terwijl drie anderen likkebaardend wachtten. Ik had wat filmpjes gemaakt en belde vrijdag de dierenarts en mailde de filmpjes. Ja, ze moesten hem toch zien, maar gezien zijn enthousiasme met eten kon dat maandag wel. Huisbezoek kon niet vanwege corona. We konden wel bellen als het erger werd en dat was zaterdagochtend het geval. Ik maakte een spoedafspraak, pakte hem tegen de tijd dat we weg moesten op (wat hij tot mijn verbazing toeliet) en deed hem in de reismand. Dacht ik. Hij vloog er als een razende klauwend uit, raakte een ader in mijn arm, dus wij moesten eerst pleisteren en dweilen en de dierenarts afbellen. Daarna ging ik hem zoeken – hij had zich boven ergens verstopt. Na veel zoeken zag ik hem om een hoekje van een verstopplek kijken, en gaf hem eten. Maar hij liet het staan.

Later vond ik hem onderin de kast boven, in een donker hoekje. Ik werd erg bang, want dit betekent doorgaans dat ze gaan sterven. Wel een uur heb ik onderin de kast gelegen, vleiend en aaiend, totdat hij wat ging eten. Later kwam hij naar beneden en sjokte naar zijn mandje. Hij at nog wel een hapje, maar het kostte hem te veel energie. Wij twijfelden vreselijk: de reismand is stress, maar is dit lijden of kan hij hier rustig sterven? ’s Avonds leek het al stervenstijd te zijn: hij lag op zijn zij onder mijn werkblad, zich afzettend tegen de computer. Ik huilde vreselijk, het was zo akelig om te zien en ik kon hem toch niet missen! Iffix werkte een boel slijm naar buiten en ging daarna tot onze verbazing weer gewoon liggen, pootjes opgevouwen onder zijn borst. Wij konden toch iets rustiger slapen, ik kon hem even loslaten en het lot zijn gang laten gaan.

Zondagochtend lag hij in zijn mandje, maar hij wilde niet eten. Van mij wilde hij nog wat Sheba-vocht van de vingers likken, maar het was duidelijk dat het slecht ging. Ik overlegde met schoondochter en later met een poezenvriendin en maakte weer filmpjes. Ze vonden allebei dat we hem toch moesten laten zien bij de dierenarts. De poezenvriendin vroeg of zij hem moest vangen, maar dat ging me toch wat ver. Ik rolde hem in een stuk fleecedeken en duwde hem de reismand in, die opeens veel te groot leek voor zijn magere lijf. Natuurlijk was ik bang dat ik hem pijn gedaan had, maar hij zat in de mand, dus we konden een dierenarts bellen. Die zou net naar huis, maar hij wilde wel op ons wachten. Het was een rit van een kwartier, maar al na 5 minuten hoorde ik een raar geluid en toen we onder een lantaarnpaal door reden, zag ik: hij was al dood … We zijn toch naar de dierenarts gegaan en die kon ook niet anders dan de dood constateren. Maar hij troostte me erg met de reconstructie van zijn ziektebeeld: hier was ook een week geleden geen redden aan geweest. Iffix had massief hartfalen en zijn hart was er nu mee gestopt. Het verklaarde het vollopen met slijm en zijn blauwe bekje na zijn dood. Het stelde me gerust dat ik hem niet tekort had gedaan en vooral dat zijn sterven onvermijdelijk was en niet perse met de reismand te maken had. Want daar zat natuurlijk mijn pijn: die reismand en de eeuwige strijd daarmee.

Maar hij lag er zo mooi bij, dat we hem in het onderste deel van de reismand hebben laten liggen voor de andere katten en voor mij. Hij lag een avond binnen totdat zijn ziel weg was, daarna bleef hij tot dinsdag in de tuinkamer. Kleinie rook telkens als ze langs hem kwam aan hem, iedere keer weer. Alsof ze het niet kon geloven. Ikzelf geloof het ook niet: hij bleef zo mooi en ik kon geen afscheid nemen. Maar op dinsdag groef J. een grafje, vlakbij Toekie en vlakbij huis. ’s Middags hebben we hem samen begraven en weer huilde ik alles aan elkaar. Hoe moest ik zonder Iffix, zonder deze kat met wie ik zo verbonden was?

Een paar dagen voordat hij echt ziek werd, liep Iffix van zijn plaats naast mij op de bank achterlangs over de leuning en ging naast J. zitten, hem aankijkend. Het was uniek, hij deed dat nooit. Dat moet zijn overdracht geweest zijn: “Ik ben zo lang de man in haar leven geweest, neem jij het nu van mij over” ❤ Die gedachte troostte me ontzettend, ook nadat we hem begraven hadden. En de blauwe plek van de krabben van zaterdag is er nog en telkens als ik er naar kijk, voel ik hem en zijn trouw. Hij blijft met mij verweven, altijd. Ook letterlijk: er zijn heel wat haren van hem in mijn borduurwerken terechtgekomen en meegeborduurd 🙂

Gisteren aten we friet en ergerde het me voorheen weleens dat hij dan constant bij me zat te hengelen omdat hij mayonaise van mijn vinger wilde likken, nu miste ik dat gehengel.
Er zijn wel honderd momenten op een dag dat ik denk aan Iffix zus en Iffix zo. Dat verdient hij ook, deze man die het langst bij mij bleef, die zo trouw was. Rust zacht, lieve lieve Iffixeman, je blijft voor altijd in mijn ziel ❤

Articles

Oorlog in mezelf

In Taal on 14 december 2020 by Marjolein Stam

Als tweede generatie-kind ben ik, zoals de meesten van ons, opgegroeid met oorlogsverhalen van onze ouders en grootouders. Mijn vader had het zwaar als hongerwinterpuber, mijn moeder was een kind van arme mensen op het platteland in het Noordoosten. Eén paar klompen voor een stel kinderen betekende dat zij om de beurt naar school moesten. Na de oorlog was er nog geen tijd voor pleziertjes; zij moest vanaf haar 14e werken en daarvoor was ze 14 uur van huis. Haar enige pleziertje was wekelijks naar de zang. Zij had een prachtige stem en kon moeiteloos bij elk lied de tweede stem zingen. Ze hield er levenslange vriendinnen aan over. Haar lichtpuntjes, die ze de rest van haar leven meenam en waar ik van genoot.

Mijn vader was een ander verhaal. Door de hongerwinterverhalen en de hongertochten die hij met zijn moeder en zusje vanuit het westen moest lopen, de vreselijke dingen die hij onderweg tegenkwam en ook thuis, waar honden en katten van straat verdwenen, en waar Duitsers kleine meisjes uithoorden over waar hun vader verstopt zat – die daarna vanuit zijn schuilplaats opgepakt en doodgeschoten werd. Die dingen maakten diepe indruk, meer dan de verhalen van mijn moeder. Al waren die even erg. Haar vader was tewerkgesteld in een Duits kamp omdat onderduiken zou betekenen dat zijn oudste zonen dat ook zouden moeten. Zij leden ook honger. Maar bij mijn vader waren er twee broers afgevoerd naar werkkampen en eentje kwam met grote problemen weer thuis. Erg, erger, ergst.

Wat ik altijd meekreeg, was de honger. Ik was een ondervoed kindje, weliswaar ruim 11 jaar na de oorlog geboren, maar ik was vaak ziek en had daardoor geen weerstand. Naast het dagelijkse levertraandrama waren er drama’s van slagroom en eieren moeten eten, of ik dat wilde of niet. Tegenwoordig wil ik dat veel te graag 🙂 maar toen was het toch een ander verhaal. Zo heb ik de oorlog in mijn ouders onbedoeld en ongewild overgenomen. Het enige wat daar van over is, is mijn moeite met het weggooien van eten. Pas als het beschimmeld in de koelkast staat, gooi ik het weg. Een houdbaarheidsdatum zie ik nauwelijks, tot grote afschuw van kinderen en kleinkinderen.

2020 wordt gekenmerkt door corona. Ondanks alle maatregelen konden wij gebruik maken van de versoepeling en een midweek op de Veluwe doorbrengen toen onze vloer werd geschuurd en geolied. Het was een mooie midweek in een fijn huisje met mooi weer, heerlijke fiets- en wandeltochten en een heerlijke dag met kennissen die op slag vrienden werden. In juli konden we weliswaar niet naar de geplande F1-race, maar de 5 dagen erna konden we wél vlinderen en ontspannen in Oostenrijk, met opnieuw heerlijk weer, (kreunend) de alp op klauteren om daar van de mooiste vergezichten te genieten. Aansluitend waren we nog twee dagen in de Eifel, waar we ook genoten hebben. En in augustus konden we een mooie midweek met de kleinkinderen naar Zuid-Limburg. Kortom: genoeg te genieten en prachtige herinneringen gemaakt, ondanks dit rare jaar.

Maar nu alles weer oploopt en we met een onzichtbare vijand te kampen hebben, merk ik dat het oorlog in mij is. Mijn calvinisme over wat ons kan overkomen veroordeelt de jongeren die feesten en mensen die zich niet aan (in mijn ogen) noodzakelijke maatregelen willen houden. Het land gaat vannacht al op slot en mensen klagen en roepen. Niet iedereen – ik chargeer omdat die berichten me opvallen, mijn gevoel daar achter blijft haken. Want had men in de oorlog een keuze? Toen kon er 5 jaar niet gefeest worden, toen kon er helemaal niks en hebben onze ouders en grootouders toen lopen klagen?

Daarmee kom ik bij de oorlog in mij. Ik word heel boos op feestende jongeren en protesterende volwassenen, alsof ik zelf aangevallen word. In mij klinkt dat overbekende verhaal van lijden van mijn ouders en grootouders, dat ik blijkbaar meedraag en dat zorgt voor onterechte boosheid. Het is ook mijn vijand, dat virus, het is de vijand van iedereen – of je er nou wel of niet in gelooft. En niemand wil opgesloten worden. Toch heb ik de vorige lockdown als heel rustgevend ervaren. Wij hadden het samen goed en het was niet anders. Maar nadat we in de zomer weer van de vrijheid proefden, is het moeilijker om weer terug te gaan.

En mijn oorlog, die is van mij. Niet van jongeren, niet van degenen die er niet in geloven. Het is iets in mijzelf waar ik de komende stille weken mee aan de slag kan. Want voor ons blijft de wereld open, we kunnen online alles kopen wat we willen en hier komt een einde aan. Net als aan de oorlog trouwens. Daar mag ik 75 jaar na dato ook wel eens een punt achter zetten. Ik ga mijn best doen en focussen op de mooie dingen. Het wordt tijd dat het stil in mij wordt.

Articles

Man met hond

In Taal on 16 maart 2020 by Marjolein Stam

Ruim 5 jaar geleden kwam hij in mijn leven. Ik kende hem al jaren van een taalforum, waar we samen met anderen enorm veel plezier hadden en dezelfde humor deelden.
Maar hij had een vrouw, dus ik zag hem niet als iemand van wie je kon houden. Bovendien had ik besloten dat het wel genoeg geweest was, ik had het eindelijk wel zonder man naar mijn zin.

Zijn vrouw overleed vlak voordat mijn vader overleed en we hadden steun aan elkaar. Hij wilde me ontmoeten, met eigen ogen zien. Dus reed hij vanuit Brabant naar me toe, met het hondje dat zijn vrouw hem had nagelaten. Ik had een hard hoofd in dat hondje omdat poes Miss Muis erg dominant is. Dat bleek: ze daagden elkaar uit en deden telkens een ‘wie is de sterkste’-krachtmeting. Daarbij ging Muis op de trap zitten en zat het hondje op de vloer en werd er gestaard. Tot mijn grote verbazing won de hond!

Ik vond hem leuk, maar ik had allerlei argumenten om hem op afstand te houden: te klein, te snel, ‘too eager’ – verzin het maar. Maar langzaamaan vond ik hem wel steeds leuker. Hij was altijd bereid om alles voor me te doen. Een lieve, goedlachse man. Maar toch …
En toen gingen we een middag naar het buitendijkse land en zouden een metalen trap op. Dat kon het hondje niet, dus hij droeg haar. Op dat moment werd ik verliefd, toen hij haar zo vasthield, terwijl ik voordien weleens dacht: ‘waarom moet die hond overal mee naartoe’. Maar dat beeld van die man met hond was zo ontzettend lief! Ik smolt.

We gingen al snel samenwonen toen we een leuk huis vonden. Ik wilde niet dat hij daar alleen met het hondje zou wonen en we telkens heen en weer moesten. Want 265 km is erg veel om te latten, en ik moest toch al reizen om mijn familie te zien. Dus hakten we de knoop door en verhuisde ik met 4 poezen naar het zuiden. We werden een samengesteld gezin, grapte ik: hij met het hondje, ik met de poezen.

De poezen moesten wennen, behalve Miss Muis, die meeliep met het rondje met het hondje. Binnenshuis meden zij elkaar, maar buiten was dat anders.
Het hondje was doodsbang voor onweer en op een nacht hoorde ik ander getik van nagels dan ik gewend was. Ik liet mijn hand uit bed hangen en werd tot mijn verbijstering aan mijn vingers gelikt. Het hondje had de trap weten te beklimmen 🙂 Tot ongenoegen van de baas.
Toen we met de auto op vakantie gingen, namen we het hondje mee en bleek zij dingen te kunnen die wij nooit verwacht hadden. Zo klom ze in het Tsjechische Tiske Steny ongehinderd over uitgesleten trapjes, over rotsen, en liet ze de kracht van haar ras zien: ze was waarlijk een Tibetaans Bergleeuwtje! Thuis heeft ze het na die ene keer nooit meer aangedurfd.

Omdat de poezen van mij altijd een scheutje koffiemelk kregen, sloot zij verwachtingsvol aan bij de meute in de keuken 🙂 Later kreeg ik steevast een likje aan mijn been als ik beneden kwam; zij wist dat er koffiemelk in het verschiet lag. Datzelfde gold voor de kaas die ik ’s avonds altijd neem. Ze wist het feilloos, ook toen ze al doof was en halfblind door de staar.
Ze was een hondje op leeftijd, dat werd steeds duidelijker. De kwaaltjes werden geleidelijk aan wat erger. “Ze wordt oud”, zeiden we. Maar met 14 kon haar gebit nog onder gas-narcose onder handen worden genomen; ze was toch nog fit genoeg.

De laatste tijd ging het hard. Eerst was er het door één poot zakken. Het bleek dat de knie van de ‘rail’ liep, die dan al lopend weer op de plek schoot. Daarna was er het vele plassen, dat door een blaassteen werd veroorzaakt. Daarvoor moest ze een echo hebben, maar dat werd een drama – ze raakte volledig in paniek en men belde dat ze opgehaald kon worden. Maar goed, duidelijk was dat ze speciaal voer moest hebben. Dat vond ze minder lekker maar ze verstopte het wel als vanouds in haar mandje in de keuken. Sinds ze niet goed meer hoorde had ze zowel in de (open) keuken als in de kamer een mandje en het keukenmandje ging de hele keuken door als ze er haar brokken in verstopte en daarna opat 🙂

Ze zakte steeds vaker door haar poten en begon te janken in haar mand. Daar kon ze dan niet uit; het achterste deel van haar rug werd krommer en smal. Wij vonden dat ze te veel leed en gingen naar de dierenarts. Die dacht dat laseren haar kon helpen en deed twee keer een behandeling. Maar de tweede keer was ze zo bang dat ze daar haar plas liet lopen en constant jammerde. Wij besloten het hierbij te laten, gaven haar pijnstilling en wisten dat ze in haar laatste fase was beland. Maar toch, als ze kwispelde of aan mijn been likte, vonden we dat fijn. Maar steeds vaker moesten we samen praten over het einde.

Dat einde hebben we haar nu 10 dagen geleden gegund. Ze sliep diep toen de dierenarts hier kwam en werd alleen even wakker van de nare narcoseprik. Daarna was ze snel weg. Binnen een uur was haar ziel ook weg. We hebben haar ’s avonds in haar mandje in onze tuinkamer gezet om de poezen gelegenheid te geven afscheid van haar te nemen. Dat gebeurde niet, poes Kleinie was doodsbang en durfde niet langs haar, de andere poezen besteedden totaal geen aandacht aan haar. Wel vonden we ’s ochtends een kleikorrel die veel op een brokje leek voor de mand. Dat moet Muis gedaan hebben, die geeft cadeautjes. Het vertederde ons. Muis zat ook bij de hele euthanasieprocedure aandachtig toe te kijken – zij was deel van ‘de kring’ en voelde alles, daar zijn wij van overtuigd.

We hebben haar de ochtend na haar sterven weggebracht en voorgoed afscheid genomen. Binnen een week zat Muis plukkerig in de vacht, ze likte hele stukken kaal. Omdat we de mandjes meteen weggedaan hebben, zagen we telkens die lege plek. Daarom legde ik een zachte speeldoek op de plek van het mandje. Muis ging er acuut op zitten, en verhuisde daarna naar haar mand. Dat is nog steeds haar routing want ze mist ook het rondje met het hondje.

We missen haar, mijn ‘stiefhondje’, zoals ik haar altijd liefkozend noemde.
Ik hield van het hondje zoals ik van de man houd.

Dag lief stiefhondje, dank je wel voor de ruim 5 mooie jaren waarin je me je onvoorwaardelijke liefde gaf. Dank je wel voor 12 jaar vriendschap met de baas.
Je bent vrij en je speelt op de regenboogbrug ❤

Articles

Kronkels

In Taal on 26 januari 2020 by Marjolein Stam

Heel vaak word ik als raar gezien en/of bestempeld. Mijn gedachtegangen zijn zeg maar ‘anders’. Ze kronkelen soms met een lus, waardoor mensen me niet snappen. Ik denk moeilijk waar het makkelijk kan en dat zorgt vaak voor de nodige hilariteit.

Zo had ik jaren geleden rugpijn en ging met de auto naar mijn werk (wat hooguit 800 meter verwijderd was). Achteraf begrijp ik niet dat ik niet op de fiets ging, maar destijds was dat volkomen logisch. Eenmaal klaar met mijn werk, bleek de auto een lekke band te hebben. Met nog altijd de fiets in mijn achterhoofd, zette ik de auto in zijn vrij, deed het raampje open en duwde de auto naar huis. Waarom? Vanwege die lekke band, die thuis geplakt kon worden. Duhh … ik ben er lang mee geplaagd want mijn duw-actie was niet echt goed voor mijn rug 😉

Rond dezelfde tijd moest ik ergens naartoe en mijn partner had me gewaarschuwd dat er een gat in de uitlaat zat. Als ik een raar geluid hoorde, gaf dat niet – er stond een afspraak bij de garage. En op de terugweg hoorde ik inderdaad een raar geluid. Ik reed bewust al binnendoor, want pech op de grote weg leek me niks. Dat heb ik geweten! De auto stuurde steeds zwaarder en trok naar links. Gelukkig moest ik telkens linksaf, dus het was te doen. Maar het geluid werd erger en natuurlijk was er praktisch geen verkeer op de binnenweg, dus ik werd behoorlijk onrustig. Toen iemand mij inhaalde en gebaarde, stopte ik en stapte uit. Tot mijn ontzetting zag ik dat het euvel niets met de uitlaat te maken had, maar dat ik een lekke band had, die al heel erg flapte. Ik reed op de velg. En dat naast die herrie van de uitlaat! De automobilist kreeg medelijden met me en eindelijk viel het kwartje bij mij. Na wat tegenstribbelen van zijn kant hielp hij dan toch de band te verwisselen (nee, niet plakken – het is geen fietsband 🙂 ) Ik kwam bijna huilend van opluchting thuis. Daar werd mij gevraagd of ik dan niet gevoeld had dat de auto zo trok? Jawel, maar ik moest toch telkens net linksaf! En dat geluid? Ja, de uitlaat …

Kortom: als een gedachte eenmaal in mijn hoofd zit, schakelt die blijkbaar moeilijk naar een andere optie. Ik kan nog tal van anekdotes noemen – sommige grappig, andere minder grappig omdat mensen niet begrepen wat ik dacht en me daardoor raar vonden. Ik heb in mijn leven talloze malen mijn kop gestoten – zowel letterlijk als figuurlijk – en die letterlijke keren kunnen er natuurlijk best mee te maken hebben. Of ik ben er mee geboren, dat kan ook. In beide gevallen kan ik er weinig aan doen. Inmiddels weet ik dat als het me dwars zit, het erger wordt. Dan raak ik acuut overprikkeld, kan me niet meer concentreren en raak de gedachtelijn helemaal kwijt. Want dat mensen me raar vinden, daar heb ik me op aangepast door ‘rare’ dingen te doen, door onbewust mijn gedrag zo te veranderen dat ik toch goedkeuring krijg. En dat werkt natuurlijk niet als men je niet begrijpt.

Gelukkig blijft de humor meestal wel. De laatste jaren ben ik vaak woorden kwijt of hussel ik ze door elkaar en ook daar zie je een soort lus in mijn gedachtegang. Volkomen logisch als je de weg kent, maar onbegrijpelijk voor diegenen die een ‘normaal’ verhaal verwachten. Want als je wilt vertellen over iemand uit Mozambique en je komt niet op de naam van het land, wordt het verhaal wat gecompliceerd. Ik omschreef het als volgt: “Uit dat land van die sijsjes, waar ze Braziliaans spreken.” Mijn partner hoorde me en zei dat in Portugal ook Braziliaans gesproken werd (hij kan mijn kronkels gelukkig wel volgen). Eigenlijk is het best knap hoe ik het omschreef, want in Brazilië spreekt men inderdaad Portugees en dat bedoelde ik 🙂

Zo kronkelen mijn hersens voort. Intussen probeer ik de prikkels in te dammen. Ik zie eindelijk dat mensen soms stukjes onthouden die ik volkomen logisch vond en begin te snappen dat het niet anders is. Kronkels verander je niet. Je gaat er zo goed mogelijk mee om en je probeert jezelf te accepteren zoals iemand zonder kronkel dat als vanzelf kan. En ik ben heel blij dat mijn partner mij begrijpt en ook mijn frustratie begrijpt als ik weer eens in een lus denk.

Ondanks zoveel liefde blijft onbegrepen worden pijn doen, maar de liefde en het begrip van mijn dierbaren maken heel veel goed en kronkelen diep mijn hart binnen. En dat is het allerbelangrijkste.

Articles

De laatste Stamgast

In Taal on 14 mei 2019 by Marjolein Stam

In 2003 kreeg ik na een rugoperatie een babykitten om te verzorgen. Binnen een paar weken had ik er 12 en werd Stichting Stamgasten geboren. Het is nooit een goed plan om dit soort dingen te doen als je niet begrenst, geen ‘nee’ zegt en bovendien geen degelijke opvang hebt. Mijn huis werd mijn opvang en mijn leven bestond uit kittens die dag en nacht verzorging nodig hadden. Daar kwamen schuwe katjes bij en gevonden moederpoezen met kleintjes.
Ik ga niet over alle drama’s vertellen – een opvang in huis is vragen om grote moeilijkheden. En die kreeg ik. Het kostte me veel, op alle gebieden.
Maar het leverde Toekie op.

Via een dierenartsenpraktijk kreeg ik in de zomer van 2003 7 schuwe boerderijkatjes van zo’n 4 maanden oud, waarvan Toekie de minst bange was en alleen zij droeg een cypers gevangenispakje. Ondanks dat de dieren niet plaatsbaar waren, hechtte ik mij niet aan hen; tenslotte waren het Stamgasten. Maar met Toekie liep het anders. Nadat ik ‘leeg’ moest vanwege schimmel, kwam zij een half jaar later veel socialer terug. Alleen in de reismand doen bleef een drama – ik kon haar niet oppakken. Maar ze was een lieve theemuts en vond het heerlijk om over haar buik geaaid te worden. Toen ik eindelijk zonder stichting terug ging naar vier katten, was Toekie daar eentje van en werd ze een eigen kat.

Toen ik naar Brabant verhuisde, kwam Toekie met Kleinie als eerste in dit huis om te wennen. Het bleek geen goed idee – de aannemer was aan het boren en breken terwijl wij in Friesland nog spullen inpakten. Bij aankomst zaten twee doodsbange poezen stijf tegen elkaar in een hoekje in het donkere washok. Ik heb een hele tijd moeten praten om ze zelfs maar te kunnen aaien, zo bang waren ze.
Maar na de verhuizing kwamen ze los en werd dit hun thuis.

Toekie kwam wel achter het huis, maar klom niet op het dak of de schutting. Ze was bang voor vreemden, totdat haar gezondheid achteruitging en buren voor haar zorgden. Ze kreeg natvoer en daar had ze de vreemde ogen wel voor over.
De laatste maanden was er een complete omslag: ze was voor niemand meer bang; er was altijd een kans op eten 😉 Dat had ze ook nodig, ze werd magerder en slomer.

Twee weken geleden vonden we haar blik niet goed. Ze mocht thuis sterven, in haar eigen tempo, maar we wilden niet dat ze leed. Ze was intussen zo ver heen dat ik haar zonder problemen kon oppakken en in de reismand kon doen. Dat was maar één keer eerder gelukt: jaren geleden toen ze een longontsteking bleek te hebben. Ze is toen voor de dood weggehaald. Deze keer zag de dierenarts een oude kat, buiten uitdroging had ze geen grote problemen. Een oude kat was geen dooie kat, als wij dat wilden, gaf hij haar een infuus. Natuurlijk wilden wij dat en na 48 uur infuus kon men bloed prikken en bleek haar schildklier te snel te werken. We haalden haar op, gaven haar 2x per dag een pilletje met haar Sheba en tussendoor kreeg ze kleine brokjes die ze ook heerlijk vond.
Ze knapte zienderogen op, kwam aan en had weer die levendige, nieuwsgierige blik. Gisteravond was ze eindelijk aan het uitvinden hoe het kattenluik werkte. Ze redde het nog net niet. We zeiden: “Morgen of overmorgen kan ze het!”

Vanochtend kreeg ze haar pilletje en haar bakje voer, waarna wij onze dingen deden. Drie uur later was ze spoorloos. We riepen en zochten, schenen met zaklampen in elke donkere ruimte, checkten de schuur en zelfs de koelkast.
Toen ik al zoekend de hond uitliet, vond ik haar. Ze lag half in de heg met beschadigingen in de vacht aan haar achterpoot en aan haar flank. Ze was al stijf. Ik heb haar huilend in een doosje gelegd en in de schuur gezet.
We waren allebei ontdaan en ontzet want hoe was ze uit de tuin gekomen?!
Dat zal een raadsel blijven, we weten het niet. Onder de schuttingdeur door past niet, over de schutting deed ze absoluut niet. En toch lag ze daar, dood.

Nog nooit heb ik zoveel jaren een huisdier gehad – ze worden niet zomaar 16! Het is nog niet te bevatten dat ze nooit meer krijst als je op haar poot staat, dat ze nooit meer tegen ons aan zal komen liggen, dat ze nooit meer in haar mandjes zal liggen die we allemaal voor haar kochten, maar die de anderen telkens inpikten. Ze ligt nog in het doosje met een roos bij haar. Kleinie heeft haar van top tot teen besnuffeld en gaf daarna een kopje aan het doosje. Dat troostte me. Vanavond voelde ik dat ze weg was, haar ziel was weg uit haar lijfje. Het geeft zo’n grote leegte!

Morgen begraven we haar. Lieve, lieve Toekie, de laatste Stamgast, wat houd ik van je. Je was zo’n deel van ons ‘gezin’, van ons leven samen. Wat zullen we je verschrikkelijk missen.
Dank je wel voor je vertrouwen, voor je moed, voor je onvoorwaardelijke trouw en liefde. Dank je wel voor je unieke karakter en bovenal: dank je wel dat je alle 16 jaren van je leven met me wilde delen en dat je meteen van J. hield.
Je blijft voor altijd in ons hart ❤

 

Articles

Valse vrienden

In Persoonlijks, Taal, Woordspelingen on 15 oktober 2018 by Marjolein Stam getagged:

Tijdens de voorbije week heb ik weer vele valse vrienden meegemaakt en daar met goede vrienden ontzettend om gelachen. Ik was bij mijn lievelingsnicht en haar familie in Oranienburg – Berlijn, waar we nogal wat verjaardagen te vieren hadden.
Natuurlijk kwamen daar de Falsche Freunde tussen onze verwante talen uitgebreid ter sprake, wat als altijd voor veel plezier zorgde.

Zo was daar Petra, die me jaren geleden zei dat ze haar naam lelijk vond. Ik zei dat ze een prachtige naam had met een mooie betekenis. Maar ik was wel de vertaling kwijt, dus keek hulpzoekend mijn nicht aan en vroeg ‘rots’? Dit resulteerde in een lachstuip van de nicht, terwijl Petra’s gezicht droop van afgrijzen. Rotz betekent in het Duits namelijk een snottebel …
Sindsdien zeggen we als we elkaar zien: ‘Da ist die Petra Rotz!’ 🙂

Duitsers moeten in Nederland altijd lachen om de bordjes met 3x bellen en nog meer om alles wat met huren te maken heeft. De slogan ‘Auto huren 10 euro per uur’ zorgt voor zowel onbegrip als onbedaarlijk lachen. Want zoals Najib Amhali al zei: ‘Hoer is doer!’

Andersom zijn er ook eigenaardigheden: als iemand tegen mij zegt: ‘Ich bin pleite’, dan zeg ik ‘doei’. Maar het betekent dat men platzak is. Verwarring ten top!
Als Nederlandse (een volk dat alles verkleint, wat in het Duits niet kan) zei ik nadat men mij dat omstandig uitgelegd had braaf “Das ist ja ein Riesenkanin!”. Laat nou Kaninchen (en Eichhörnchen) zo’n beetje de enige woorden zijn die men niet kan vergroten!

Altijd weer vertellen wij het verhaal over de openhartigheid van Duitse vrouwen die mijn nicht zo typisch vond: zij klaagden openlijk over pijn in hun kruis. Het was bijna gênant hoe makkelijk men dat zei. Totdat ze begreep dat het kruis bij de Duitsers in de rug zit. Als we dan uitleggen dat het bij ons op een andere plek zit, zorgt dat vanzelfsprekend ook voor hilariteit.

Doordat ik de afgelopen week met een neef soms ook Engelse termen gebruikte, schudden mijn talenlades nogal door elkaar en kwamen er wat kruisbestuivingen uit. Mijn nicht begon over een patrijs die in het Engels gewoon partridge heet, maar in het Duits een totaal afwijkende naam heeft. Na enig nadenken zei ze: ‘Rebhahn’. Ik dacht half in het Engels en vroeg verbaasd: ‘Rape Hahn’? Ik denk dat deze vogel als Vergewaltigungshahn in onze geschiedenis blijft bestaan, net als Kanin en Frau Rotz.

Vals-vriendelijk bezien zou Pinkeltje in Duitsland een incontinente kabouter zijn, zoals zoveel dingen in andere talen zo anders zijn dan in de onze. Op de keper beschouwd zijn de valse vrienden dus geweldig – helemaal als ze bij dierbaren horen.

IMG_1529

Articles

Plastic

In Actualiteiten, Fotografie, Natuur on 1 juli 2018 by Marjolein Stam getagged:

Lang geleden schreef ik regelmatig een blogje. Daar is flink de klad in gekomen, terwijl ik toch merk dat ik op Facebook of bij blogs geïnspireerd word door verhalen van anderen. Ik zal proberen mijn leven weer te beteren. Niet dat ik denk dat de wereld op mijn blogs zit te wachten, maar omdat ik het ook fijn vind om te schrijven, zaken te delen of op een rij te zetten.

Gisteren viel ik in een documentaire op National Geographic over de invloed van plastic, de plasticsoep en de gevolgen voor dier en mens. Het was schokkend, veel schokkender dan ik dacht. Want ik heb nooit goed begrepen hoe die plasticsoep in de oceanen terechtkomt, ik dacht dat het allemaal overboord gegooid werd. Nu blijkt dat dus niet zo te zijn – plastic is overal en belandt daardoor als vanzelf in oceanen, die als badkuip fungeren. Het is overbodig te zeggen dat vogels en vissen dus ook plastic binnenkrijgen. En wij ook doordat de nanodeeltjes ook in de vis blijven zitten. Maar het gaat mij nu niet om ons, maar om onze omgeving, onze wereld met een steeds meer verarmende natuur.

Ik zag hoe op een eiland ergens bij Hawaï kuikens van de kleinere albatrossoorten tussen plastic leefden. Dat deed zeer want wij zagen deze majestueuze vogels in oktober toen we vanuit de haven van Akaroa de Stille Oceaan opvoeren. We zagen de Reuzenalbatros, de Wandering Albatros – beiden soorten van grootste albatrossen ter wereld. Daarnaast enkele kleinere soorten zoals de mooie wenkbrauwalbatros. We vergaapten ons aan hun schoonheid en waren onder de indruk van hun kracht. Zij hebben een driedelige vleugel om zich als origami op te kunnen vouwen als ze drijven, waar alle andere vogels tweedelige vleugels hebben.

De oceaan leek schoon, heel Nieuw Zeeland was schoon. Wij zagen geen zwerfvuil en zeker geen plasticsoep. Maar het is er wel en de magen van deze mooie dieren zitten er vol mee. Het eiland uit de documentaire waar de jongen geboren worden, ligt midden in de plasticsoep-regio en de jongen keren na een aantal jaren altijd weer terug naar hun geboortegrond. De ouders die hun jongen vis voeren, geven vis met daarin plastic – soms van jaren oud. Want de aanwas van plastic neemt al 50 jaar enorm toe doordat het nooit meer weggaat. Het breekt af en je zou de oceanen al moeten zeven om ze helemaal schoon te krijgen. Maar dan nog zitten ze in onze kringloop.

Wij hebben veel zwerfvuil gezien, maar niet in Nieuw Zeeland. Toch zullen de albatrossen daar ook lijden onder het plastic afval. We kunnen beginnen met bewustwording en daarom doe ik mee met Australië, waar de maand juli in het teken staat van “stop met plastic”.

Voor allerlei informatie over de effecten van plastic op de aarde, zie
https://www.nationalgeographic.nl/stopmetplastic.
Ik deel als reminder, ook voor mezelf, graag foto’s van de prachtige albatrossen, die majestueuze koningen van het luchtruim boven de oceaan. En als bonus een kleine blauwe pinguïn die dapper in de golven zwom.

Deze diashow vereist JavaScript.

Articles

Kestvehaal op zien Twents

In Taal on 26 december 2017 by Marjolein Stam

IMG_5705 os ezel en kind

Wegens een groot gebrek aan inspiratie mijn niet al te goed leesbare succesverhaal nog eens op herhaling. Geschreven in het Twents, speelt het zich af in het Friese deel van Israël.

In het noorden en het noordoosten zijn we vaak wat verlaat. Dat noemen we het ‘Tukkers kwartiertje’. Sinds een aantal jaren ben ik tot mijn eigen spijt een ster in deze kwartiertjes, die zich met gemak tot uren aaneenrijgen. Dus lijkt onderstaand verhaal me nog ruim binnen de tijdslimiet.
Omdat ik het zo’n schitterend verhaal vind, zocht ik lang maar tevergeefs op het web naar Kraomschudd’n in Mariaparochie van Herman Finkers. Nou ja, toen heb ik zelf maar een Twentse versie van het kerstverhaal geschreven. Twents moet je – net als Fries – hardop lezen om het te begrijpen.
Mijn versie is hier en daar geënt op Finkers (de van hem overgenomen grappen zijn aangeduid met een *) en elders op de Bijbel, waar volgens mij geen copyright op rust.

Waart oe, hier kump ’t – ai d’r teminste wies oet kunt wørn: Kestvehaal op zien Twènts

’t Was gloep’ms kold toen Josef met zien mèken Maria noar Bartlehiem mos. Da mos van keizer September um te tell’n hoevølle volk d’r noe eingk in ’t laand woon. Maria kwaamp uut Bartlehiem en dah was nig bes want ’t was van woar zie noe woon een knap ende troggeloop’m. En ’n keerl met vleugels op ‘e rogge had heur een zet eleen mooi tuk had deur te zeng dat-e een engel was en dat Maria uutverkoorn waar. En noe dach Maria dat zie deur ’n eiligen geest in verwachting was raakt. Ach, Maria was niet al te nozel* en Jozef ok nie, want hi’j gleum’t krek zo. Den ‘engel’ had teeng hum ‘ezegd dat hi’j niet hoem te vreez’n. Joa, zeg dat mar’s teeng ‘n timmerman… Den dut nig aans as frees’n!*

Diejen keerl had ezegd dat sie d’ Eiland op de weerld zoll’n zett’n, d’n Veløsser en zie muss’n um Jezus nuum. Ach, al die jongluu heett’n doar Jezus, dus iene meer of minder deud d’r ok nig toe. Mar de zeune van God, gottegot, doar waar’n ze toch wah raar van in ’n kop!

Mar good, zie moss’n dus neug vöt, mar Maria had mie doar ’ne dikk’n buuk, den kon zelf gien sandale meer an de vuute krieng. Dus Josef op zuuk noar ’n èzel zodat Maria niet hoem te loop’n. Hi’j had better veur ’n kameel kunn’n zørg’n, dan had zie meer steun an ’n buuk en an de vuute had dan noe. Noe slept’n heur de vuute iedere keer oaver de grond en bolderd’n zie veuroaver as ‘n èzel weer es bokt’n. Zie wødde d’r knap sloerig van en zie begon wat te heu’n en te driem dat zie vot mossen maak’n want dat wichie kon ’n kop onderweg wah ’s naar buut’n stekk’n. Sie vuuln zich ok alsmar sloeriger wørn, kreeg las van de rogge en dah geschud op ‘n èzel hulp ok nig met.

Gelokkig zaang zie in de verte Bartlehiem ling en Jozef gaf ’n èzel nog een extra zet teeng de konte dat-e de kop an ’n stien stoot’n. En ie wit wah wat d’r dan gebeurt …
’s Oams waarn zie d’r eindeluk. Wat ’n onmeunige reize en wat ’n gedoe veur’n volkstelling. Dat had ok wah aans ekund, met postdoem of stembroos of zowat. Maar ja, den keizer, den lag ait dwars. ’t Mus ait muuluk gaon en mangs was da wah te begriep’n, mar de meeste tied dach ’t volk dat den keizer iets te geern een olle klaore lussen.

Nou, zie waarn d’r. Mar doarnoa heur ie nooit meer wat oaver die telling terogge, dus wat dat noe veur zin had? En hoevulle luu woond’n d’r en forensd’n d’r ok wat of trøkken d’r een zet van ’n steun? Ik kan ’t naans vin’n. Ikke zelf denke dat ’n smoes was om diej’n Josef en Maria veur gek te zett’n. Den engel woar zie helemoale vol van waarn (van Maria ko’j da ok letterlijk wah zeng) had ezeg da da wichie in Bartlehiem geboorn zol wørn. Nou, da had-e wah good!

Maria reup ach en wee en had ok wee’n maar ja, ziet moar ‘s ’n hotel te krieng in ’t hoogseizoen as oe ’t vruchtwater al in de sandaal’n steet. Noe had diej’n engel ‘ezeg dat ‘t wicht in ’n stal geboorn zol wørn maar dat geleum die twee kuukns nie. Wah denk’n da’j van de lucht in gezeengde umstandigheed’n raakt maar nig geleum da’j da mut bezuurn in ’n fosse stro … Zo geet dat met diej’n reizend’n Tukkers.

Jozef had’t wah probeerd, doar kan’k niks van zèng. Hi’j had wah wat veur zijn mèk’n oaver, maar zie kwaam nig in ’t hotel, zie mossen toch in ’n stal. En wat denk ie? Doar stund’n ‘nosse en … ’n èzel.
Ik vroage mie noe al joarn of of dat zien eing gehuurde èzel was of ’n aandern. Want as ’t ’n aandern was, woar was de ziende dan? Bie ’t èzeltrefpunt? Bie rentedonkie? Fokt’n ze doar èzels in Bartlehiem of grøjn die doar soms in ’t wild? Mar good, d’r stund dus ’n èzel in ’n stal. En ‘nosse. Schienbaar gönk dat good saam, ik wit ’t echt nig. ’n Koo was dugmie haandiger ewèst, daor ku’j melk oethaaln, moar wa’j as cafébaas noe toch met ‘nosse mut, das mi-j ’n roadsel.

Dah zie derèk zaang dat ’t ‘nosse was, dat vink wah knap. Ie mut d’r nog wah raar veur goan ling om dah te bekiek’n, maar Maria zal wah derèk van de sokk’n goan wèn en op ’n vodse in ’t heui teregkomm’n wèn.
Ik denke nie dat zie vølle hoem te pers’n, den èzelrit had ’t zowat ah wah daon. Josef mos nog onmeunig anmaak’n um ’n fosse heui of stro in ’n voerbak te leng want hi’j had zich nog niet ummedreid of doar was ’t wich ah. ’t Was een keerltie maar dah wuss’n ze ah. Zie trøkken ’n olde todde an fladden zodat ze pempers hadd’n en daor lag Jezus dan. Kloar. Oaver deup’m wødt ok niks ezèg en zie bint in’t oostn zowat ammoale katteliek. Mangs begriep ik niks van ’n Biebel.
Ok oaver ’n navelstrenge wødt gien woord ‘eschreem, ok ah zo vremd. Ik denke toch nie dat zie een goeie schere hadd’n in die tied, en as zie’m hadd’n, lag-e wis en wrachtig nig in ’n stal!
Maar misschien hef ’n èzel de boel op’evrett’n, dah kan. ’t Is good ekomm en da’s ’t veurnaamste.

Oh joa, en dan he’j nog gezever oaver herders die bie Dracht’n laang en die van ammoal zing’de Engelsen derèk noar de stal woar ’t wicht lag, henne moss’n. Bartlehiem is nog wah een knap ènde van Dracht’n of, en moss’n die herders dan niet teld wørn? En woar die Engelsen iniene vut kwaam, week ok ah nig. D’r was toch gien Viefsteentoch (ie heurt nigs van ‘niesmeester of wah dan), dus zie bint ’t Knaal ok nie oaver komm gliern. ’t Mag dan gloep’ns kold ewèst hem, mar as die gliertocht d’r was ewès, was d’r dugmie wah knap oaver kuierd. Nee, die Engelsen bin’t mie ok ah ’n roadsel! Meschien hef dah zing d’rmet van doon, dasse oefen’n veur ’n konkoers of wat. Ik prakkezere d’r ok nig meer oaver, ik gleuf’t ammoah wah. Zo heurt’t ja ok.

’t Was ’n knap drokke bedoening daor in ’n stal: zie kwaam ammaoh te kraomschudd’n. De cafébaas haald’n rap ’n paar pott’n boer’njongs en van dah smeerge peern- of beernspul oet de veurroadkaste en verkoch bès. Veur de kraomvrouwe had-e netuurluk braandewien en donker bier veur ’t zog. Ik gleuve dat-e nog jaor’n ’n stal verhuurd hef an luu die ok zon ‘netuurluke kraom’ woll’n, en dat-e d’r vrekte good met oetesprøng’n is. Mangs hebt ze ’t er nog wah’s oaver hoe’n mooi’n tied dah was. Dan wødt ‘r op’m boernwaang trouwd in ’n stal en d’r wødt daans’n en zøng’ dat heurn en zeen oe vergeet.

Noe gleuk dat de Timmermans met ’t wichie nog lange en gelokkig lèm, mar dah was ammaoh zo’n gedoe um te lèz’n da’ wie dah maar veur waor annemt.
Dah book gunk nog ‘neeln zet vedan en ik hadde ok gien zin um alles te lèz’n want de rest was gleuk ok gien kestvehaal. O joa, wiezn oet toostn, die haan d’r ok nog met van doon! Die luu kwaam umdat ’n sterre de weg ‘eweezn had. Vezèls! Keizers, wiezn, Engelsen, ’n sterre, ik wit-t ammaoh nig maor ’t kump mie wah vremd oaver. Zie haan better naor Franeker kunn gaon, daor he’j ok ’n prötte van die luu zitt’n die ze nig geern op stroate zeet. Die zeet ok sterregies en hebt d’r sels ’n old’n zolder met vollemaak. In dah hoes mu’j zoa onmeunig noar boam’ kiekn da’j d’r gek van wødt.
Dah was nog wah ’n gedoo met diej’n Eise en zien buurn, mar ’t is um dan toch elokt en doar hep ze noe nog alle daang ’n prötte anloap van. Die sterre zal dus wah naar Franeker scheen hèm, kump mie veur.

En wiezn komt joa ait oet toostn, doar haan ze al nig zoa oaver schriem hoem, das toch vezèls? Op alle aandre plekk’n bi’j nig wies aj wiest – o’j noe van Bartlehiem of van Dracht’n komt, mè-da’j wiest, kom ie in Franeker in ’t gekk’nhoes oet. In toostn ku’j wah wiez’n, doar kömp völle volk van oaver de grènze umda toostn doar nog ’n heeln zet vedan geet. Doar bint ze wah wiezer dan noar sterr’n te wiez’n, zie wødt bie de gedachte ah benauwd dah diej’n zingde Brek met zien slager d’rop ofkump!

Moraal van ’t vehaal: waart oe veur Tukkerse ketierties. Veurda’j wit, mu’j dwars deur Frieslaan reiz’n en kommieop de gekste tiedn op de vremdste stee’n de raarste ding’ teeng!

(*D’r zatt’n toch maor twee Finkersgrapp’n in. De rest kwaamp ammaole oet ’n biebel en oet toetsnböd.)

Articles

In de ban van de ring

In Persoonlijks, Simpel schrijfwerk on 10 maart 2017 by Marjolein Stam getagged: , , , , ,

Tijdens een dagje Berlijn in de zomer van 2015 zag mijn lief een ring in de etalage van een juwelier bij Alexanderplatz. Eenmaal binnen zag ik een exemplaar dat mij riep; die ring wilde mij en ik wilde die ring. Het was een ring van Frey Wille met de naam ‘Joy of Life’ en wat was dat toepasselijk in deze fase van mijn leven!
Toch vond ik hem te duur om hem zomaar even te kopen. Stiekem hoopte ik dat lief mij de ring alvast voor mijn verjaardag zou geven. Maar hij noch aanwezige nicht pakten de – blijkbaar te subtiele – hints op.

Een paar weken later vroeg hij wat ik van hem voor mijn verjaardag wilde hebben. Tja … eigenlijk wil ik die ring heel graag! Ehhh, die ring was toch in Berlijn en wij zijn nu in Friesland. Ja, dat weet ik, maar we kunnen toch bellen? Helaas, de winkel verstuurde niet buiten Duitsland. De ring was nergens anders meer te koop, dit specifieke design was uitlopend en dit was de laatste.
Kan het dan niet via nicht, opperde ik. En warempel, dat werd geregeld. Lief belde de winkel, mailde mijn nicht en met vereende krachten werd de ring naar ons opgestuurd. De dag voor mijn verjaardag lag mijn Joy of Life bij het afhaalpunt, dus kon ik tijdens mijn feestje pronken met mijn prachtige ring. Mijn verlovingsring, zeiden we.

Nu ben ik al lang niet meer gewend om sieraden 24 uur per etmaal te dragen, dus ging de ring ’s nachts af. Ook als we ergens waren geweest en ik op de terugweg onder zeil ging, of als we pendelden tussen Helmond en Leeuwarden, ging hij af. Tijdens onze verhuizing(en) hield ik hem apart om te voorkomen dat ik hem kwijt zou raken. Ook in ons nieuwe huis lag hij op vaste plekken. Als een kloek waakte ik over my precious.

Begin maart 2016 hadden we een feestje waarbij mijn ring opgemerkt en besproken werd. Achteraf was dat de laatste keer waarvan ik zeker wist dat ik hem droeg.
Kort daarop bleek hij spoorloos. Weg, verdwenen. Verschrikkelijk! Hoe vaak ik niet mijn tas opnieuw doorgespit heb, de bank onderaan beklopt hebben, alle hoekjes en gaatjes doorzocht … hij bleef weg. De zak die in die periode in de stofzuiger zat, is helemaal uitgeplozen – alles vergeefs.
Toch kon ik niet accepteren dat hij wellicht nooit terug zou komen; ik bleef hoop houden op een wonder. In het ongunstigste geval had ik hem echter in de auto afgedaan en opgeborgen in een leeg snoepdoosje, wat daarop weggegooid zou kunnen zijn. Maar ik wist het niet zeker en wilde dat niet geloven.
Wekelijks had ik het over de ring en of we die ooit zouden terugvinden – ik bleef in de ban van mijn ring.

In de afgelopen maanden hebben we veel in huis verplaatst, op- en ingeruimd, vaak samen met onze hulp. De kamers zijn uit- en weer ingeruimd, er werd gesorteerd, gepoetst, gedweild en gezogen. Mijn hulp wist weliswaar van de ring, maar ze had geen idee hoe hij eruit zag. Vorige week gebeurde het wonder.
Wij waren even weg en toen wij terugkwamen, lag er een ring op de laptop. DE ring! Mijn Joy of Life was terug! Ze had hem gevonden achter een poot van de boekenkast op de overloop, waar de katten hem ongetwijfeld naartoe gespeeld hadden. Vermoedelijk is het ding het afgelopen jaar de hele bovenverdieping over geweest, startend vanaf mijn nachtkastje.

Een ring staat symbool voor oneindigheid. Dat zo’n symbool kwijtraakt en bijna exact een jaar later toch weer opduikt, vind ik ook symbolisch. Een jaar lang was ik in de ban van de ring en nu, nu hij terug is, is hij niet meer van mijn vinger geweest.

2017-03-15 15-38-48 (B,Radius8,Smoothing4)

Articles

Les Misérables

In Persoonlijks, Qualen on 25 juli 2016 by Marjolein Stam getagged: , , , ,

Het leven is geen musical maar als je misofonie hebt, staat het wel bol van geluiden. En dan met name van eetgeluiden of andere orale geluiden, die ik als ontzettend negatief ervaar.
In de jaren dat ik alleen was, had ik minder last van de misofonie. Alleen als een dierbare (of iemand die ik vaak zag) een snoepje in haar mond omdraaide, werd ik boos vanwege dat geluid. Hoe dichter iemand emotioneel bij me staat, hoe erger de triggers.

Die boosheid is niet zomaar boosheid, het is intense oplaaiende woede omdat iemand zo’n goor geluid maakt. Ik hoor het boven alles uit en ik word er bovenmatig razend om. Het hoort bij de aandoening dat je hypergefocust bent op geluiden die de ander maakt, dat je er zonder je er van bewust te zijn, constant op let. Dat verhoogt je stresslevels, waardoor je minder goed slaapt en dan word je nog prikkelbaarder en wordt de woede nog sterker. Misofonie is een vijand van jezelf en je moet die vijand voortdurend bestrijden.

Zo moet ik sinds ik samenwoon oppassen dat de boosheid niet overheerst. Ik houd erg veel van mijn partner, dat blijkt wel uit mijn woede 😉
Hij kan er niets aan doen, maar ik helaas ook niet. Ik oefen in wegkijken en niet reageren, terwijl hij figuurlijk op zijn tenen loopt als we synchroon eten met de televisie aan. O wee, als hij een hap neemt tijdens een stilte! Dan schieten mijn ogen vuur en heb ik al gemopperd voordat ik er controle over heb.
Om te voorkomen dat dit (weer) een groot probleem wordt, heb ik hulp gezocht. Ik ga naar een haptotherapeute, die mijn focus op blijheid legt. Ik doe aan mindfulness. De therapeute geeft me oefeningen in positiviteit (daarom zou ze deze blog ook sterk afkeuren!), ik houd een dagboek bij waarin ik de fijne dingen van die dag schrijf en waarin ik mantra’s schrijf die helpen mijn irritatie te overwinnen en mijn liefde te benadrukken.
Ik train mezelf om weg te kijken en mijn woorden in te slikken. En hij traint zichzelf om niet mee te gaan in dit gedoe, niet (meer) boos terug te reageren, maar te zeggen dat het niet in zijn mondholte maar in mijn hoofd zo hard klinkt. We evalueren samen periodiek of er vooruitgang is en gelukkig is die er.

De strijd tegen misofonie is intensief en zwaar, kost veel kracht. Daarom ben ik zo blij dat wij samen genieten van de natuur, van fotograferen, van nachtvlinders op het raam. Van vakanties en andere omgevingen, van onze beesten en van mijn borduurwerk-in-wording. Al die dingen die ons leven samen zo de moeite waard maken, blijven overeind, al moeten we daar wel wat voor doen. Alles buitenshuis is fijn, want daar heb ik geen last. Niet in de bioscoop of op andere publieke plaatsen. Thuis is het het ergste, terwijl thuis toch juist veilig en warm moet zijn.

Ondanks die indringer die altijd op de loer ligt, komen wij er samen wel. Ondanks zijn kuchjes, hoesten en eetgeluiden – hoe minimaal ook – realiseer ik me altijd dat we van elkaar houden. Anders zou ik er niet zo veel last van hebben. En hij houdt van mij, ook met deze aandoening.
Wij zijn en worden niet Les Misérables alleen omdat ik misofonie heb. Dat weigeren wij.